RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11737958 CV EXPL 25-13227
datum uitspraak: 25 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. J.W.G. van der Wallen,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde,
vertegenwoordigd door: mevrouw [persoon A], statutair bestuurder.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 23 mei 2025;
-
de akte overlegging producties van [eiser], met producties;
-
de aantekening van het mondeling verweer;
-
het aanvullend verweer, met producties;
-
de akte overlegging producties van [eiser], met producties;
-
de akte overlegging producties van [gedaagde], met producties.
Op 25 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: - [eiser], met mr. van der Wallen;
- namens [gedaagde] mevrouw [persoon A].
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiser] is vanaf 30 januari 2025 tot 1 april 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] werkzaam geweest als beveiliger. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat er een werktijd van 36 uur per week geldt tegen een uurloon van € 19,23 bruto. [eiser] eist in deze procedure betaling van achterstallig loon, vakantiedagen en vakantietoeslag, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging, betaling van buitengerechtelijke kosten en afgifte van correcte loonspecificaties. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zonder recht of titel loon ingehouden. [gedaagde] is het daar niet mee eens.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] aan [eiser] € 2.300,45 bruto aan achterstallig loon, vakantiedagen en vakantietoeslag moet betalen. Voorts moet [gedaagde] de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten betalen. Ook wordt [gedaagde] veroordeeld tot afgifte van correcte loonspecificaties. Hierna wordt deze beslissing uitgelegd.
Beoordelingsmaatstaf
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de door [eiser] gewerkte uren aan hem heeft betaald. Partijen zijn het er echter niet over eens of [eiser] ook recht heeft op betaling van de uren die hij, uitgaande van zijn werkweek van 36 uur, ook had kunnen werken, maar niet heeft gewerkt.
De kantonrechter stelt voorop dat sinds 1 januari 2020 volgens de hoofdregel van artikel 7:628 lid 1 BW het uitgangspunt is: ‘geen arbeid, wel loon, tenzij het niet verrichten van de werkzaamheden in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen’.
Er dient dus te worden beoordeeld of de uren die [eiser] niet heeft gewerkt in redelijkheid voor rekening van [eiser] behoren te komen.
[gedaagde] moet over loonperiode 2 een bedrag van € 415,37 bruto betalen
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] over loonperiode 2 ten onrechte 21,6 uur (3 x 7,2 uur) heeft ingehouden en daarom nog € 415,37 bruto aan [eiser] moet betalen.
a) 13 en 14 februari 2025 (2 x 7,2 uur = 14,4 uur)
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij over 13 en 14 februari 2025 geen loon verschuldigd is omdat [eiser] heeft geweigerd de op die dagen ingeroosterde diensten te komen werken. De kantonrechter volgt dit verweer van [gedaagde] niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] vanaf 30 januari 2025 bij [locatie] te Amsterdam was ingezet als beveiliger. Per e-mail van vrijdag 7 februari 2025 (15:01 uur) heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat vanaf maandag 10 februari 2025 de uren bij [locatie] zijn geannuleerd, de diensten uit de planning worden verwijderd en dat wordt gekeken naar andere mogelijkheden. Onder meer daarover heeft op woensdag 12 februari 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Toen is ook gesproken over het inwerken op een nieuw project op 13 en 14 februari 2025, althans in het weekend op 15 of 16 februari 2025. [eiser] heeft toen aangegeven dat hij inmiddels andere (privé) afspraken had en met zijn partner moest overleggen. [eiser] heeft donderdagochtend 13 februari 2025 (10.23 uur) per Whatsapp aan de planner van [gedaagde] het volgende bericht gestuurd: “Goedemorgen, ik kan dit weekend sws niet omdat ik met de kinderen zou zijn en de afspraken die ik vandaag en morgen heb gemaakt kan ik niet verzetten.. ik zou volgende week wel kunnen werken zoals het staat in het rooster”. Daarop heeft de planner onder meer per WhatsApp geantwoord dat [eiser] eerst nog moet worden ingewerkt, dat het inwerken alleen die week mogelijk is, dat [eiser] het wel lastig maakt nu hij niet beschikbaar is en hij maar met [persoon A] contact moet opnemen. [eiser] heeft vervolgens het hiervoor geciteerde app-bericht ook aan mevrouw [persoon A] ([persoon A]) gestuurd (om 12.48 uur). Daarop heeft zij op vrijdag 14 februari 2025 om 09.36 uur per WhatsApp aan [eiser] het volgende bericht gestuurd: “Hi [eiser], ik heb een aanpassing kunnen maken zodat je maandag ingewerkt wordt door de locatie coördinator”. Er is aldus uiteindelijk afgesproken dat [eiser] op maandag 17 februari 2025 zou worden ingewerkt. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een situatie dat het niet werken op 13 en 14 februari 2025 in redelijkheid voor rekening van [eiser] moet komen.
b) resterende 7,2 uur
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ook de resterende 7,2 uur aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde] heeft pas tijdens de zitting aangevoerd dat [eiser] in loonperiode 2, die betrekking heeft op 27 januari 2025 tot en met 23 februari 2025, niet volledig heeft gewerkt. De kantonrechter gaat er vanuit dat [gedaagde] daarmee bedoelt dat [eiser] behalve op 13 en 14 februari 2025 nog eens 7,2 uur te weinig heeft gewerkt in deze periode. [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. [gedaagde] heeft haar verweer op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van een urenregistratie. Alleen al daarom wordt dit verweer verworpen.
[gedaagde] moet over loonperiode 3 en 4 een bedrag van € 1.201,88 bruto betalen
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] over loonperiode 3 en 4 ten onrechte 62,5 uur (26,5 + 36) heeft ingehouden en daarom nog € 1.201,88 bruto (€ 509,60 + € 692,28) aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde] heeft vanaf 12 maart 2025 de betaling van het loon van [eiser] stopgezet. Aan deze loonstop heeft [gedaagde] volgens haar brief van 12 maart 2025 ten grondslag gelegd dat [eiser] op 5 maart 2025 de geldende kledingvoorschriften niet heeft nageleefd, dat het een tweede waarschuwing betreft en dat bij de eerste waarschuwing is aangezegd dat bij een tweede waarschuwing het loon zal worden stopgezet. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] hier nog aan toegevoegd dat [eiser] door zijn gedrag, het te laat komen bij [locatie] en het niet dragen van het verplichte uniform op 5 maart 2025 niet meer inzetbaar is bij klanten. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij niet meer inzetbaar is bij klanten.
De kantonrechter stelt voorop dat geen sprake is van wettelijke of cao bepaling op grond waarvan [gedaagde] het loon mag stopzetten als een werknemer (een paar keer) te laat komt en/of zijn uniform een keer niet draagt. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft aan te voeren dat [eiser] niet meer inzetbaar was bij klanten omdat hij enkele keren te laat is gekomen en één keer zijn verplichte uniform niet droeg en dat daarom het niet verrichten van werkzaamheden (uitroosteren) voor rekening van [eiser] komt, volgt de kantonrechter [gedaagde] hierin niet. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat [eiser] – net als zijn collega’s – wel eens te laat is gekomen bij [locatie] in Amsterdam maar dat hij daardoor bij geen enkele klant meer inzetbaar zou zijn geweest kan hieruit niet worden afgeleid. Integendeel, [eiser] is na dit verwijt bij een andere klant ingeroosterd. Ook het verwijt dat hij (één keer) zijn uniform niet heeft gedragen, brengt zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet mee dat hij niet meer bij deze of andere klanten kan worden ingezet. Daarmee rechtvaardigen deze verwijten niet dat [eiser] zonder behoud van salaris is uitgeroosterd. Het had (meer) voor de hand gelegen dat [gedaagde] [eiser] hiervoor een waarschuwing had gegeven. [gedaagde] moet dus alsnog het ingehouden loon over periode 3 en 4 betalen.
[gedaagde] moet € 553,82 bruto aan vakantiedagen betalen
Het bedrag van € 553,82 bruto aan vakantiedagen wordt toegewezen omdat [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van vier vakantiedagen.
[gedaagde] moet € 129,38 bruto aan vakantiegeld betalen
Over het achterstallig salaris is [gedaagde] gehouden om 8% vakantiegeld te betalen. Het gevorderde bedrag van € 129,38 waarvan [gedaagde] de juistheid niet heeft weersproken, wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet € 690,14 bruto aan wettelijke verhoging betalen
Op grond van artikel 7:625 BW is de werkgever over het niet tijdig betalen van het loon wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter stelt het percentage op 30% omdat in deze procedure geoordeeld is dat [gedaagde] geen geldige reden had om niet het volledige salaris te betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat [eiser] niet specifiek heeft gesteld op welke data de afzonderlijke gevorderde bedragen verschuldigd waren.
[gedaagde] moet incassokosten van € 296,67 betalen
De incassokosten van € 296,67 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Loonspecificaties afgeven
[gedaagde] wordt tevens veroordeeld tot afgifte van de correcte loonspecificaties over de periode 30 januari 205 tot en met 31 maart 2025, binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 25,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.500,00.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). [eiser] procedeert op basis van een toevoeging. In dat geval worden de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van een exploot van rechtswege vergoed. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 722,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.300,45 bruto aan achterstallig loon, vakantiedagen en vakantietoeslag met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 690,14 bruto aan wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 296,67 aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de correcte loonspecificaties over de periode 30 januari 2025 tot en met 31 maart 2025, binnen acht dagen na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 25,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.500,00;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 722,40;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
754