RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12205182 \ CV EXPL 26-6096
Vonnis van 13 oktober 2026
in de zaak van:
[werkneemster] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente],
eiseres,
hierna te noemen: de werkneemster,
gemachtigde: mr. J.H. Prins,
tegen
[werkgever] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de werkgever,
gemachtigde: mr. R.M.J. Muit.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van 20 april 2026 van de werkneemster;
- de conclusie van antwoord met bijlagen van de werkgever;
- het tussenvonnis van 21 juli 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de begeleidende brief met de aanvullende producties 13 tot en met 15 van 1 september 2026 van de werkgever.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2026. De werkneemster is in persoon verschenen, vergezeld van mr. J.H. Prins. Namens de werkgever is mevrouw [naam] (bestuursvoorzitster) verschenen, samen met mr. R.M.J. Muit. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Prins heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en deze overgelegd. Mr. Prins heeft namens de werkneemster haar vordering tot betaling door de werkgever van de eigen bedrage ingetrokken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is verklaard en gebeurd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De werkneemster is met ingang van 10 februari 2025 in dienst getreden bij de werkgever in de functie van [functie]. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van twaalf maanden en zou aflopen op 9 februari 2026. Op grond van de arbeidsovereenkomst werkte de werkneemster dertig uren per week tegen betaling van een bruto maandsalaris van € 2.367,30, bijkomende vergoedingen daaronder niet begrepen.
De arbeidsovereenkomst bevat verder, voor zover van belang, de volgende bepalingen:
Werknemer ontvang een bruto pensioencompensatie van € 248,84 per maand.
[…]
Indien de werknemer ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, heeft hij voor een tijdvak van maximaal 52 weken recht op 100% van het overeengekomen loon.
[…]
De vakantietoeslag bedraagt 8% per jaar over het bruto jaarsalaris.
[…]
Werknemer ontvangt voor het woon-werkverkeer een netto vergoeding van € 0,24 per kilometer met een maximum van 129 kilometer per gewerkte dag.
[…]
Werkgever is gerechtigd om de arbeidsovereenkomst en arbeids- en bedrijfsregels eenzijdig te wijzigen indien de werkgever daarbij een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”
De werkneemster heeft zich op 22 juli 2025 ziekgemeld bij de werkgever.
De werkneemster heeft de werkgever op 28 oktober 2025 schriftelijk laten weten de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen per 1 december 2025 en haar resterende verlofdagen in te willen zetten voor november 2025, zodat zij die maand geen arbeid meer zou hoeven te verrichten. De werkgever heeft op 31 oktober 2025 per e-mail bevestigd dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 december 2025. In diezelfde e-mail heeft de werkgever laten weten dat zij de werkneemster met terugwerkende kracht deel heeft laten nemen aan het pensioenfonds PFZW, en is de werkneemster verzocht om de urenverantwoordingen na 11 april 2025 op te sturen in het kader van het berekenen van haar reiskostenvergoeding en vakantie-uren.
Op 12 december 2025 schrijft de werkgever aan de werkneemster dat zij geconstateerd had dat de werkneemster te weinig vakantiedagen over had om in november 2025 niet meer te hoeven werken. De werkgever heeft de werkneemster een voorstel gedaan om haar met terugwerkende kracht beter te melden per 12 november 2025 en de arbeidsovereenkomst per 16 november 2025 te beëindigen. De werkneemster heeft niet gereageerd op dit verzoek.
De werkgever heeft op 20 december 2025 per e-mail laten weten het zwijgen van de werkneemster op te vatten als een instemming met het door de werkgever op 12 december 2025 gedane voorstel. De werkgever heeft in deze e-mail daarnaast de financiële eindafrekening van het dienstverband verstrekt aan de werkneemster.
De (gemachtigden van) partijen hebben nadien met elkaar gecorrespondeerd over de financiële afwikkeling van hun arbeidsrelatie. De werkneemster heeft op 14 januari 2026 per e-mail haar urenverantwoording verstrekt aan de werkgever.
3 Het geschil
[werkneemster] vordert na eisvermindering – zakelijk weergegeven – dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de werkgever veroordeelt tot betaling van € 2.401,10 bruto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover van 50% en met aftrek van het netto equivalent van dit bedrag van € 1.484,92;
II. de werkgever veroordeelt tot betaling van € 1.149,82 bruto aan vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover van 50%;
III. de werkgever veroordeelt tot betaling van € 1.990,72 bruto aan pensioencompensatie;
IV. de werkgever veroordeelt tot betaling van € 1.024,39 netto aan reiskosten;
V. de werkgever veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf 1 december 2025;
VI. de werkgever veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
VII. de voorzieningen en bijdragen in goede justitie vaststelt.
De werkneemster legt, samengevat, het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. De werkneemster was vanaf 10 februari 2025 tot 1 december 2025 in dienst bij de werkgever en heeft in die periode arbeid verricht tot het moment dat zij ziek uitviel. De werkgever is over deze periode salaris en bijkomende vergoedingen aan de werkneemster verschuldigd. Er heeft een eindafrekening plaatsgevonden, maar die is op meerdere punten onjuist, omdat de werkgever is uitgegaan van een verkeerde beëindigingdatum van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster heeft niet ingestemd met het voorstel van de werkgever om de arbeidsovereenkomst eerder te beëindigen op 16 november 2025. Daarnaast is de werkgever gehouden om de contractueel bedongen pensioencompensatie uit te betalen: dat de werkneemster met terugwerkende kracht is aangemeld bij een pensioenfonds, doet aan de contractueel bedongen pensioencompensatie niet af. Aangezien de werkgever tot op heden niet is overgegaan tot betaling van de juiste bedragen, is de werkgever over die bedragen de wettelijke verhoging en rente verschuldigd, aldus de werkneemster.
De werkgever betwist de stellingen van de werkneemster en voert verweer. De werkgever voert aan dat de werkgever in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken nooit urenverantwoordingen heeft aangeleverd, waardoor men niet in staat was om een correcte reiskostenvergoeding aan de werkneemster uit te keren. Daarnaast gaat de werkneemster ten onrechte uit van de datum van 1 december 2025 voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst: deze is op voorstel van de werkgever en bij uitblijven van een bevestiging door de werkneemster met wederzijds goedvinden namelijk eerder beëindigd op 16 november 2025. Dit heeft invloed op de hoogte van het loon en de vergoedingen van de werkneemster. Voorts heeft (de gemachtigde van) de werkneemster in de hoogte van haar vorderingen geen rekening gehouden met twee betalingen door de werkgever voor door de werkneemster gemaakte reiskosten. Ten slotte kan de werkneemster geen aanspraak maken op de pensioencompensatie als opgenomen in artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst, omdat deze bepaling is komen te vervallen als gevolg van de aanmelding van de werkneemster bij het pensioenfonds. De werkgever heeft alles betaald aan de werkneemster waar zij recht op heeft.
De werkgever concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de werkneemster, met veroordeling van de werkneemster in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De centrale geschilpunten die partijen in deze zaak verdeeld houden zien op de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de daarmee verband houdende hoogte van het loon met bijkomende vergoedingen, en op de vraag of de werkneemster nog aanspraak kan maken op de contractueel bedongen pensioencompensatie nu de werkgever haar met terugwerkende kracht heeft aangemeld bij het pensioenfonds.
Beëindigingsdatum
Uit de e-mail van 31 oktober 2025 van de werkgever volgt dat de werkgever heeft ingestemd met het beëindigingsvoorstel van de werkneemster om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op 1 december 2025. Het staat de werkgever dan niet vrij om op een later moment eenzijdig de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst op een andere datum te bepalen. Het staat een partij immers niet vrij om eenzijdig terug te komen op een gemaakte afspraak.
De kantonrechter volgt de werkgever niet in haar stelling dat zij uit het zwijgen van de werkgever redelijkerwijs mocht afleiden dat de werkneemster instemde met de eerdere beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Er was immers al een andere afspraak gemaakt, het dienstverband was al geëindigd en een dergelijke afwijkende afspraak heeft nadelige (financiële) consequenties voor de werkneemster. Het ligt dus niet voor de hand dat zij hiermee zou instemmen.
Uit het voorgaande volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 1 december 2025.
Pensioencompensatie
Partijen zijn in artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst een pensioencompensatiebeding overeengekomen op grond waarvan de werkneemster aanspraak maakt op een pensioenvergoeding van € 248,84 per maand. De werkgever heeft de werkneemster in totaal een pensioencompensatie van € 421,11 uitbetaald. Na maart 2025 heeft de werkgever geen pensioencompensatie meer betaald aan de werkneemster. Als reden hiervoor is genoemd dat de werkgever met terugwerkende kracht de werkneemster bij pensioenfonds PFZW heeft aangemeld.
De kantonrechter overweegt dat een aanmelding bij een pensioenfonds op zichzelf niet betekent dat reeds gemaakte pensioenafspraken niet hoeven te worden nagekomen. Van nadere afspraken die hierover tussen partijen zijn gemaakt is niets gesteld noch gebleken.
Voor zover het verweer van de werkgever aldus moet worden uitgelegd dat zij door de aanmelding bij het pensioenfonds gerechtigd was om de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen (zie artikel 8.1 arbeidsovereenkomst) is het zwaarwichtig belang hierbij onvoldoende onderbouwd door de werkgever. Volgens artikel 7:613 BW kan de werkgever slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij die wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De werkgever heeft niet gesteld, en in ieder geval onvoldoende onderbouwd, dat zij een zodanig zwaarwegend belang heeft bij het eenzijdig doorhalen van artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst dat het belang van de werkneemster bij uitbetaling van de eerder tussen partijen overeengekomen pensioencompensatie, daarvoor moet wijken.
Uit het voorgaande volgt dat de werkgever gehouden is de contractueel bedongen pensioencompensatie over de duur van de gehele arbeidsperiode aan de werkneemster uit te betalen. Wat de werkgever hiervan al heeft uitbetaald, strekt op het totaal in mindering.
Achterstallig loon
Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd op 1 december 2025, heeft de werkgever te weinig loon aan de werkneemster betaald over de periode van 16 tot en met 30 november 2025. De werkgever is het bruto loonequivalent hiervan dus nog verschuldigd aan de werkneemster.
Vakantiegeld
Tussen partijen is niet in geschil dat de werkgever de werkneemster bij de eindafrekening een bedrag van € 1.053,78 bruto aan vakantiegeld heeft betaald over de maanden juni tot en met 15 november 2025. Nu de kantonrechter heeft overwogen dat de arbeidsovereenkomst op 1 december 2025 is geëindigd, heeft de werkgever over de periode van 16 tot en met 30 november 2025 te weinig bruto vakantiegeld aan de werkneemster betaald. De werkgever moet dit restant alsnog betalen aan de werkneemster.
Wettelijke verhoging
De werkgever heeft het bruto loon en bruto vakantiegeld over de periode van 16 tot en met 30 november 2025 niet betaald, welke omstandigheid aan de werkgever kan worden toegerekend, nu zij ten onrechte heeft gemeend de arbeidsovereenkomst tegen de eerdere datum van 16 november 2026 te kunnen beëindigen. Op grond van artikel 7:625 lid 1 jo. artikel 7:628 lid 1 BW maakt de werkneemster daarom aanspraak op de wettelijke verhoging over deze achterstallige bedragen. Nu reeds maanden verstreken zijn sinds het moment waarop het loon en het vakantiegeld uiterlijk hadden moeten zijn betaald aan de werkneemster, zal de wettelijke verhoging welke wordt bepaald op 30% over beide posten worden toegewezen door de kantonrechter.
Reiskosten
Tussen partijen is niet in geschil dat de werkneemster in totaal 72 dagen arbeid heeft verricht alvorens zij 22 juli 2025 ziek uitviel. De werkneemster heeft onweersproken gesteld dat zij voor haar woon-/werkverkeer telkens meer dan 129 kilometer moest afleggen, wat maakt dat de werkneemster op grond van artikel 6.1 van de arbeidsovereenkomst aanspraak maakt op de maximale kilometervergoeding over de dagen dat zij gewerkt heeft. Ter zitting is door de werkneemster erkend dat door de werkgever al reiskostenbetalingen zijn gedaan. Deze strekken in mindering op de vordering van de werkneemster op dit punt.
Wettelijke rente
De werkneemster heeft de wettelijke rente over de hiervoor genoemde posten gevorderd vanaf 1 december 2025. Deze datum is door de werkgever op zichzelf niet betwist. Nu de kantonrechter de werkneemster wat betreft de verschuldigdheid van de hiervoor genoemde posten in het gelijk stelt, is de wettelijke rente over deze posten vanaf die datum toewijsbaar.
Proceskosten
[werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien [werkneemster] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.
De proceskosten van [werkneemster] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
Totaal |
€ |
720,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de werkgever om aan de werkneemster te betalen:
- het achterstallige brutoloon over 16 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met 30% aan wettelijke verhoging;
- het achterstallige bruto vakantiegeld over 16 tot en met 30 november 2025, te vermeerderen met 30% aan wettelijke verhoging;
- de bedongen pensioencompensatie over de maanden februari tot en met november 2025, met aftrek van hetgeen hiervan reeds door de werkgever is betaald;
- de achterstallige netto reiskosten over de periode van 10 februari tot en met 22 juli 2025, met aftrek van hetgeen de werkgever hiervan reeds aan de werkneemster heeft betaald;
veroordeelt de werkgever in de wettelijke rente over de in rechtsoverweging 5.1 verschuldigde bedragen vanaf 1 december 2025, tot de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de werkgever in de proceskosten, aan de zijde van de werkneemster tot op heden begroot op € 957,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
veroordeelt de werkgever tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel. |
||