ECLI:NL:RBOBR:2026:6932

Datum uitspraak
29-09-2026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
26/1069
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgevingsplanactiviteit. Vergunningplichtige aanleg van oppervlakteverharding voor boomkwekerij. Wat is er aangevraagd? Verbeelding van oppervlakteverharding in aanvraag suggereert dat er ook uitwegen worden aangelegd. B&W hebben niet beoordeeld of er sprake is van uitwegen. Uitwegvergunningplicht in APV is op grond van artikel 22.8 Ow een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. College had daarom in het kader van deze aanvraag moeten bezien of er (impliciet) uitwegen waren aangevraagd en zo ja, of deze vergunbaar zijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/1069 OWA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

(gemachtigden: [naam] )

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,

(gemachtigde: mr. S.J.M. Biesmans).

Als belanghebbende partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] te [vestigingsplaats] , vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. R. Verkoijen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan de vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, namelijk het aanleggen van betonpaden langs enkele door haar geëxploiteerde boomkwekerijen. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij vreest voor de leefomgeving van de dassen in de omgeving. Daarnaast vindt zij dat er uitwegen zijn vergund zonder dat daartoe de juiste stappen zijn doorlopen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgrond over de dassen niet slaagt. Het beroep is wel gegrond voor wat betreft de uitwegen. Eiseres krijgt dus deels gelijk. Het college moet in het nieuwe besluit kijken of er uitwegen zijn aangevraagd en zo ja, of deze wel kunnen worden verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het aanleggen van betonpaden langs een drietal wegen in Haps, te weten de Kalkhofseweg, de Klaasstokseweg en de Graafseweg.

2.1.

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2025 toegewezen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

2.4.

De vergunninghouder heeft een schriftelijke reactie op het beroepschrift gegeven.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder, vergezeld door [naam] (werkzaam bij de vergunninghouder).

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. De vergunninghouder exploiteert een bedrijf dat zich bezig houdt met het kweken van bomen. Om haar voertuigen efficiënter rondom de boomkwekerijen te laten rijden, heeft de vergunninghouder oppervlakteverharding aangebracht in de vorm van betonplaten. De betonplaten zijn twee bij twee meter en worden naast elkaar op een diepte van 20 centimeter ingegraven in de grond. Daardoor ontstaat op maaiveldniveau een betonnen pad van vier meter breed. Deze zaak gaat over de vraag of deze oppervlakteverharding vergund kan worden.

3.1.

Eiseres vindt dat de oppervlakteverharding afbreuk doet aan de leefomgeving van dassen en dat de omgevingsvergunning daarom niet in overeenstemming is met de planregels die de dassen beogen te beschermen. Verder vindt eiseres dat het college niet heeft getoetst aan het beoordelingskader voor uitwegen, terwijl er wel uitwegen zijn vergund. Deze beroepsgronden worden hierna behandeld.

3.2.

De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven dat de opmerkingen in het beroepschrift over de aan de orde zijnde archeologische en aardkundige waarden niet hoeven te worden opgevat als beroepsgronden. De rechtbank laat deze opmerkingen daarom onbesproken.

3.3.

De regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Dassen

Toetsingskader

4. Op de locaties waar de aanvraag betrekking op heeft, is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Cuijk, geconsolideerd’ van toepassing (het bestemmingsplan). Het bestemmingsplan maakt op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Land van Cuijk. Op de locaties ligt, voor zover relevant in deze procedure, de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’. Op grond van artikel 4.6.1, onderdeel h, subonderdeel 6, is het binnen deze bestemming omgevingsvergunningplichtig om de volgende werkzaamheden uit te voeren:

“het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²”

4.1.

Op grond van artikel 4.6.3 wordt de omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. Het gaat hier dus om de waarde ‘dassen’.

Onomkeerbaarheid?

5. Volgens de vergunninghouder had het college niet hoeven te toetsen aan de beoordelingsregel van artikel 4.6.3 omdat er geen sprake is van ‘niet omkeerbare’ oppervlakteverhardingen. Aangezien dit standpunt, als het zou slagen, met zich brengt dat er überhaupt geen vergunningplicht geldt op dit punt en de beroepsgrond dus alleen al daarom niet slaagt, behandelt de rechtbank dit punt als eerste.

5.1.

Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4398 over een gelijkluidend geformuleerde planregel in het bestemmingsplan en over precies dezelfde soort oppervlakteverharding door de vergunninghouder al geoordeeld dat deze oppervlakteverharding niet omkeerbaar is in de zin van de planregels. Dat heeft de rechtbank toen als volgt verwoord:

“8.5 De vergunningplicht heeft betrekking op het aanleggen of verharden van paden of wegen, dan wel het aanbrengen van ‘andere’ niet omkeerbare oppervlakteverhardingen. De vergunninghouder stelt terecht dat de planregelgever daarmee ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht dat pas van een pad of een weg in de zin van de watersysteemkundige planregels sprake is, als het gaat om een ‘niet omkeerbare’ oppervlakteverharding.

8.6.

De vraag is vervolgens wanneer sprake is van niet-omkeerbaarheid. Het begrip ‘niet omkeerbare oppervlakteverhardingen’ is op zichzelf bezien voor meerdere interpretaties vatbaar. In theorie kan elke vorm van oppervlakteverharding ongedaan worden gemaakt en is dus elke oppervlakteverharding omkeerbaar. Het ligt echter niet voor de hand dat de planregelgever een dode letter in het leven heeft willen roepen. Daarom ligt het ook niet in de rede om het begrip ‘niet omkeerbare’ zo eng uit te leggen als de vergunninghouder voorstaat. Tegen die uitleg pleit nog dat het woord ‘andere’ suggereert dat de planregelgever ervan uit is gegaan dat ook bij het aanleggen van onverharde paden en wegen sprake is van een vorm van ‘niet omkeerbare’ oppervlakteverharding. Het aanleggen van een pad is volgens de planregelgever immers iets anders dan het verharden van een pad. Van niet-omkeerbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank daarom sprake, als een oppervlakteverharding niet of slechts met inspanningen van enige betekenis ongedaan kan worden gemaakt. Voor de oppervlakteverharding zoals in deze zaak aan de orde, geldt dat deze niet zonder inspanningen van enige betekenis ongedaan kan worden gemaakt. Het gaat namelijk om vrij massieve betonplaten die vanwege hun omvang, zwaarte en aantal en het feit dat ze 20 centimeter zijn ingegraven niet eenvoudig te verwijderen zijn. Bovendien moeten er ook grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden om de uitgraafwerkzaamheden ongedaan te maken. De aangevraagde oppervlakteverhardingen zijn dus vergunningplichtige werkzaamheden.”

5.2.

De vergunninghouder heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de planregel betrekking heeft op de mogelijkheid om de oppervlakteverharding ongedaan te maken en niet op de mogelijkheid om de gevolgen voor de ondergrond ongedaan te maken. Verder heeft de vergunninghouder aangevoerd dat het college zelf in eerste instantie het standpunt had ingenomen dat de betonplaten eenvoudig te verwijderen waren en ook dat de betonplaten in de praktijk gewoon worden verwijderd aan het einde van de pachtperiode.

5.3.

De rechtbank ziet in wat de vergunninghouder heeft aangevoerd geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen dan zij in de uitspraak van 19 juni 2026 heeft gedaan. Het gegeven dat de oppervlakteverharding ook grondverzet vergt, wordt in aanmerking genomen bij de algehele beoordeling van de onomkeerbaarheid van de verharding. Bovendien is grondverzet in artikel 4.6.1, onderdeel h, eerste lid, zelfstandig vergunningplichtig gesteld. Het standpunt van het college in andere besluitvorming – daargelaten of dit doorslaggevend is – over de eenvoud van het verwijderen van de verharding was ingenomen binnen een ander beoordelingskader, zodat daaraan niet de betekenis toekomt die de vergunninghouder eraan geeft. Verder geldt dat het feit dat de verharding verwijderd kan worden, niet betekent dat dit geen inspanningen van enige betekenis vergt.

5.4.

De tussenconclusie is dat het college terecht heeft getoetst of de aangevraagde omgevingsplanactiviteit mede betrekking had op de vergunningplicht van artikel 4.6.1 van het bestemmingsplan, aangezien er sprake was onomkeerbare oppervlakteverharding van meer dan 100 m2.

Onevenredige afbreuk?

6. Volgens eiseres heeft het college zich er onvoldoende van vergewist dat de betonplaten geen onevenredige inbreuk maken op het leefgebied van dassen. Het college heeft zich in het bijzonder te weinig aangetrokken van het cumulatieve effect van verhardingen op verschillende locaties door de vergunninghouder. Dus ook als deze oppervlakteverhardingen op zichzelf bezien toelaatbaar zijn, had het college aanleiding moeten zien om een bredere blik te werpen op de verhardingen in de omgeving in de afgelopen jaren en wat deze in het grotere geheel betekenen voor de dassen. Het college mist bovendien actuele informatie over de dassenpopulatie en de aanwezigheid van burchten. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd nader toegelicht dat de gemeente naar haar mening geen gedegen onderzoek naar de aanwezigheid van dassenburchten heeft verricht. Het college zegt over gegevens te beschikken maar heeft die niet ter inzage gegeven. Er is sprake van meerdere dassenburchten in het omliggende gebied. In het onderzoek uit 2024 waarop eiseres zich beroept (dat niet is overgelegd in deze procedure, maar dat alle partijen bekend is) is sprake van negen dassenburchten. Dat zijn dus negen mogelijk overlappende foerageergebieden.

Eiseres is daarnaast van mening dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ook de in het verleden gerealiseerde verharding in het gebied had dienen te betrekken.

6.1.

Het college acht de inbreuk van de oppervlakteverharding op het leefgebied van de dassen aanvaardbaar. Het college stelt dat het gaat om een beperkt aantal vierkante meters, namelijk 1.632 m2, 2.296 m2 en 1.108 m2. In totaal 5.036 m2. Het territorium van dassen kan tot (600 ha) 6.000.000 m2 groot zijn. Ook als wordt uitgegaan van het kleinst mogelijke territorium van 30 ha wordt er maar zo’n 1,68 procent aan m2 verhard. Het college is van oordeel dat de impact van de aanleg en het gebruik van betonpaden op de das daarom zeer beperkt is. Door het aanbrengen van de verhardingen – parallel aan bestaande wegen – wordt geen leefgebied van de das afgesloten of een barrière opgeworpen. De das eet vooral regenwormen en verzamelt deze het liefst op kortgemaaide akkers en dus niet op de projectlocaties. Deze kortgemaaide akkers worden ook niet onbereikbaar gemaakt. Verder stelt het college zich op het standpunt dat zich, op basis van voor het college beschikbare gegevens, in ieder geval geen dassenburchten direct grenzend aan de locaties bevinden. Het college heeft ter zitting een kaart overgelegd met daarop de natuurgegevens van de locaties en de nabije omgeving. Op het kaartje zijn gegevens uit 2016 en 2018 over de aanwezigheid van dassenburchten zichtbaar. Dassen veranderen volgens het college niet snel van locatie en er zijn geen signalen binnengekomen van nieuwe dassenburchten. Het college acht het daarom voldoende aannemelijk dat dit kaartje nog actueel is en er de afgelopen tien jaar geen dassenburchten bijgekomen zijn. Op het kaartje zijn negen dassenburchten in de omgeving van de projectlocatie zichtbaar. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het vragen individueel moet beoordelen en daarom geen aanleiding heeft mogen zien om andere oppervlakteverhardingen bij deze beoordeling te betrekken.

6.2.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.

6.3.

Het gaat er in deze planregels om dat het college de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeelt dan de oppervlakteverharding in relatie tot het leefgebied van de dassen. Het college hoeft – dat onderkent eiseres – niet te toetsen aan de natuurregelgeving.

6.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van negen dassenburchten in de omgeving. Deze veronderstelling van het college wordt immers door het recente onderzoek van eiseres ondersteund. Het college is bij zijn beoordeling dus uitgegaan van de juiste feiten. Het college heeft verder deugdelijk gemotiveerd waarom het van oordeel is dat het leefgebied van de dassen door deze vergunningverlening maar zeer beperkt wordt aangetast en er dus geen sprake is van een onevenredige inbreuk op het leefgebied van dassen.

6.5.

Het college heeft zich bij deze beoordeling ook mogen beperken tot de gevolgen van deze specifieke aanvraag. Het kan in voorkomende gevallen aangewezen zijn voor het college om zich te vergewissen van het cumulatieve effect van steeds verdergaande oppervlakteverharding. De planregelgever heeft immers willen voorkomen dat een te ver doorgeslagen verhardingsoppervlakte ten koste gaat van het leefgebied van de das. Het is niet de bedoeling dat allerlei verschillende aanvragen die op zichzelf bezien toelaatbaar zijn, gezamenlijk toch de das verdringen. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat hiervoor onvoldoende aanwijzingen bestaan en dat het college mocht volstaan met de op de aanvraag toegespitste toets die het heeft uitgevoerd. Dat er de afgelopen jaren verschillende vergunningen zijn verleend voor oppervlakteverharding in het leefgebied van de in deze zaak betrokken dassen, betekent op zichzelf niet dat er sprake is van een almaar voortgaande verharding die in zijn totaliteit moet worden beoordeeld. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat de vergunninghouder heeft toegelicht dat zij haar productielocaties met bijbehorende verharding aan het einde van pachtperiodes pleegt te verplaatsen en dat er daardoor regelmatig vergunningaanvragen worden ingediend. Die verplaatsingen leiden onder de streep dan niet tot een verhardingstoename.

Uitwegen

7. Volgens eiseres heeft het college uitwegen vergund zonder een daartoe strekkende beoordeling te hebben uitgevoerd.

7.1.

Het college en de vergunninghouder hebben aangevoerd dat er geen uitwegen zijn aangevraagd en dat er daarom ook geen uitwegen zijn vergund. Volgens hen is een uitweg een apart aan te vragen en te vergunnen activiteit die losstaat van de oppervlakteverharding.

7.2.

De rechtbank volgt het standpunt van het college en de vergunninghouder niet. De uitwegvergunning is onder de Omgevingswet geen apart aan te vragen activiteit. De beroepsgrond slaagt dus. De rechtbank legt hierna uit waarom dat zo is.

7.3.

De vergunningplicht ten opzichte van uitwegen was ten tijde van het bestreden besluit in de gemeente Land van Cuijk geregeld in artikel 2.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van deze bepaling is het verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

7.4.

In artikel 2.7 van de Omgevingswet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening mogen worden opgenomen.

7.5.

In artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit is bepaald dat de regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de Omgevingswet (‘het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan’) alleen in het omgevingsplan worden opgenomen. Uitwegvergunningen vallen daar dus ook onder. In artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit wordt de werking van artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit weliswaar beperkt tot activiteiten als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, maar de uitwegvergunning is in dit artikel expliciet genoemd.

7.6.

In artikel 22.8 van de Omgevingswet is bepaald dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening, zoals de APV, een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Omgevingswet, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, zo’n vergunningplicht geldt als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

7.7.

Het voorgaande betekent dat een uitwegvergunning, in tegenstelling tot onder het oude recht, niet langer een aparte activiteit is die los kan worden aangevraagd en vergund. Wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning ten behoeve van een omgevingsplanactiviteit ertoe strekt om oppervlakteverharding aan te leggen die (mede) functioneert als uitweg, dan moet het college dus beoordelen of wordt voldaan aan de beoordelingsregels van de APV. Anders bestaat het risico dat het college impliciet ook een vergunning verleend voor de uitweg. Dit is slechts anders als een aanvrager een aparte aanvraag indient voor de uitwegen.

7.8.

De rechtbank beoordeelt hierna daarom of de aanvraag ook uitwegen omvat of in ieder geval dusdanige indicaties daartoe omvat, dat het college dit kenbaar had moeten beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het begrip ‘uitweg’ in de APV niet is gedefinieerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor het bestaan van een uitweg bepalend dat de aanwezigheid van een zo’n voorziening door de uiterlijke kenmerken ervan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is. Doorgaans worden ten behoeve van een uitweg fysieke voorzieningen getroffen, zoals een verlaagde trottoirband. Bij een uitweg gaat het in de regel om een aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op de openbare weg.1

7.9.

In de aanvraag heeft de vergunninghouder de aanleglocaties van de betonplaten verbeeld. De aanvraag bevat geen andere indicaties over de locaties, zodat de verbeeldingen leidend zijn bij de beantwoording van de vraag wat er is aangevraagd. De vergunninghouder heeft geen aparte aanvraag ingediend voor een uitweg.

7.10.

De verbeelding van de locaties ter hoogte van de Kalkhofsweg en de Klaasstokseweg ziet er zo uit:

7.11.

Deze locatie ziet er vanuit de lucht bezien als volgt uit (de zwarte lijnen markeren de kadastrale grenzen die ook op de verbeelding zijn weergegeven):

7.12.

De verbeelding ter hoogte van de Graafseweg ziet er als volgt uit:

7.13.

Deze locatie ziet er vanaf de lucht bezien als volgt uit:

7.14.

Uit de verbeeldingen maakt de rechtbank op dat de aanvraag mede betrekking heeft op betonplaten die de openbare weg verbinden met de op de luchtfoto’s zichtbare bestaande onverharde rijstroken of aangevraagde betonplaten op particulier terrein. Dat is overigens niet steeds helder verbeeld. De aangevraagde betonpaden lijken namelijk direct langs de weg te liggen, ter hoogte van de sloten die op de kadastrale grens liggen.2 De kennelijke bedoeling van de aanvraag is echter niet om de betonpaden over de sloten aan te leggen maar op eigen terrein, parallel aan de sloten die gelegen zijn langs de Graafseweg, de Klaasstokseweg en de Kalkhofseweg. In zoverre is er dus geen sprake van een verbinding van de weg op eigen terrein met de openbare weg. Op de verbeeldingen zijn echter ook betonpaden zichtbaar die wel de aangevraagde betonpaden lijken te verbinden met de openbare weg. Deze liggen namelijk ten opzichte van de eigen weg overdwars op plekken waar, getuige de luchtfoto’s, nu al sprake is van een onverharde verbinding van de eigen wegen met de openbare weg.

7.15.

Het college heeft niet beoordeeld of de overdwars gelegen betonpaden uitwegen zijn zoals bedoeld in artikel 2.12 van de APV en, zo het uitwegen zijn, of ze voldoen aan de criteria die dit artikel stelt aan het vergunnen van een uitweg. Die beoordeling had wel moeten worden verricht omdat het college impliciet ook een uitweg lijkt te vergunnen. Het besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en moet worden vernietigd.

7.16.

Na vernietiging zal het college in kaart moeten brengen in hoeverre de aanvraag mede betrekking heeft op uitwegen en of deze in de aangevraagde vorm kunnen worden vergund, gelet op de daarvoor – inmiddels in artikel 2:3 van de Verordening fysieke leefomgeving opgenomen – geldende beoordelingsregels.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de bestuurlijke lus toe te passen. Daarvoor is van belang dat als het college van oordeel is dat er ook uitwegen zijn aangevraagd, hiervoor een apart beoordelingsproces voor moet worden doorlopen dat nu nog niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt het niet efficiënt om dat proces tijdens een rechterlijke procedure te doorlopen. De rechtbank draagt het college daarom op om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar waarin het college dit kan beoordelen in kader van een volledige heroverweging. Aangezien de rechtbank niet kan overzien hoe de verdere besluitvorming zal lopen, ziet de rechtbank aanleiding om het college een termijn van twaalf weken te stellen voor het nieuw te nemen besluit.

8.1.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht van € 397,00 aan eiseres vergoeden.

8.2.

Eiseres heeft ook verzocht om een vergoeding van de voor het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten (retour treinreis Cuijk- ’s-Hertogenbosch). Deze kosten worden begroot op basis van de retourkosten vol tarief, tweede klas.3 Dat komt neer op een bedrag van (2 x 14,20 =) € 28,40. Dit bedrag moet ook door het college aan eiseres worden betaald.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,00 aan eiseres moet vergoeden

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 28,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (..).

Omgevingswet

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit,

b. t/m g. (..)

tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Artikel 2.7 (verplicht opnemen en uitsluiten van decentrale regels)

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving alleen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening mogen worden opgenomen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin regels over de fysieke leefomgeving niet in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening mogen worden opgenomen.

Artikel 22.8 (omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)

Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.

Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet

A Begrippen

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,

b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;

Omgevingsbesluit

Artikel 2.1 (verplichting en verbod opname regels in omgevingsplan)

1. Onverminderd het tweede lid worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen als bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.

[…]

Artikel 2.1a (overgangsrecht omgevingsvergunning gemeentelijke verordening)

Tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 22.4 van de wet, worden voor de toepassing van artikel 22.8 van de wet:

a. regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.1, eerste lid, alleen als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en

b. regels in een gemeentelijke verordening die niet vallen onder artikel 2.1, eerste lid, ook als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold.

Omgevingsplan gemeente Land van Cuijk

bestemmingsplan “Buitengebied Cuijk, geconsolideerd”

Artikel 4 Agrarisch met waarden – Landschapswaarden

4.1

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

n. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:

1. dassen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’.

[…]

4.6

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.6.1

Verboden werkzaamheden

[…]

h. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – dassen’ is een omgevingsvergunning vereist om de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,50 m onder maaiveld, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;

3. het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een ander bodemcultuur;

4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofilering van waterlopen, sloten en greppels alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;

5. het verwijderen van onverharde wegen of paden;

6. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².

4.6.3

Toelaatbaarheid

De in lid 4.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.

Algemene Plaatselijke Verordening Land van Cuijk 2024

(geldend van 01-01-2024 t/m 20-07-2026)

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »