GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
|
Zaaknummer |
: Wahv 200.363.891/01 |
|
CJIB-nummer |
: 264841627 |
|
Uitspraak d.d. |
: 23 september 2026 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 225,-.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Daarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft vervolgens gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.De zaak is behandeld op de zitting van 9 september 2026. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 300,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 maart 2024 om 21:27 uur op de Graadt van Roggenweg ter hoogte van perceel 49 in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent wegens de schending van de hoorplicht door de officier van justitie.
3. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter de schriftelijke reactie van de betrokkene op de tussenbeslissing en het aanvullend proces-verbaal niet bij de beoordeling heeft betrokken, terwijl deze wel tijdig was ingediend. Aldus is sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Met betrekking tot de gedraging voert de betrokkene aan dat op de foto’s niet is te zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Het relevante (rechter) verkeerslicht is daarop überhaupt niet zichtbaar. Niet is gebleken dat er een koppeling bestaat tussen de twee aanwezige verkeerslichten. Het linker verkeerslicht heeft namelijk een pijl omhoog en is dus bedoeld voor een specifieke rijrichting, terwijl het rechter verkeerslicht een rond licht heeft en dus is bedoeld voor alle rijrichtingen. Dat het linker verkeerslicht op de foto’s wel is te zien, is dan ook niet relevant voor het vaststellen van de gedraging. De gedraging kan alleen worden vastgesteld als op de foto’s duidelijk is te zien dat sprake is van een rood verkeerslicht. Dat is hier niet het geval. Met betrekking tot de schending van de hoorplicht voert de betrokkene aan dat hij hiervoor meer dient te worden gecompenseerd, nu de structurele schending van de hoorplicht kennelijk nog steeds voortduurt en de officier van justitie ondanks dat dit ter zitting was afgesproken hierover geen nadere gegevens heeft aangeleverd. De betrokkene verzoekt dan ook primair om de inleidende beschikking te vernietigen en subsidiair om het bedrag van de sanctie verder te matigen vanwege de schending van de hoorplicht, de schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de overige procedurele onregelmatigheden. Tot slot voert de betrokkene aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
4. Uit het dossier blijkt het volgende. De betrokkene is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 26 mei 2025, waar hij ook is verschenen. Bij tussenbeslissing van 26 mei 2025 heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om binnen acht weken na verzending daarvan een aanvullend proces-verbaal op te laten stellen over de werking van de gebruikte meetapparatuur. De kantonrechter heeft in zijn tussenbeslissing verder bepaald dat de betrokkene na toezending van het aanvullend proces-verbaal de gelegenheid krijgt om daarop binnen twee weken te reageren en dat wanneer het aanvullend proces-verbaal niet binnen acht weken aan de kantonrechter is toegezonden, dan wel de betrokkene niet binnen twee weken daarop reageert, de zaak - zonder een nieuwe zitting - door de kantonrechter kan worden afgedaan. Op 17 juni 2025 is bij de rechtbank een reactie van de officier van justitie binnengekomen. Deze is samen met de tussenbeslissing op 30 juli 2025 naar de betrokkene doorgestuurd. Op 31 juli 2025 is bij de rechtbank een brief van de betrokkene binnengekomen met daarin zijn reactie op de tussenbeslissing en het aanvullend proces-verbaal. Bij beslissing van 21 november 2025 heeft de kantonrechter - zonder partijen op te roepen voor een vervolgzitting - beslist op het beroep. In die beslissing staat dat de rechtbank geen reactie van de betrokkene heeft ontvangen.
5. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat in een geval als dit, waarin de kantonrechter de behandeling van de zaak aanhoudt om nadere informatie in te winnen, de kantonrechter na ontvangst van die informatie, in beginsel een nieuwe zitting dient te houden alvorens op het beroep te beslissen. Hiervan kan slechts worden afgezien als partijen uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven om de verdere behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Bovendien heeft de kantonrechter geen acht geslagen op het door de betrokkene ingebrachte stuk van 31 juli 2025. Aldus is sprake van schending van het recht op hoor en wederhoor. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,6 seconden.
Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
8. Verder bevinden zich in het dossier de foto’s waarmee de gedraging is vastgelegd. Deze foto’s zijn erg donker. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep evenwel betere afdrukken van deze foto’s overgelegd. Hierop is te zien dat er ter plaatse twee rijstroken zijn. Het voertuig van de betrokkene bevindt zich op de rechter rijstrook. Hoewel het zicht op het voor deze rijstrook bestemde verkeerslicht op de foto’s deels wordt beperkt door een lantaarnpaal is daarop naar het oordeel van het hof nog steeds duidelijk te zien dat dit verkeerslicht rood licht uitstraalt. Dat dit een reflectie is van het licht van de camera, zoals gesteld door de betrokkene, acht het hof niet aannemelijk. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene de stopstreep passeert, terwijl het verkeerslicht rood licht uitstraalde. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig verder is gereden en zich voorbij het rode verkeerslicht bevindt. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof vast dat het voertuig van de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd toen het rood licht uitstraalde. Aldus kan op basis van de bovengenoemde foto’s worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
9. Ten overvloede overweegt het hof dat de stelling van de betrokkene dat de gedraging alleen kan worden vastgesteld als op de foto’s duidelijk is te zien dat het verkeerslicht rood licht uitstraalt, geen steun vindt in het recht. Dat het verkeerslicht ten tijde van de gedraging rood licht uitstraalde kan ook worden vastgesteld op basis van de elektronisch gegevens in de databalk onder de foto’s. Die gegevens worden namelijk alleen weergegeven als het betreffende verkeerslicht op rood staat (vgl. de arresten van het hof van 14 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10903 en 17 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4747). Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om aan die gegevens te twijfelen.
10. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd met 25 procent wegens de schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan waarin hij zou hebben verkeerd als hij geen hoger beroep had ingesteld, zal het hof het bedrag van de sanctie eveneens matigen met 25 procent. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding voor een verdergaande matiging van het sanctiebedrag, dan wel voor vernietiging van de inleidende beschikking.
11. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is.
12. Dit komt voor wat betreft het bijwonen van de zitting van de kantonrechter neer op een bedrag van € 24,- ([traject] v.v.), uitgaande van het geldende tarief voor het openbaar vervoer. Voor wat betreft het bijwonen van de zitting in hoger beroep was reizen per openbaar vervoer niet mogelijk omdat er die dag vanwege een landelijke staking geen openbaar vervoer reed, zodat de betrokkene in aanmerking komt voor kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer. Dit komt neer op een bedrag van € 69,44 (€ 0,28 x 124 km v.v.). Aldus heeft de betrokkene recht op een reiskostenvergoeding van € 93,44.
13. De door de betrokkene opgegeven parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden niet als zodanig genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 225,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 93,44.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.