RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2729
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.J.G. Ensink),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn (het college), verweerder
(gemachtigde: B.N.N. Hiemstra).
Samenvatting
1. Eisers wonen aan de [adres 1] in [woonplaats] . Zij willen graag de auto op hun eigen perceel parkeren en hebben daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een uitweg naar de straat. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor het realiseren van een uitweg aan de voorkant van hun woning. Het college heeft deze aanvraag op basis van een negatief verkeersadvies met het besluit van 25 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 maart 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Het college heeft daarna nog de pleitnota van eisers voor de adviescommissie bezwaarschriften toegezonden en eisers hebben een verkeerskundig advies ingezonden.
5. De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [eiser 1] en de gemachtigde van eisers deelgenomen en de gemachtigde van het college samen met ing. [A] .
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
6. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd.1 Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
7. Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
8. Op grond van artikel 2:3, aanhef en eerste lid, van de Verordening fysieke leefomgeving Baarn is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het college (onder andere) een uitweg te maken naar de weg.
Onder de Omgevingswet is dit dus gelijk gesteld aan een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
9. In artikel 2:3, aanhef en derde lid, van de Verordening fysieke leefomgeving Baarn is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg kan worden geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg naar het oordeel van het bevoegd gezag het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de noodzaak van een tweede uitweg onvoldoende is gemotiveerd naar oordeel van het bevoegd gezag.
Weigering ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg
10. Het college stelt zich op het standpunt dat om veilig gebruik te kunnen maken van een uitweg, deze in één parkeerbeweging zonder extra steekmanoeuvre bereikbaar moet zijn. Als onderbouwing wijst het college op de CROW-richtlijnen, waarin wordt vermeld dat een weg voor het maken van een haakse parkeerhaven tenminste 6 meter breed moet zijn. Die breedte biedt de straat van eisers niet. De rijcurvesimulatie laat zien dat het bij de door eisers gewenste uitweg niet mogelijk is te volstaan met één parkeerbeweging. Het moeten maken van meerdere steekbewegingen levert (ook voor eisers) minder zicht op en overig verkeer is ook niet bedacht op een voertuig dat meerdere manoeuvres uitvoert op die plek, wat de situatie gevaarlijk maakt. Daarnaast is de tijdsduur van de parkeerbeweging bij langsparkeren korter dan in- of uitrijden van een inrit, vanwege een lagere snelheid tijdens het uitvoeren van de parkeermanoeuvre. Dat maakt een parkeerbeweging van of naar een uitrit potentieel onveiliger, nog meer als er bij de uitrit meerdere keren gestoken moet worden. Het college wijst er ook op dat de beperkte zichtbaarheid van de uitweg door de erfafscheiding behorend bij de [straat] zorgt voor verkeersonveiligheid. Dit is ook te concluderen uit de berekening van de stopafstand van een weggebruiker komend vanuit de [straat] . Tot slot wijst het college er op dat hij ook rekening moet houden met een duurzame en veilige inrichting van de openbare ruimte.
Beroepsgronden
11. Eisers voeren aan dat de gewenste uitrit niet vergelijkbaar is met haaks parkeren, omdat er bij een uitrit meer ruimte is voor het indraaien en aan weerszijden van de uitrit ook geen rekening hoeft te worden gehouden met ernaast geparkeerde auto’s. Er kan ook over een deel van de voortuin gereden worden. De rijsimulatie die het college heeft laten opstellen is volgens eisers onjuist, omdat anders dan waar het college van uitgaat, wel in één keer in- en uitgedraaid kan worden. Dit blijkt ook uit de videobeelden die eisers hebben gemaakt en hebben ingezonden. Eisers wijzen er verder op dat de erfafscheiding van [adres 2] in strijd is met het bestemmingsplan, dat slechts erfafscheidingen van 1 meter hoog toestaat. Als het college hiertegen handhavend optreedt, verbetert het zicht op en vanuit de gewenste uitrit. Eisers voeren ook aan dat de door het college berekende stopafstand niet klopt. Verkeer komend vanuit de [straat] rijdt geen 25 km/u en verkeer vanuit de [straat] heeft ook lagere snelheid vanwege de aanwezige drempel. Dat de parkeerbeweging bij langsparkeren een kortere tijdsduur heeft, wordt niet onderbouwd door het college. Verder betrekt het college volgens eisers onzekere toekomstige ontwikkelingen in zijn belangenafweging, wat in strijd is met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel.
Oordeel van de rechtbank
12. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van de gewenste uitweg negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de [straat] . Het college heeft er terecht op gewezen dat sprake is van een smalle straat, waardoor het maken van meerdere uitrijdmanoeuvres onwenselijk is. Het college heeft ook met juistheid gesteld dat de benodigde draaicirkel bij gebruikmaking van deze uitrit groter is dan de breedte van de uitrit toelaat, waardoor meerdere keren steken noodzakelijk is. De verwijzing naar de uitgevoerde rijcurvesimulatie vindt de rechtbank daarvoor voldoende overtuigend.
13. Het college heeft verder voldoende gemotiveerd dat uitrijden op deze plek gevaarlijk is omdat er vanwege de bestaande erfafscheiding eerst een stukje uitgereden moet worden voordat er goed zicht is op de weg. Dat er niet handhavend opgetreden is tegen deze afscheiding, maakt dit niet anders omdat op diezelfde plek vergunningvrij een hoge haag kan worden neergezet. De rechtbank kan deze motivering volgen. Ook heeft het college er met juistheid op gewezen dat bij langsparkeren in de straat geen gebruik wordt gemaakt van het trottoir, wat bij de gewenste uitrit wel het geval is.
14. Met betrekking tot het door eisers ingebrachte verkeerskundig advies heeft de gemachtigde van het college tijdens de zitting toegegeven dat de door het college gehanteerde stopafstand wellicht niet helemaal correct is. De gemachtigde heeft er echter terecht op gewezen dat dat niet wegneemt dat het uitrijden met meerdere steekmanoeuvres op deze plek, vlak na een bocht en via het trottoir, voor onveilige situaties kan zorgen. Dat de huidige auto van eisers kennelijk klein genoeg is om in één manoeuvre gebruik te maken van de uitweg, betekent evenmin dat de verkeersveiligheid niet in het geding is. De kans bestaat immers dat eisers in de toekomst een grotere auto kopen of verhuizen. Van het college kan niet gevergd worden dit in de gaten te houden en op dat moment de vergunning voor de uitweg in te trekken. Om die reden heeft het college zijn standpunt dan ook mogen baseren op de opgestelde rijcurvesimulatie, die uitgaat van een auto van gemiddelde afmeting. De rechtbank begrijpt dat eisers een belang hebben bij het aanleggen van een uitrit, maar gelet op wat is overwogen over de verkeersveiligheid, is het weigeren van de omgevingsvergunning niet zodanig onevenredig in verhouding tot de te dienen belangen, namelijk het voorkomen van gevaar op de weg, dat het college op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van de weigering had moeten afzien.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.