RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272433483
zaaknummer: 12108535 BU VERZ 26-345
uitspraak van de kantonrechter van 24 september 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 14 februari 2025, om 17:25 uur, op [adres] , met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 14 september 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. S.J. Roelofs.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en dat de officier van justitie geen dwangsom is verschuldigd. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Allereerst betwist betrokkene dat hij een E1-bord is gepasseerd. Hij stelt dat nergens was aangegeven dat op de pleeglocatie niet mocht worden geparkeerd en dat daar meerdere auto’s stonden. Daarnaast voert hij aan dat zijn auto niet op de rijbaan geparkeerd stond, terwijl het E1-bord uitsluitend betrekking heeft op de rijbaan. Omdat hij niet op de rijbaan stond, komt de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking. Zijn auto heeft daar naar zijn zeggen nog geen vijf minuten gestaan. Verder voert hij, vooruitlopend op een eventuele wijziging van de feitcode, aan dat deze niet kan worden gewijzigd in R315b (“stilstaan op het trottoir”), omdat sprake is van een ander weggedeelte tussen het trottoir en de rijbaan.
Ook voert betrokkene aan dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd. De officier is op 4 november 2025 in gebreke gesteld. De beslissing dient geacht te zijn verzonden op 25 november 2025, de zevende dag na de dagtekening op de beslissing.1 De ingebrekestelling was volgens betrokkene niet prematuur, omdat het verdagingsbesluit ongemotiveerd is genomen en daarmee de beslistermijn niet is verdaagd. Daarnaast heeft de officier van justitie ten onrechte gesteld dat sprake is van een overmachtsperiode.
Tot slot wordt om vergoeding van de proceskosten verzocht.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Zij stelt dat gemachtigde had moeten motiveren waarom de pleeglocatie een voor parkeren bestemd weggedeelte is. Met betrekking tot de dwangsom voert zij aan dat de ingebrekestelling prematuur is. Zij verzoekt dan ook het dwangsomverzoek af te wijzen.
Overwegingen
Kan de gedraging worden vastgesteld?
5. Betrokkene betwist dat hij in strijd met bord E1 (parkeerverbod(szone)) heeft geparkeerd. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
6. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “Ik zag dat het voertuig geparkeerd stond binnen een parkeerverbodszone, aangeduid met bord E1. Ik heb het bord waargenomen op de volgende toegangsweg(en): alle toegangswegen naar het centrum van Drachten toe. Ik zag dat het voertuig niet geparkeerd stond op een voor parkeren bestemd weggedeelte. Bij het constateren van het feit zag ik dat er gedurende een tijd van ongeveer 10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen. Ik heb geen voor dat gebied geldige ontheffing waargenomen.”
7. Verder heeft de verbalisant drie foto’s aan het dossier toegevoegd waarop het voertuig van betrokkene te zien is terwijl het staat geparkeerd.
8. Op grond van de verklaring van de verbalisant kan de aanwezigheid van het E1-bord ten tijde van de gedraging worden vastgesteld. De verbalisant was ter plaatse en heeft verklaard dat hij het bord heeft waargenomen op alle toegangswegen naar het centrum van Drachten. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de aanwezigheid van het E1-bord te twijfelen.
9. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat de gedraging kan worden vastgesteld. Gelet op artikel 65, derde lid, van het RVV 1990 is parkeren op een plek waar een parkeerverbod geldt alleen toegestaan als sprake is van een daarvoor bestemd weggedeelte. Omdat het hier om een uitzondering op het parkeerverbod gaat, mag van gemachtigde worden verwacht dat hij aannemelijk maakt dat daarvan sprake is.2 Dat is niet gelukt. Ook op de foto’s van de gedraging is niets te zien waaruit kan worden afgeleid dat de plek waar betrokkene heeft geparkeerd een voor parkeren bestemd weggedeelte is. De kantonrechter oordeelt daarom dat de gedraging kan worden vastgesteld.
Bestaat aanleiding tot matiging of vernietiging van de boete?
10. In de overige omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding om de boete te matigen of te vernietigen. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven, maar daarvan is niet gebleken.
Heeft de officier van justitie een dwangsom verbeurd?
11. De kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie geen dwangsom heeft verbeurd. Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking liep de termijn van zestien weken om op het administratief beroep te beslissen, af op 20 augustus 2025. Bij brief van 11 augustus 2025 heeft de officier van justitie die termijn tijdig met tien weken verlengd. Weliswaar is de motivering van de verlengingsbrief summier, maar daaruit valt voor de betrokkene – en zeker voor zijn professionele gemachtigde – voldoende op te maken waarom de beslistermijn verlengd is. Gelet op de aard van de beroepsprocedure van de Wahv en het grote volume aan zaken dat de CVOM moet behandelen, kan een uitgebreidere motivering niet verlangd worden.
Daarmee was de uiterste beslistermijn 29 oktober 2025. Nu de officier van justitie op 14 februari 2025 op verzoek van betrokkene een termijn van vier weken heeft verleend voor het aanvullen van de gronden, is de beslistermijn met toepassing van artikel 7:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht met die vier weken opgeschort tot 26 november 2025; daarom was de ingebrekestelling van 1 november 2025 (door de officier van justitie ontvangen op 4 november 2025) prematuur.3 Het antwoord op de vraag of vertraging door de IT-storing wel of niet aan overmacht is te wijten, maakt daarom voor deze kwestie niets uit.
Komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking?
12. Aangezien het beroep ongegrond wordt verklaard komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
De kantonrechter:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om een dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2026.
griffier, kantonrechter,
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.