ECLI:NL:GHARL:2026:5707

Datum uitspraak
03-09-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
Wahv 200.358.847/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

1. Schending hoorplicht. De officier van justitie heeft afgezien van een tweede hoorzitting, omdat de gemachtigde de officier van justitie in gebreke had gesteld. Dit betreft geen grond waarop van het horen kan worden afgezien. Omdat hier sprake is van een structurele schending van de hoorplicht, wordt het bedrag van de sanctie gematigd met 25%. 2. Overschrijding max. geluidsniveau. De grond dat de geluidmeting niet conform het bepaalde in de Regeling voertuigen is verricht, is door de inhoud van de aanvullende processen-verbaal afdoende weerlegd. 3. Dwangsom. Voor het antwoord op de vraag wanneer de betrokkene is geïnformeerd en of en zo ja over welke periode een dwangsom is verschuldigd, van belang wanneer de beslissing wordt gegeven. Dat is op de dag van de verzending van het besluit. Dat is de laatste dag waarop de dwangsom is verschuldigd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.358.847/01

CJIB-nummer

: 256981363

Uitspraak d.d.

: 3 september 2026

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 240,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 113,37.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht door de officier van justitie is geschonden. Er heeft een eerste hoorzitting plaatsgevonden. Deze hoorzitting gaf de officier van justitie aanleiding om meer informatie op te vragen bij de ambtenaar. Deze informatie is niet voorafgaand aan de beslissing aan de gemachtigde toegestuurd. De officier van justitie heeft van een tweede hoorzitting afgezien, omdat de gemachtigde de officier van justitie in gebreke had gesteld.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde van de betrokkene op 20 november 2023 door de officier van justitie is gehoord. Naar aanleiding hiervan heeft de officier van justitie de ambtenaar op 21 november 2023 verzocht om een proces-verbaal met aanvullende informatie. Dit proces-verbaal is op 5 december 2023 door het Parket CVOM ontvangen. Het proces-verbaal bevat feiten en omstandigheden die voor de beslissing op het administratief beroep van aanmerkelijk belang kunnen zijn en ook zijn geweest. Blijkens de beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie, voorafgaand aan het nemen van de beslissing, de gemachtigde evenwel, in strijd met artikel 7:23 van de Algemene wet bestuursrecht, niet uitgenodigd voor een tweede hoorgesprek, naar moet worden aangenomen omdat de gemachtigde de officier van justitie in gebreke had gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. Dit betreft echter geen grond waarop van horen kon worden afgezien. Dit brengt mee dat beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het beroep tegen de officier van justitie en de daarmee samenhangende beslissing over de proceskostenvergoeding, niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.

3. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Ter beoordeling van het hof staat het beroep tegen de inleidende beschikking.

4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 320,- voor: “het motorvoertuig voldoet niet aan de gestelde eisen t.a.v. het max. geluidsniveau, overschrijding tot 4 dB(A)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 april 2023 om 16:00 uur op de Veerweg t.h.v. huisnr. 2 in Bergambacht met het voertuig met het kenteken [kenteken].

5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene ontkent dat de gedraging is verricht. De meting is niet conform de Regeling voertuigen (Rv) uitgevoerd, doordat deze op de parkeerplaats vlakbij het politiebureau heeft plaatsgevonden. Hierdoor heeft weerkaatsing van het geluid plaatsgevonden. De gemachtigde stelt tevens dat de manier van uitvoering van de metingen vragen oproept, nu er kennelijk zeven metingen nodig zijn geweest om tot een rechtsgeldige meting te komen. Daarbij klopt de grenswaarde van 90 dB niet, nu uit het kentekenregister blijkt dat dit 85 dB is en rijdend 77 dB. Dit maakt dat de overschrijding een strafbaar feit oplevert en niet een overtreding op grond van de Wahv. Ook is volgens de gemachtigde een onjuiste toerental bij de meting gehanteerd, nu het een 4-takt motor betreft, gedateerd van na 1960. Er zou bij 4250 toeren moeten worden gemeten en niet bij 5500, zoals de ambtenaar heeft verklaard. De ambtenaar heeft later verklaard dat hij 4250 toeren bedoelde. Dat is opmerkelijk.

6. Artikel 34 van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Rv, luidt als volgt:

“1. De meting vindt plaats in de open lucht.

2. Het proefterrein mag niet blootstaan aan sterke akoestische storingen. Hieraan wordt voldaan, indien het oppervlak van het terrein bestaat uit beton, asfalt, tegels of een vergelijkbaar hard materiaal.

3. Het proefterrein moet minimaal de afmetingen van een rechthoek hebben, waarvan de zijden zich op ten minste 3,00 m afstand van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig bevinden, met uitzondering van het stuur van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig, zoals weergegeven in figuur 6. Binnen deze rechthoek mogen zich geen personen of voorwerpen bevinden die niet noodzakelijk zijn voor de meting. De motorfiets of het driewielig motorrijtuig wordt op zodanige wijze binnen de rechthoek geplaatst dat de microfoon zich op ten minste 1,00 m afstand van eventueel trottoirbanden bevindt.

4. De waarden die door de geluidsniveaumeter voor het omgevingsgeluid en de wind wordt aangegeven, moeten ten minste 10 dB(A) lager zijn dan het geluidsniveau dat in het kentekenregister is vermeld. Dit wordt gecontroleerd door vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De microfoon van de geluidsniveaumeter mag van een passende windkap worden voorzien, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid van de microfoon.

5. Voor aanvang van de meting moet de motor van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig op bedrijfstemperatuur worden gebracht.

6. De meting vindt plaats bij een stilstaande motorfiets of driewielig motorrijtuig.

Figuur 6. Afmetingen proefterrein”

7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik, verbalisant (…), voerde bij betrokken motorfiets een geluidsmeting uit. Het resultaatniveau van het door betrokken motorfiets geproduceerde geluid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte geluidsniveaumeter waarvoor ik ben opgeleid als bedienaar.

Merk meetmiddel: Noise patrol.

Type geluidsniveaumeter: 3665.

ID-serienummer: 22030551.

Kalibratiecertificaatnummer: EN22-383-B.

Goedkeuring geldig tot: 6 december 2023.

Grenswaarde volgens kentekenregister: 90 dB(A) bij 5500 omw/min.

Vermeerderd met 2 dB(A) conform Regeling voertuigen: 92 dB(A) toegestaan.

Geconstateerd geluidsniveau: 94 dB(A).

Overschrijding geluidsniveau: 2 dB(A). (…)

Bijlagen:

Een RDW-bevraging;

Een rapport van geluidsmeting motorvoertuigen. (…)

Verklaring betrokkene: ik ben vorig jaar met de motor naar Frankrijk geweest. Ik heb toen de dB killer eruit gehaald. Ik heb vandaag voor het eerst weer met mijn motor gereden, zonder de dB killer. Ik ga de dB killer ieder geval weer terug plaatsen.”

9. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 31 augustus 2023, waarin het volgende wordt verklaard:

“Ik, verbalisant (…), heb in het reeds uitgebrachte proces-verbaal al verklaard dat ik het door de motorfiets geproduceerde geluid heb vastgesteld met behulp van een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte geluidsniveaumeter waarvoor ik ben opgeleid als bedienaar. In het verweer van betrokkene (…) worden vraagtekens gezet bij de wijze waarop de meting zou hebben plaatsgevonden. De wijze waarop deze meting zou hebben moeten plaatsvinden is vastgelegd in de Regeling voertuigen en dan in artikel 34 van de bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5. Dit genoemde artikel voeg ik als bijlage bij dit proces-verbaal van bevindingen. Kort samengevat staat er in het genoemde lid 3 van artikel 34, dat er binnen een straal van 3 meter zich geen personen of objecten mogen bevinden die noodzakelijk zijn voor de meting. (…) Zoals reeds eerder vermeld zijn alle eisen waaraan de meting moet voldoen door mij in acht genomen, zo ook de zojuist specifiek genoemde eisen uit lid 3 van die artikel 34. Wanneer de te meten motorfiets op een afstand van meer dan 3 meter rondom omgeven zou zijn met gebouwen, wat niet het geval is, maar alleen om hypothetisch te weergeven, dan nog zou de meting uitgevoerd zijn conform de gestelde eisen. Ik, verbalisant (…), heb zoals reeds aangegeven constant zicht gehad op de meting die verbalisant (…) uitvoerde. Ik, verbalisant (…) stelde vast dat verbalisant (…) deze meting conform de voorgeschreven wijze gebruikte. Ik, verbalisant (…), hecht er tevens waarde aan te vermelden dat betrokkene (…) heeft verklaard dat hij zijn decibelkiller uit de uitlaat had verwijderd waarna hij met de motor op vakantie naar Frankrijk is geweest. Maar bij terugkomst in Nederland heeft hij de decibelkiller niet meer terug geplaatst. Omdat betrokkene (…) de decibelkiller bewust verwijderde wordt door mij, verbalisant (…), verondersteld dat hij wist waar een decibelkiller voor dient. Het hoger dan vanaf fabriek geproduceerde geluidsniveau heeft daarmee wat mij betreft aanvaard met de eventuele consequenties van dien.”

10. Op 21 november 2023 is door de officier van justitie nogmaals verzocht om een procesverbaal met aanvullende informatie. Daarin heeft de officier van justitie onder meer de volgende vragen gesteld:

“Ik verzoek u om een antwoord te geven op de volgende vraag/vragen:

  • Uit het rapport van de geluidsmeting zijn slechts de metingen 5, 6 en 7 te zien. Kunt u eventueel aangeven wat het resultaat was van de eerste vier metingen?

  • Uit het rapport van de geluidsmeting volgt dat de meting bij 200 toeren is gedaan. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat in het kentekenregister van het voertuig 4250 toeren staat en volgens bijlage 8 artikel 33, 34 en 35 RVV (het hof leest: Rv) dient de meting gedaan te worden bij minimaal 4000 toeren. Kunt u aangeven waarom de meting bij 200 toeren is gedaan?”

11. In het proces-verbaal van 1 december 2023 verklaart de ambtenaar naar aanleiding van de door de officier van justitie gestelde vragen onder meer het volgende:

“Reactie op vraag 1:

Alleen de meetwaarde die bij drie opvolgende metingen worden verkregen, welke onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden. Alleen deze waarden worden gerapporteerd op het rapport van de geluidsniveaumeter. Soms is er sprake van bijvoorbeeld het ploffen of knallen van een uitlaat(systeem) waardoor de meetwaarde meer dan 2 dB(A) kunnen verschillen. In zo’n geval zijn er soms meerdere herhalingen noodzakelijk. Betrokkene stelt ten onrechte dat er sprake moet zijn van het optellen van de meetwaarden en vervolgens door 3 delen. De hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt. De meetwaarde per meting wordt op de meest nabijgelegen hele decibel afgerond. Zie hiervoor het bepaalde in artikel 35 onder i van bijlage VIII van de Regeling voertuigen. De hoogste meetwaarde in de serie van drie metingen was 94,2 dB(A). Afgerond betreft dit een waarde van 94 dB(A). De gebruikte geluidsniveaumeter voldoet aan de bepalingen genoemd in artikel 8.4.106 en 8.4.107 van de Regeling voertuigen.

Reactie op vraag 2:

Blijkens de bijgevoegde uitdraai van het kentekenregister heeft de betrokken motorfiets met kenteken [kenteken] een max. geluidsniveau van 90 dB(A). Vermeerderd met 2 dB(A), conform artikel 5.4.11, lid 3 van de Regeling voertuigen, mag de betreffende motorfiets geen hoger geluidsniveau produceren dan 92 dB(A). De stelling van betrokkene is derhalve onjuist.

Reactie op vraag 3:

Indien bij een motorfiets in het kentekenregister een dB(A)-waarde en een toerental zijn vermeld, wordt het toerental van de motor op de waarde gebracht die in het kentekenregister is vermeld. Voor de betrokken motorfiets is er sprake van zo’n situatie, omdat naast de waarde van 90 dB(A) het toerental 4250 omw/min vermeld stond. Er is dus geen sprake van “overige gevallen” en derhalve is er géén sprake van toepassing van het door betrokkene genoemde tabel. Zie hiervoor het bepaalde in artikel 35 onder g van bijlage VIII van de Regeling voertuigen. In het zaakoverzicht zie ik dat ik abusievelijk de waarde 5500 omw/min heb genoemd. Dit is niet juist door mij vermeld, echter is de geluidsniveaumeter door mij wél op de juiste manier ingesteld en is de meting geheel conform de waarde uit het kentekenregister verricht, namelijk bij 4250 omw/min. Op het rapport van de geluidsmeting staat het juiste toerental onder “richtwaarde toerental 4 250 RPM”. Er is géén sprake van een meting bij een ander toerental dan 4250 toeren. De serie van drie metingen zijn derhalve dus verricht bij 4250 toeren, zoals het kentekenregister voor de betrokken motorfiets ook voorschrijft. Er was zeker geen sprake van een meting bij 200 of 250 toeren, hetgeen inderdaad niet mogelijk zou zijn bij deze motorfiets.

(…)

Conclusie:

De meting is geheel conform het bepaalde in de Regeling voertuigen verricht. In het zaakdossier is echter door mij abusievelijk een verkeerde waarde genoteerd, maar de juiste waarde is aangehouden tijdens de meting. Ook wil ik de officier van justitie wijzen op de verklaring van betrokkene. Hij verklaarde dat hij een zogenoemde “dB killer” uit zijn uitlaat had verwijderd en deze in ieder geval weer terug gaat plaatsen. De afkorting dB staat voor decibel, een dB killer zorgt ervoor dat het uitlaatgeluid beter gedempt wordt, omdat de uitlaatgassen gedwongen worden een andere route door de uitlaat te nemen. Het verwijderen van de dB killer kan een luider uitlaatgeluid ten gevolge hebben."

12. Het hof is van oordeel dat de bezwaren van de gemachtigde met betrekking tot de uitgevoerde geluidsmeting op grond van de inhoud van de aanvullende processen-verbaal afdoende zijn weerlegd. Dat de gedraging is verricht kan dan ook worden vastgesteld.

13. De gemachtigde heeft verder betoogd dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd in verband met de schending van de hoorplicht.

14. In het arrest van 13 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2912) heeft het hof geoordeeld dat in situaties als deze sprake is van een structurele schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Onder verwijzing naar dit arrest zal het hof het sanctiebedrag met 25 procent matigen.

15. Voorts stelt het hof vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het sanctiebedrag verder matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).

16. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de extra wegingsfactor 0,25 (het hof begrijpt: de vermenigvuldigingsfactor 0,25 als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv) niet moet worden toegepast. Er is geen sprake van rechtsbijstandsverlening op basis van no cure no pay. De gemachtigde verwijst naar ingediende stukken over zijn bedrijfsmodel. Verder voert de gemachtigde aan dat de telefonische hoorzitting hier 25 minuten heeft geduurd. Dit maakt dat voor die zitting 1 punt in plaats van 0,5 punt moet worden toegekend.

17. Hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, geeft het hof geen reden voor het oordeel dat in deze zaak geen toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Daarbij verwijst het hof naar wat is overwogen in de arresten van 3 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:6853) en 7 mei 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2834).

18. De proceskosten gemaakt in de fase van administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dit betekent dat geen vergoeding wordt toegekend voor de telefonische hoorzitting, zodat hetgeen de gemachtigde daaromtrent heeft aangevoerd geen bespreking behoeft.

19. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 291,88 (= (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25) + (1,5 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).

20. Tot slot stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd aan de betrokkene omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist op het administratief beroep. De gemachtigde heeft op 29 december 2023 de ingebrekestelling verstuurd. Het besluit dateert van 29 januari 2024. Het besluit is pas op 6 februari 2024 ontvangen.

21. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter het verzoek heeft gedaan tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van bedoelde dwangsom. Blijkens de overwegingen in zijn beslissing heeft de kantonrechter geen aanleiding gezien om dat te doen.

22. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover van belang, in:

“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”

23. Artikel 7:24 van de Awb houdt, voor zover hier van belang, in:

“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.

(…)

3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen.”

24. Het hof stelt het volgende vast. Op 18 april 2023 is de inleidende beschikking naar de betrokkene verstuurd. De uiterste datum voor het instellen van administratief beroep was 30 mei 2023, waardoor de beslistermijn in beginsel 16 weken later en dus op 19 september 2023 eindigde. De gemachtigde van de betrokkene heeft op 23 mei 2023 administratief beroep ingesteld. Dit beroepschrift bevat gronden in de zin van de Awb en er is verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld zijn gronden aan te vullen. Zoals het hof in het arrest van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8783) heeft overwogen wordt de beslistermijn ook opgeschort in de situatie dat het beroepschrift wel gronden bevat, maar de gemachtigde heeft verzocht om de gronden aan te vullen. Gelet op de informatie over het aanmaak- en verzendproces zoals beschreven in het arrest van het hof van 13 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:2912) worden brieven die worden verzonden vanuit MAPS in het uiterste geval acht dagen na dagtekening bezorgd bij (gemachtigde van) de betrokkene. Dit betekent dat de gemachtigde uiterlijk 26 juli 2023 de brief van de officier van justitie heeft ontvangen. Op 3 augustus 2023 heeft de gemachtigde de gronden namens de betrokkene aangevuld. Dit betekent dat de beslistermijn met 8 dagen is opgeschort en dus eindigde de beslistermijn op 27 september 2023. Bij brief van 11 september 2023 heeft de officier van justitie medegedeeld dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de wettelijke beslistermijn met tien weken te verlengen. Dit betekent dat de beslistermijn op 6 december 2023 eindigde. Bij brief van 29 december 2023, door de officier van justitie ontvangen op 5 januari 2024, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld.

25. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de officier van justitie met ingang van 19 januari 2024 tot het moment dat de beslissing bij de gemachtigde is bezorgd, te weten 6 februari 2024, een dwangsom heeft verbeurd. Deze periode bedraagt 18 dagen en dus is de hoogte van de verschuldigde dwangsom € 462,-.

26. Het hof stelt vast dat de officier van justitie op 29 januari 2024 op het beroep heeft beslist. De gemachtigde heeft in het beroepschrift, gericht aan de kantonrechter, gesteld dat de betrokkene de beslissing op 2 februari 2024 heeft ontvangen. Anders dan de gemachtigde en de advocaat-generaal menen is, voor het antwoord op de vraag wanneer de betrokkene is geïnformeerd en of en zo ja over welke periode een dwangsom is verschuldigd, van belang wanneer een beslissing wordt gegeven. Dat is op de dag van verzending van het besluit. Dat is de laatste dag waarop de dwangsom is verschuldigd (vgl het arrest van het hof van 7 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4952). In aanmerking genomen de ontvangst van de beslissing op 2 februari 2024, gaat het hof er vanuit dat de beslissing van de officier van justitie op 1 februari 2024 is gegeven. Gelet hierop heeft de officier van justitie over een periode van 13 dagen (19 januari tot en met 1 februari 2024) een dwangsom verbeurd. De dwangsom bedraagt € 299,- (13 x € 23,-), te vermeerderen met de wettelijke rente.

27. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter op dit punt ook niet in stand kan blijven en het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

28. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 180,‑;

stelt vast dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd van € 299,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 291,88.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »