RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-113947-26
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-060021-26 en 18-349672-25 vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-153273-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.I. Veenstra, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18-113947-26
hij op of omstreeks 16 april 2026, te Leeuwarden, in of uit of bij een bedrijf, gevestigd aan of bij de [adres] , (onder meer) een fles wijn, een steakmes, een asbak, een kassalade en/of een peper- en zoutstel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het bedrijf [bedrijfsnaam 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen fles wijn, steakmes, asbak, kassalade en/of peper- en zoutstel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
Parketnummer 18-060021-26
hij op of omstreeks 26 februari 2026, te Leeuwarden, een gitaar (merk Guild D 140), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 2 februari 2026 tot en met 3 februari 2026, te Leeuwarden,
in of uit een auto, een gitaar en/of muziekapparatuur (onder meer in ears, in ears systeem, DI box, microfoons, tuners, kabels, gitaartas, gitaar pedaal, reiskoffer), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 18-349672-25
hij op of omstreeks 17 mei 2025, te Leeuwarden, (van) een geldbedrag (te weten 50 Euro), althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q. deze voorwerpen is/zijn en/of dit voorwerp c.q. deze voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) ) en/of
geldbedrag(en) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18-113947-26, het onder parketnummer 18-060021-26 primair en het onder parketnummer 18-349672-25 ten laste gelegde.
De inbraak bij het [bedrijfsnaam 1] kan wettig en overtuigend worden bewezen gelet op de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden van het café en de camerabeelden van het [bedrijfsnaam 2] . De jas van de persoon die op de beelden te zien is, komt overeen met de jas die verdachte bij zijn aanhouding aanhad. Daarnaast heeft de persoon op de beelden van het café een fiets bij zich. Uit het dossier volgt dat dit de fiets van verdachte betreft.
Ook kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de gitaar. Die gitaar is aangetroffen bij verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het een dure gitaar was. Toen hij de gitaar van iemand kreeg, wist hij dan ook dat die gitaar van misdrijf afkomstig moest zijn.
Tot slot kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van 50 euro. Aangever moest dit bedrag overmaken, zodat hij zijn weggenomen autosleutels terug zou krijgen. Dit bedrag is overgemaakt naar de rekening van verdachte. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte precies wist wat er aan de hand was.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-113947-26
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte deels moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het peper- en zoutstel, het steakmes en de asbak heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft bekend dat hij deze goederen van een terrastafel heeft gepakt en meegenomen, maar dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte deze goederen heeft gestolen door middel van braak, verbreking of inklimming. Er is ook geen proces-verbaal van het verbreken van de kast die buiten staat of een foto van deze kast. Ten aanzien van de fles wijn en de kassalade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat het verdachte was die deze goederen door middel van braak heeft gestolen, nu het bewijs uitsluitend steunt op de vergelijking van de jas van degene die op de camerabeelden te zien is en de jas die verdachte aanhad toen hij werd aangehouden. Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij de jas en de fles wijn van iemand anders heeft gekregen. Daarnaast komt het signalement van de persoon die inbreekt bij [bedrijfsnaam 1] niet overeen met het signalement van verdachte.
Parketnummer 18-060021-26
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, hoewel verdachte de gitaar voorhanden heeft gehad, er geen aanwijzingen in het dossier zitten waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de gitaar wist, of redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze van diefstal afkomstig was.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw ook betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het dossier geen enkel bewijs bevat dat verdachte de gitaar heeft gestolen.
Parketnummer 18-349672-25
De raadsvrouw heeft betoogd dat, indien ervan uit wordt gegaan dat het geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf, de kwalificatie-uitsluitingsgrond aan de orde is, omdat er geen sprake is geweest van een op verhulling gerichte gedraging. Verdachte heeft geen gedraging verricht die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben, aangezien hij slechts een bankrekening ter beschikking heeft gesteld voor de opname van het geldbedrag. De verklaring die getuige [getuige] heeft afgelegd klopt niet, gelet op de datum van de geboorte van hun dochter. Verdachte had bovendien ook niet de mogelijkheid
om met deze rekening te internetbankieren. De latere bankmutatie is dan ook niet door hem verricht.
Daarnaast blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij een vriend wilde helpen om een ruzie op te lossen. Daaruit volgt niet dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was. Er is dan ook geen sprake van opzet bij verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-113947-26
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026, inhoudende:
Ik heb op 16 april 2026 de asbak, het peper- en zoutstel en het steakmes meegenomen van [bedrijfsnaam 1] in Leeuwarden. Ik had bij mijn aanhouding een zwart met rode jas aan. Bij mijn aanhouding had ik een fles Pinot Grigio bij me.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 april 2026, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026099521 d.d. 19 april 2026, inhoudende als verklaring van [naam 1] :
Op 16 april 2026 werd ik wakker van een alarm van mijn zaak. Ik ben woonachtig boven [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te Leeuwarden. Ik zag op de camerabeelden een
persoon lopen in mijn zaak met de kassa onder zijn arm. Ik zag van onder de luifel iemand lopen. Ik zag dat de persoon rood met zwarte kleur in zijn jas had. Ik zag dat de persoon liep in de richting van de [adres] . Mijn partner is direct gaan zoeken. Ik had mijn partner aan de lijn en hoorde hem zeggen dat hij een persoon trof in de [adres] welke voldeed aan bovenstaand signalement. Het betrof een oud werknemer genaamd [verdachte] . Bij de fouillering door de politie zijn spullen van onze zaak uit zijn zak gekomen zoals, snoep, asbak, Pinot Grigio en een kartelmes.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2026, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ] :
Wij zijn voor het onderzoek ter plaatse geweest bij het [bedrijfsnaam 1] en hebben gesproken met aangeefster [naam 1] . Zij vertelde ons het volgende.Verdachte heeft ook vernielingen gepleegd. [verdachte] heeft namelijk een zout- en pepermolen, steakmes en asbak gestolen uit een werkkast welke afgesloten buiten stond. [verdachte] heeft de toegang tot de kast verschaft door het slot open te breken en daarbij het handvat te vernielen. [verdachte] heeft zich de toegang verschaft in het [bedrijfsnaam 1] door een van de openslaande deuren aan de voorzijde van het pand te forceren. Deze deur kan niet meer afgesloten worden op dit moment.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2026, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Ik heb beelden onderzocht van een inbraak in [bedrijfsnaam 1] , gevestigd aan de [adres] te Leeuwarden. BEELDFRAGMENT [bestandsnaam 1]
Vanaf links komt een man met versnelde pas het pand inlopen. Hij draagt een lichte jas met donkere mouwen, waarvan de donkere kleur overloopt over het bovenste gedeelte van de rugzijde. Hij draagt een capuchon in dezelfde tint/kleur als de jas.
BEELDFRAGMENT [bestandsnaam 1]
Verdachte komt achter de bar vandaan lopen en draagt een zwart hoekig goed in zijn handen. BEELDFRAGMENT [bestandsnaam 1]
Verdachte loopt met zwarte goed in zijn handen richting de uitgang en verdwijnt uit beeld. BEELDFRAGMENT [bestandsnaam 2] :
Het moment dat verdachte de eerste keer achter de bar verdwijnt komt hij 35 seconden later terug met het zwarte artikel in zijn hand. De tweede keer waarbij hij achter de bar vandaan komt en iets verbergt onder zijn jas is op deze camera te zien dat hij nog een keer terugloopt en een fles pakt welke aan buitenzijde van de bar staat. Daar staan 5 flessen gezien de vorm en etiket. Als verdachte een fles gepakt heeft staan er nog 4.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2026, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Naar aanleiding van een inbraak in [bedrijfsnaam 1] bekeek in de camerabeelden afkomstig van [bedrijfsnaam 2] aan de [adres] te Leeuwarden.
Beeldfragment [bestandsnaam 3]
Ik zie een persoon staan tussen de bosschage en de voorgevel van het [bedrijfsnaam 2] . Ik zie dat deze persoon een oranjekleurige jas met capuchon in dezelfde kleur draagt. Deze jas heeft zwartgekleurde mouwen waarvan de zwarte kleur overloopt over het bovenste gedeelte van de rugzijde en voorzijde.
Links, vanuit mijn perspectief, zie ik een zwartkleurige damesfiets staan. Deze fiets heeft een bagagedrager aan de voor- en achterzijde. Ik zie ook dat hij een zwart vierkant goed oppakt met zijn beide handen. Ik zie dat hij dit goed onder zijn rechterarm klemt. Uit later onderzoek is gebleken dat dit de kassalade is welke is gestolen bij de inbraak [bedrijfsnaam 1] .
Beeldfragment [bestandsnaam 4]
Ik zie dan dat deze persoon zijn capuchon afdoet en dat deze een oranjekleurige binnenkant heeft. Ik zie dat het om dezelfde jas gaat als uit bovenstaand videofragment doordat de binnenkant van de jas dezelfde oranje kleur heeft. Ik zie dat de jas dan binnenstebuiten is gekeerd. Ik zie dat de persoon deze jas uitdoet en probeert opnieuw aan te doen. Ik zie dan dat de binnenkant van de jas oranje gekleurd is.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2026, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Op de beelden van [bedrijfsnaam 1] , is de verdachte te zien welke een jas draagt met een capuchon. Te zien is dat de kleur van de mouwen doorloopt over de bovenzijde van de achterzijde van de jas naar de andere mouw toe. Het verdere rugpand en de capuchon hebben eveneens eenzelfde kleur maar dan veel lichter. Ik zag dat de jas uit de fouillering van verdachte [verdachte] zwart/rode mouwen had waarvan de zwarte kleur doorliep over de bovenzijde van de rugzijde. Ik zag de verdere kleur van de jas rood was, inclusief de capuchon. Aan de rechter en linkerzijde onder het mouwgedeelte bevinden zich nog twee zwarte stukken welke verticaal naar beneden lopen. Het patroon van de jas komt hiermee overeen met de jas van de verdachte op de beelden.
Bewijsoverwegingen t.a.v. parketnummer 18-113947-26
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte bekent dat hij een aantal goederen heeft weggenomen van [bedrijfsnaam 1] , te weten de asbak, het peper- en zoutstel en het steakmes. Deze goederen zijn bij de aanhouding van verdachte ook bij hem aangetroffen.
Het alternatieve scenario dat een ander persoon de inbraak heeft gepleegd en vervolgens de fles wijn en de jas aan verdachte heeft gegeven, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Op de beelden is steeds maar één persoon te zien welk signalement overeenkomt met het signalement van verdachten.
Daarnaast kan verdachte niet vertellen wie de andere persoon zou zijn geweest, die de inbraak zou hebben gepleegd. Verdachte noemt enkel een voornaam maar kan verder niks concreets verklaren ten aanzien van deze persoon noch waarom deze persoon hem een jas en een fles wijn gaf. Daarnaast is verdachte zeer kort nadat het alarm af is gegaan aangehouden in de nabije omgeving van de plek waar de inbraak is gepleegd en van de plek waar de kassalade is teruggevonden. Dat verdachte in die korte tijdsspanne de fles wijn en de jas van de inbreker heeft gekregen terwijl hij zelf vlak daarvoor ook bij [bedrijfsnaam 1] was, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte de goederen die bij hem zijn aangetroffen bij zijn aanhouding en de kassalade, die bij het [bedrijfsnaam 2] is aangetroffen, heeft gestolen door middel van braak.
Parketnummer 18-060021-26
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026050662 d.d. 26 februari 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: Leeuwarden
Pleegdatum: tussen 2 februari 2026 en 3 februari 2026.
Ik kwam vanochtend bij mijn auto en zag dat mijn gitaar (Guild D-140) uit de auto was gestolen. Te herkennen aan een barst in het bovenblad.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2026, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Op 26 februari 2026 was ik werkzaam in de binnenstad van de gemeente
Leeuwarden. Ik zag de mij ambtshalve bekende veelpleger [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] uit de woning komen. Ik zag dat hij een gitaar bij zich droeg. Ik zag dat de gitaar van het merk Guild was. Het was mij bekend dat er een paar weken geleden een inbraak was geweest in een auto. Uit de auto was een dure gitaar gestolen. De gitaar zou een beschadiging hebben aan de voorzijde. Ik zag dat de gitaar op de foto dezelfde gitaar was als de gitaar in het bezit van de verdachte. Ik zag dat dezelfde beschadiging aan de voorzijde op de gitaar zat.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 februari 2026, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Iemand heeft de gitaar bij ons thuis gebracht als borg voor 50 euro, dat heb ik die persoon gegeven. Die persoon had geld nodig voor drugs en zou de gitaar later weer ophalen. De persoon kwam niet meer terug.
Ik weet dat een gitaar duur kan zijn. Die gitaar is van [naam 2] . Ik weet zijn achternaam niet. [naam 2] gebruikt crack en heroïne. Soms help ik mensen met gestolen spullen en verkoop ik ze door.
Bewijsoverwegingen t.a.v. parketnummer 18-060021-26 primair
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.
De verdachte had de gitaar als een soort onderpand onder zich gehouden voor een persoon in ruil voor 50 euro. Over die persoon heeft verdachte verklaard dat het een drugsgebruiker is en geld nodig had voor drugs. Verdachte heeft verder verklaard vaker mensen te helpen met het verkopen van gestolen spullen.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de gitaar wist dat deze gitaar uit misdrijf afkomstig was. Hierbij neemt de rechtbank mee dat zowel verdachte als de verkoper van de gitaar zich in het drugsmilieu bevinden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.
Parketnummer 18-349672-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026, inhoudende:
Het klopt dat het bedrag van 50 aan mij is betaald. Het klopt dat dit geld naar de rekening van [getuige] is gestuurd en dat die rekening door mij werd gebruikt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025129045 d.d. 3 december 2025, inhoudende als verklaring van [naam 3] :
Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum: 17 mei 2025
Ik zag en voelde dat de man met zijn hand in mijn jaszak zat. Ik zag dat hij vervolgens zijn hand weer uit mijn jaszak haalde. Ik voelde dat de autosleutel van mijn auto niet meer in mijn jaszak zat. Ik moest 50 euro overmaken aan een persoon in de groep. Als ik dat had gedaan, dan zou ik mijn autosleutel terugkrijgen. Ik boekte om 05:03 uur 50 euro over naar [getuige] via bunq. Bankrekeningnummer: [rekeningnummer] .
Bewijsoverwegingen t.a.v. parketnummer 18-349672-25
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat de voorwerpen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden. De rechtbank stelt aan de hand van het dossier vast dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf, te weten afpersing. Aangever moest het geld immers overmaken om de door anderen van hem gestolen autosleutels terug te krijgen.
Nu er geen sprake is van een eigen misdrijf, is de door de raadsvrouw aangevoerde kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het, gelet op de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken, niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft zich immers gemengd in een discussie tussen een aantal anderen waarna hij zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld zodat er door een voor hem onbekende man 50 naar hem overgemaakt kon worden. De verklaring van verdachte dat hij deze groep mannen wilde helpen door zijn bankrekening ter beschikking te stellen acht de rechtbank niet geloofwaardig.
Bewezenverklaring
Parketnummer 18-113947-26
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 16 april 2026, te Leeuwarden, bij een bedrijf, gevestigd aan de [adres] , een fles wijn, een steakmes, een asbak, een kassalade en een peper- en zoutstel, die geheel aan het bedrijf [bedrijfsnaam 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen fles wijn, steakmes, asbak, kassalade en peper- en zoutstel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Parketnummer 18-060021-26 Primair
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 26 februari 2026, te Leeuwarden, een gitaar (merk Guild D 140), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Parketnummer 18-349672-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 mei 2025, te Leeuwarden, een geldbedrag, te weten 50 Euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-113947-26:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Parketnummer 18-060021-26 primair:
Opzetheling.
Parketnummer 18-349672-25:
Witwassen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel moet worden afgewezen. Een ISD-maatregel is op dit moment nog niet aangewezen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte in het verleden heeft bewezen een gestructureerd leven te kunnen leiden, dat het vrijwel volledige delictverleden van verdachte dateert van na 2023, dat verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan interventies en alle benodigde behandeling en dat verdachte meer gebaat is bij een behandeling van zijn gediagnostiseerde psychiatrische problematiek. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een ISD-maatregel niet aansluit bij de kern van de problematiek van verdachte en de in artikel 38m lid 3 Sr besloten doelstelling daarom niet kan worden verwezenlijkt.
De raadsvrouw heeft subsidiair gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel met als bijzondere voorwaarde een gerichte klinische of ambulante behandeling. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat dit een passender en minder ingrijpend middel is en dat verdachte de daarvoor vereiste bereidheid al heeft getoond.
De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht om, indien de rechtbank toch een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou opleggen, ambtshalve een last te geven tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van deze maatregel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 30 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten. Dergelijke feiten veroorzaken materiële schade en praktische overlast voor de slachtoffers. Verdachte heeft kennelijk het belang van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin en geen blijk van enig respect gegeven voor andermans eigendom.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 2 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig (ook recentelijk) is veroordeeld voor (soortgelijke) vermogensfeiten.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 30 juni 2026, blijkt onder meer dat verdachte een langdurige geschiedenis heeft van problematisch middelengebruik. Vanwege zijn veelvuldige justitiecontacten veelal vanwege vermogens- en agressiedelicten is hij per 1 mei 2024 op de veelplegerslijst geplaatst. Op alle leefgebieden worden problemen en instabiliteit gesignaleerd. Ook blijkt dat reclasseringsinterventies in zowel ambulant als een klinisch kader onvoldoende effect hebben gesorteerd en niet geleid hebben tot de noodzakelijke gedragsverandering. Naast het aanhoudende middelengebruik, zijn er bij verdachte aanwijzingen dat er problemen bestaan op het gebied van emotie- en agressieregulatie.
De combinatie van deze factoren vergroot naar inschatting van de reclassering het risico op gevaarlijk gedrag jegens andere personen. Gelet op de jarenlange justitiële contacten van verdachte wordt de kans op recidive ingeschat als hoog. Ook de kans op onttrekking aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog, omdat verdachte zich in het verleden herhaaldelijk niet heeft gehouden aan opgelegde bijzondere voorwaarden.
De reclassering adviseert de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen aan verdachte. Een langdurig en gestructureerd traject vanuit een ISD-maatregel biedt volgens de reclassering meer kans van slagen dan een ambulant traject. In de afgelopen jaren (en ook tot op heden) zijn immers meermalen voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden aan verdachte opgelegd zonder dat dit heeft geleid tot de gewenste gedragsverandering. Gezien de langere termijn en structuur die een ISD-maatregel biedt
zal verdachte ook meer gebaat zijn om het psychologisch onderzoek in dit kader voort te zetten.
Ter zitting heeft de deskundige de heer [naam 4] bovenstaand advies bevestigd en benadrukt dat de reclassering geen andere mogelijkheid ziet dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De deskundige vindt het goed om te horen dat verdachte de structuur die hij op dit moment heeft als positief ervaart. De reclassering is van mening dat het mooi zou zijn als die structuur door middel van een ISD-maatregel stap voor stap verder opgebouwd zou kunnen worden. De reclassering heeft al langere tijd contact met verdachte en er is al veel geprobeerd. De heer [naam 4] bevestigt dat de intenties van verdachte goed zijn, maar dat hij te snel wil.
Op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan zowel de wettelijke vereisten die in artikel 38m Sr aan het opleggen van een ISD-maatregel zijn gesteld als aan de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert voor het vorderen van de ISD-maatregel. Verdachte voldoet derhalve aan de definitie van een stelselmatige dader als bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.
Bewezenverklaard is immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en uit het strafblad blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van dit strafbare feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Bovendien is het in onderhavig vonnis bewezen en strafbaar verklaarde begaan na tenuitvoerlegging van voornoemde straffen. Voorts zag verdachte over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies van 30 juni 2026 dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van een ISD-maatregel is aangewezen. Verdachte heeft de afgelopen jaren veel strafbare feiten gepleegd en blijft met politie en justitie in aanraking komen. De tot op heden opgelegde voorwaardelijke straffen en reclasseringstoezichten hebben niet geleid tot het doen stoppen van voortdurende recidive door verdachte.
Anders dan de verdediging acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van de recidive. Gelet op de beperkte openheid van verdachte omtrent zijn delictgedrag, de voorliggende persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, het ontbreken van huisvesting, het ontbreken van een steunend sociaal netwerk en hetgeen in het verleden al zonder resultaat is ingezet, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd voor de duur van twee jaren. De rechtbank zal daarnaast bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet van de duur van de maatregel zal worden afgetrokken. De rechtbank ziet op voorhand geen aanleiding om de ISD-maatregel te beperken in duur of een tussentijdse toetsing te gelasten.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 1 maart 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 maart 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten
zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 26 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat in het zicht van de op te leggen ISD-maatregel de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf niet opportuun is. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder parketnummer 18-113947-26, parketnummer 18-060021-26 primair en parketnummer 18-349672-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18 153273-23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 1 maart 2024.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. A. Niklasch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Mr. C. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.