ECLI:NL:RBMNE:2026:5541

Datum uitspraak
31-07-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
16/402969-24; 16/297223-25 (t.t.z. gevoegd); 16/032851-25 (vord. tul)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor witwassen van besmeurde bankbiljetten (vermoedelijk afkomstig van een plofkraak) en voor vervoeren van lachgas. Vormverzuimen bij het wijzen op rechtsbijstand en het aanleggen van handboeien. De verdachte is beïnvloedbaar en kwetsbaar, vermoedelijk cognitief beperkt en er zijn zorgen over zijn gezondheid. Hij heeft diabetes type 1, maar is niet in staat om zichzelf daarvoor de noodzakelijke zorg te geven. De rechtbank heeft dit op de zitting zelf zien gebeuren, toen de verdachte enkel in staat bleek om zijn insulinetekort waar te nemen zonder daar vervolgens naar te handelen. Het belang van vergelding is ondergeschikt en de rechtbank legt een grotendeels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/402969-24; 16/297223-25 (t.t.z. gevoegd); 16/032851-25 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 juli 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1998] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. T.F.M. Eijkhout-Şahin;

  • de advocaat van de verdachte: mr. T.P.A.M. Wouters (hierna: de advocaat);

  • de curator van verdachte: [A] .

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

parketnummer 16/402969-24 in de periode van 16 december 2024 tot en met 19 december 2024 in Utrecht samen met ander(en) een geldbedrag van ongeveer 10.000 euroheeft witgewassen;

parketnummer 16/297223-25 op 5 november 2025 in Utrecht opzettelijk 68,075 kilogram lachgas aanwezig heeft gehad;

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage 1 bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat de verdachte de feiten uit de beschuldiging heeft gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 16/402969-24

Volgens de officier van justitie heeft de verdachte samen met anderen opzettelijk € 7.895,- witgewassen, door contant geld, (gedeeltelijk) besmeurd met inkt, voorhanden te hebben (te weten: € 5.795,-) en om te zetten in TOTO-loten (te weten: € 2.100,-).

Ten aanzien van parketnummer 16/297223-25 De officier van justitie vindt dat de verdachte opzettelijk cilinders met lachgas aanwezig heeft gehad. De verdachte heeft dozen, met daarin lachgascilinders, opgehaald en in zijn auto gezet. Op deze dozen stonden gevarenetiketten en de verdachte is vaker in bezit geweest van lachgas, zodat van wetenschap kan worden gesproken. Volgens de officier van justitie staat ook voldoende vast dat in de cilinders lachgas zat.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 16/402969-24 De advocaat verzoekt de verdachte vrij te spreken van opzetwitwassen, omdat de verdachte ontkent te hebben geweten dat het contante geld van misdrijf afkomstig was. Schuldwitwassen kan volgens de advocaat wel bewezen worden.

Ten aanzien van parketnummer 16/297223-25 Ook vraagt de advocaat om de verdachte vrij te spreken van het bezit van lachgas. Primair voert de advocaat aan dat niet bewezen is dat in de aangetroffen cilinders daadwerkelijk lachgas zat. Subsidiair kan niet bewezen worden dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de nog ongeopende dozen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat beide feiten uit de beschuldiging wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan vermeld.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van parketnummer 16/402969-24

Vermoeden van witwassen

De verdachte heeft in de ten laste gelegde periode, samen met een ander, aanzienlijke contante geldbedragen ingezet bij de TOTO. Daarnaast zijn tijdens de doorzoeking in zijn woning grote bedragen aan contant geld aangetroffen. Het bezit en de uitgave van dergelijke geldbedragen in contanten past niet bij de (financiële) situatie van de verdachte. Zo verklaart de verdachte in de ten laste gelegde periode geen werk, geen inkomen en schulden te hebben gehad. Daarbij komt dat de ingezette en aangetroffen bankbiljetten (gedeeltelijk) besmeurd waren met inkt of verf. Bij de politie is bekend dat bij een plofkraak inkt op het buit gemaakte geld terechtkomt, zodat dit onbruikbaar is. In samenhang bezien leveren voornoemde omstandigheden een vermoeden van witwassen op.

De verklaring van de verdachte

Bij een witwasvermoeden mag van de verdachte een verklaring worden verlangd over de herkomst van het geld, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Zo een verklaring van de verdachte is achterwege gebleven.

De verdachte verklaart bij de politie en op de zitting dat hij het besmeurde geld kort voor de ten laste gelegde periode op een feestje in Rotterdam heeft gekregen van een onbekende jongen. Deze jongen heeft hem verteld dat er vlekken op de bankbiljetten zaten omdat ze met een lekkende pen in de wasmachine terecht zijn gekomen. De rechtbank overweegt dat de verdachte hiermee verklaart wanneer hij het geld heeft gekregen en waarom er vlekken op zitten, maar niet hoe deze onbekende jongen aan het geld is gekomen. Dit is daarom geen verklaring over de herkomst en legaliteit van het geld.

Conclusie over witwassen

De verdachte heeft het witwasvermoeden niet ontkracht. In samenhang bezien met de omstandigheden dat de verdachte deze grote hoeveelheid geld (zomaar) van een voor hem onbekend persoon heeft gekregen, met de opdracht het in te wisselen en het hieruit verkregen geld vervolgens weer terug te geven, zodat de verdachte zelf ‘snel geld’ kon verdienen, volgt dat het van enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat de verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij voelde ‘dat het niet helemaal klopte, maar daar niet naar geluisterd heeft’.

Op het in de keukenlade aangetroffen geld (te weten 18 geldbiljetten van € 50,- en 55 geldbiljetten van € 20,-) zijn geen vlekken aangetroffen. De verdachte verklaart dat € 1.000,- euro hiervan afkomstig is van de jongen uit Rotterdam, de rest is spaargeld van hemzelf. De rechtbank zal dit bedrag (€ 1.000,-) in mindering brengen op het vast te stellen witwasbedrag.

Hoogte van het witwasbedrag

Met de officier van justitie, komt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen tot de volgende berekening:

- contant geld uit de woning: € 100,- + € 5,- + € 4.400,- (88 geldbiljetten van € 50,-) + € 900,- (18 geldbiljetten van € 50,-) + € 1.100,- (55 geldbiljetten van € 20,-) =

€ 6.505. Dit bedrag minus € 1.000,- aan spaargeld, betreft een bedrag van € 5.505,-.

- contant geld uit de fouillering: € 250,- (5x geldbiljetten van € 50,-) + € 40,- (2x geldbiljetten van € 20,-) = € 290,-

- TOTO-loten uit de fouillering: 3 x € 200,- = € 600,-

- ingezette geldbedragen in de [winkelnaam] o.b.v. de verklaring van [getuige]: € 900,- +

€ 600,- = € 1.500,-;

Totaal: € 5.505,- + € 290,- + € 600,- + € 1.500,- = € 7.895,-

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen, door een contant geldbedrag van € 7.895,- voorhanden te hebben en/of om te zetten.

Vormverzuim: het recht op rechtsbijstand geschonden?

Bij de aanhouding van de verdachte is een telefoon (iPhone 15) in beslag genomen. Daaruit blijkt dat op internet is gezocht naar het schoonmaken van plofkraakgeld. De advocaat voert aan dat deze bevindingen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat de verdachte niet is gewezen op (de inhoud van) zijn recht op rechtsbijstand. De advocaat bepleit dat na de aanhouding van de verdachte ter plaatste een verhoor heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft toen de pincode van zijn telefoon gegeven en zo is deze informatie uit zijn telefoon verkregen. Dit is een onherstelbaar vormverzuim, wat moet leiden tot bewijsuitsluiting.

Zoals uit de bewijsmiddelen in dit vonnis blijkt, gebruikt de rechtbank de bevindingen uit de in beslag genomen iPhone 15 niet voor het bewijs. Het verweer van de advocaat behoeft in dit deel van het vonnis dan ook geen bespreking. Volgens de advocaat moet het vormverzuim subsidiair leiden tot strafvermindering. In het kader van de strafmaat zal de rechtbank wel nader op het vermeende vormverzuim ingaan.

Ten aanzien van parketnummer 16/297223-25

De inhoud van de cilinders

De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de inhoud van de aangetroffen cilinders in het voertuig van de verdachte (de witte Peugeot met kenteken [kenteken] ) lachgas betrof.

Uit het dossier blijkt niet dat de inhoud van de cilinders door deskundigen is getest. Het ontbreken van testresultaten over de aard van (vermoedelijke) verdovende middelen hoeft echter niet aan een bewezenverklaring van het bezit daarvan in de weg te staan, als het dossier maar voldoende andere aanwijzingen bevat die op de daadwerkelijke aard, in dit geval lachgas, duiden.

De rechtbank stelt vast dat in de auto dichte dozen zijn aangetroffen met daarop gevarenetiketten. Deze dozen zijn door de politie herkend als de verpakking van lachgas. In de dozen zaten cilinders, waarvan een aantal (willekeurige) cilinders nader is onderzocht. Op deze cilinders staat het merk ‘Fastgas’ genoemd, een verkoper van lachgascilinders. Daarnaast zijn het stofidentificatienummer ‘UN1070’ en het E-nummer ‘E942’ op de cilinders weergegeven, die duiden op distikstofmonoxide of wel lachgas. Verder lagen de dozen (deels) onder een kleed. Tot slot zijn in de Volkswagen Tiguan, waar de verdachte (ook) op 5 november 2025 in reed, zwarte ballonnen gevonden, die de politie herkent als ballonnen die worden gebruikt bij het inhaleren van lachgas.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de in de auto van de verdachte (de Peugeot) aangetroffen cilinders distikstofmonoxide (lachgas) bevatten. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen dat er iets anders in de cilinders zou zitten, noch heeft verdachte verklaard wat er anders in de cilinders zou kunnen zitten.

Het opzet van de verdachte

De verdachte verklaart op de zitting dat hij de dozen voor anderen heeft opgehaald en bewaard. Hiervoor zou hij geld krijgen. De verdachte zegt niet te hebben geweten wat er in de dozen zat, aangezien deze ongeopend waren. Volgens de verdediging ontbreekt dan ook de voor opzet vereiste wetenschap.

De rechtbank gaat niet mee in dit verweer. De verdachte erkent (wel) te hebben geweten dat het ging om iets illegaals. Op de dozen waren, zoals benoemd, gevarenetiketten zichtbaar en de politie herkende de dozen gelijk als de verpakking van lachgas. Daarbij komt dat er aanwijzingen zijn dat de verdachte zich vaker bezighield met het bezit van lachgascilinders (in verpakking). Op diezelfde dag (5 november 2025) zijn ook ballonnen voor het inhaleren van lachgas in de Volkswagen Tiguan van de verdachte aangetroffen.

Onder deze omstandigheden kan het niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cilinders lachgas. Omdat de verdachte de flessen heeft opgehaald en in de auto, die op zijn naam stond, heeft bewaard, bevonden deze zich ook in zijn machtssfeer.

Hoeveelheid lachgas

In het totaal zijn er 35 dozen met steeds één cilinder in het voertuig aangetroffen. Beschreven is dat deze dozen ongeopend waren. Uit het dossier volgen geen indicaties dat sprake was van al geopende dozen tussen de lading, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de cilinders afgesloten waren. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het nettogewicht van de drie onderzochte cilinders nagenoeg hetzelfde is.

Het gemiddelde nettogewicht van de cilinders is 1.945 kilogram (nettogewicht cilinder 1: 1.922 kilogram + nettogewicht cilinder 2: 1.964 kilogram + nettogewicht cilinder 3: 1.950 kilogram = 6.836 kilogram. 6.836 kilogram ÷ 3 = 1.945 kilogram). Op basis hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in totaal 68,075 kilogram (35 x 1.935 kilogram) lachgas aanwezig heeft gehad.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

16/402969-24 in de periode van 16 december 2024 tot en met 19 december 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen,

(van) een geldbedrag van in totaal ongeveer 7.895 euro,

Sub a- de werkelijke aard, heeft verborgen

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft omgezet terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en) dat voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

16/297223-25 op 5 november 2025 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 68,075 kilogram (netto) distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

16/402969-24: medeplegen van witwassen;

16/297223-25: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering (met uitzondering van het contactverbod met medeverdachten). Daarnaast eist de officier van justitie een taakstraf van 120 uur, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.

5.2.

Standpunt van de verdediging

Strafvermindering vanwege vormverzuimen

Zoals benoemd was volgens de advocaat na de aanhouding van de verdachte ter plaatse sprake van een verhoorsituatie. De verdachte is vóór dit verhoor weliswaar gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat. Met deze mededeling had de politie volgens de advocaat echter niet kunnen volstaan. De verdachte is niet de gelegenheid geboden om voorafgaand aan het verhoor contact te hebben met een advocaat (artikel 28c, eerste lid, Sv). Zo heeft de politie de verdachte niet gevraagd of hij een advocaat had. Ook is niet geprobeerd een advocaat bij de situatie te betrekken. Dit, terwijl de politie wist dat de verdachte woonde op een plek voor begeleid wonen voor mensen met een laag verstandelijke beperking en ook op die locatie is aangehouden. Daarbij komt dat de verdachte, gelet op zijn kwetsbaarheid, niet rechtsgeldig afstand had kunnen doen van zijn recht op rechtsbijstand zonder overleg met een advocaat (artikel 28c, tweede lid, 2 juncto artikel 28b lid 1 Sv). Het voorgaande levert een onherstelbaar vormverzuim op, wat moet leiden tot strafvermindering.

Daarnaast zijn bij de aanhouding van de verdachte handboeien aangelegd. Hiervoor is geen reden gegeven en niet is gebleken dat sprake was van vluchtgevaar of gevaar voor de veiligheid van de verdachte of anderen in de zin van artikel 22 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Ook dit betreft een onherstelbaar vormverzuim, wat moet leiden tot strafvermindering.

Strafvermindering gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Ook vraagt de advocaat in strafmatigende zin rekening te houden met de medische situatie van de verdachte en zijn licht verstandelijke beperking. De verdachte heeft nog een groot aantal te verrichten uren taakstraf open staan en dit zal, gelet op zijn persoonlijke situatie, al heel lastig worden om uit te voeren. Volgens de advocaat moet het strafdoel van vergelding ondergeschikt zijn en hij verzoekt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt, zoals door de advocaat is bepleit, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, (alleen) een voorwaardelijke gevangenisstraf van 87 dagen, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar, aan de verdachte op. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en een vormverzuim mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. De verdachte heeft besmeurd geld, waarvan het aannemelijk is dat dit afkomstig is van (een) plofkra(a)k(en), voorhanden gehad. In ruil voor een financiële vergoeding heeft hij een deel van het geld zelfs omgezet in legaal geld. Het witwassen van geldbedragen vormt een bedreiging voor de integriteit van het financiële en economische verkeer en de maatschappelijke orde. De verdachte heeft zich kennelijk alleen bekommerd om zijn eigen financiële gewin. Dit blijkt ook uit het feit dat de verdachte, opnieuw in ruil voor geld, een grote hoeveelheid lachgas in zijn bezit heeft gehad. Het bezit van lachgas is sinds een aantal jaar een groeiend probleem in Nederland. Het draagt bij aan de toenemende druk op de gezondheidszorg, werkt criminaliteit en overlast in de hand en heeft negatieve gevolgen voor het milieu. Het handelen van de verdachte draagt bij aan de instandhouding van deze problematiek. Het vervoeren van lachgas - zonder de hiervoor vereiste certificaten en een geschikt vervoersmiddel - is daarnaast zeer gevaarlijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank kijkt ook naar het strafblad van de verdachte van 4 juni 2026. Hieruit blijkt dat hij in 2025 ook al is veroordeeld voor het bezit van lachgas, waarvoor hij een taakstraf van 120 uren opgelegd heeft gekregen.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van [instelling] van 2 juli 2026. Hieruit blijkt het volgende.

De verdachte heeft problemen op verschillende leefgebieden. Zo heeft hij (straat)schulden en bevindt hij zich in een negatief sociaal netwerk. De verdachte woont begeleid, maar blijft ondanks de hulpverlening in beeld komen bij de politie. Er bestaat een sterk vermoeden dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. Hierdoor is de verdachte beïnvloedbaar en kwetsbaar. Vermoedelijk overziet hij niet goed de gevolgen van zijn handelen en denkt hij in kortetermijnoplossingen. Ook zijn er grote zorgen over zijn medische situatie.

Vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek, gezondheidsproblemen, negatieve sociale netwerk en schulden, schat de reclassering de kans op herhaling van delictgedrag hoog in.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, zoals het voldoen aan een meldplicht bij de reclassering, het verblijven in een instelling voor begeleid of beschermd wonen en het meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en indien (hieruit) geïndiceerd ambulante behandeling. Daarnaast dient de verdachte volgens de reclassering gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect contact te zoeken of hebben met de medeverdachten. De reclassering benoemt dat het onwenselijk is dat de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt, omdat hij dan zijn plek bij zijn huidige wooninstelling zal kwijtraken. Ook twijfelt de reclassering of de verdachte, met zijn problematiek, in staat is zich aan de afspraken voor de uitvoering van een taakstraf te houden. Hij heeft namelijk nog een groot aantal uren taakstraf (voortkomend uit ander strafzaken) open staan.

De curator van de verdachte was op de zitting aanwezig en sluit zich aan bij de bevindingen van de reclassering over de cognitieve beperkingen van de verdachte. Volgens de curator klopt het dat de verdachte niet in staat om in zijn eigen noodzakelijke medische behoeften te voorzien. Dit maakt het volgens de curator lastig een werkgever te vinden die bereid is de verdachte aan te nemen.

De rechtbank deelt de zorgen over de medische situatie van de verdachte. Hij heeft diabetes type 1, maar is onvoldoende in staat om zichzelf daarvoor de noodzakelijke zorg te geven. Door zijn ziekte loopt de verdachte inmiddels het risico om aan één oog blind te worden, maar hij komt de ziekenhuisafspraken bij de oogarts niet na. De verdachte heeft een glucosesensor op zijn lichaam, die is verbonden met een app op zijn telefoon. Aan de hand van zijn actuele insulinebehoefte kan hij zo de juiste hoeveelheid insuline inbrengen. De curator heeft op de zitting echter uitgelegd dat het de verdachte niet lukt om daadwerkelijk te handelen naar zijn medische insulinebehoefte. De rechtbank heeft dit op de zitting zelf zien gebeuren, toen verdachte enkel in staat bleek om zijn insulinetekort waar te nemen zonder daar vervolgens naar te handelen.

Vormverzuim: het recht op rechtsbijstand

Ook de rechtbank vindt dat aan de verdachte ter plaatse vragen zijn gesteld die betrekking hadden op zijn eventuele betrokkenheid bij de huidige verdenking van witwassen, zodat sprake is geweest van een verhoorsituatie. Daargelaten of de verdachte kan worden aangemerkt als een kwetsbare verdachte in de zin van artikel 28b, eerste lid, Sv en dus geen afstand had kunnen doen van zijn recht op rechtsbijstand, oordeelt de rechtbank dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Net als de advocaat, vindt de rechtbank dat de politie de verdachte, met de wetenschap dat hij begeleid woont en zo (mogelijk) een cognitieve beperking heeft, van meer informatie over zijn recht op rechtsbijstand had moeten voorzien. De enkele verwijzing op dit recht is onvoldoende geweest. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op en een schending van het recht op een eerlijk proces. De rechtbank oordeelt echter dat het vormverzuim niet leidt tot strafvermindering, en volstaat met de constatering ervan, omdat niet is gebleken van enig nadeel dat hierdoor voor de verdachte is veroorzaakt.

Vormverzuim: het aanleggen van handboeien bij aanhouding

De politie heeft bij aanhouding handboeien bij de verdachte omgedaan. De advocaat heeft terecht opgemerkt dat de politie in haar proces-verbaal van bevindingen niets heeft opgemerkt over de redenen voor het aanleggen van de handboeien. Dit is ook niet vereist, maar de rechtbank moet op basis van het dossier wel kunnen toetsen of de Ambtsinstructie juist is toegepast. Sprake moet zijn geweest van vluchtgevaar of gevaar voor de veiligheid van de verdachte en/of anderen. Het dossier geeft geen blijk van feiten en omstandigheden die het gebruik redelijkerwijs noodzakelijk maakten. Zo wordt de verdachte niet beschuldigd van een geweldsfeit, zijn bij zijn fouillering (die voor de aanhouding heeft plaatsgevonden) geen wapens aangetroffen en heeft verdachte zich niet verzet. Ook de officier van justitie heeft op de zitting onvoldoende toegelicht wat de redenen waren voor het gebruik van handboeien.

De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim. Het belang van het geschonden voorschrift is de bescherming van de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen die met de politie in aanraking komen. Dat zijn zwaarwegende belangen. Door de verdachte zonder noodzaak te boeien zijn die belangen geschonden. Het nadeel heeft volgens de verdediging (onder andere) bestaan uit het ondervinden van pijn. Ook heeft de verdachte moeten ondergaan dat hij publiekelijk met handboeien werd afgevoerd. Van enig nadeel is dan ook sprake en strafvermindering is op zijn plaats. Het gebruik van de handboeien is wel van beperkte duur geweest en de verdachte heeft geen letsel hierdoor opgelopen, zodat de rechtbank het vormverzuim slechts in beperkte mate in het voordeel van de verdachte zal meenemen bij de te bepalen duur van de strafmaat.

De op te leggen straf

De rechtbank overweegt dat de aard en ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die de duur van het voorarrest overstijgt, en/of een forse onvoorwaardelijke taakstraf rechtvaardigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit niet te doen.

De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd (met uitzondering van een contactverbod) door de reclassering, op. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarmee gelijk aan de duur van het voorarrest.

De oplegging van adequate hulp en begeleiding en (mogelijk) ambulante behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader acht de rechtbank de meest passende afdoening in deze zaak. Het is noodzakelijk dat het leven van de verdachte (meer) stabiliseert, zodat voorkomen wordt dat hij zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overstijgt, zal dit doorkruisen. Daarnaast moet de verdachte nog 160 uren taakstraf (voortkomend uit andere strafzaken) verrichten. De rechtbank schat in dat alleen al de medische situatie van de verdachte en de manier waarop hij daarmee omgaat, zal zorgen voor grote problemen in de uitvoering van deze taakstraffen. Het opleggen van nog meer uren aan taakstraffen acht de rechtbank niet passend en nodig. Het belang van vergelding is in deze zaak, zoals ook door de advocaat is bepleit, ondergeschikt. Dit betekent niet dat de verdachte geen gevolgen van zijn strafbare handelen heeft ondervonden. Zo heeft hij drie dagen in voorarrest gezeten en zal zijn auto, de Peugeot, verbeurd worden verklaard. Daarnaast staat de verdachte de komende twee jaar onder (strikt) reclasseringstoezicht en zal hij - als hij weer een strafbaar feit pleegt - 87 dagen naar de gevangenis moeten gaan.

6 In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

  • een Peugeot met kenteken: [kenteken] (3550954);

  • latex ballonnen (3614759);

  • 35 lachgascilinders (BZAT5736)

  • een contant geldbedrag van € 2.000,- (3455143).

Op de kennisgeving van inbeslagneming is benoemd dat het onder goednummer 3455143 geregistreerde contante geldbedrag € 2.200,- betreft. De politie gaat echter uit van een verkeerde telling. Het juiste contante geldbedrag is € 2.000,-.

6.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de lachgascilinders te onttrekken aan het verkeer en de Peugeot, de ballonnen en een contant geldbedrag van € 1.000,- verbeurd te verklaren. Het overige contante geldbedrag van € 1.000,- is het spaargeld van de verdachte en moet aan hem worden teruggegeven.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat vraagt de Peugeot niet verbeurd te verklaren, omdat de verdachte geen weet had van de aanwezigheid van lachgas. Volgens de verdachte is € 1.000,- van het contante geldbedrag (onder goednummer 3455143) ‘verfgeld’. De rest van dit geld is zijn spaargeld en moet aan hem worden teruggegeven.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

35 lachgascilinders en ballonnen

De rechtbank zal de lachgascilinders en de ballonnen (in combinatie bezien) onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het feit (onder parketnummer 16/297223-25) hiermee is begaan.

Een contant geldbedrag van € 1.000,- en de Peugeot met kenteken [kenteken]

In de Peugeot zijn de lachcilinders aangetroffen. Omdat deze Peugeot gebruikt is als opslagplek is het feit met behulp hiervan begaan en zal deze verbeurd worden verklaard.

De rechtbank zal ook een gedeelte van € 1.000,- (van het contante geldbedrag onder goednummer 3455143) verbeurdverklaren, omdat dit deel, zoals de verdachte erkent, ‘verfgeld’ betreft en dus afkomstig is uit enig misdrijf. Het feit onder parketnummer 16/402969-24 is hiermee begaan.

Een contant geldbedrag van € 1.000,-

De rechtbank vindt dat het overige deel van het contante geldbedrag van € 1.000,-, moet worden teruggegeven aan de verdachte, omdat dit zijn spaargeld is.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/032851-25 op 14 maart 2025 onder andere een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

7.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering afwijst en de proeftijd verlengt met één jaar.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de vordering af te wijzen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, zoals bewezen is verklaard in dit vonnis. In beginsel kan daarom tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden beslist.

Gelet op het rapport van de reclassering, de standpunten die op zitting naar voren zijn gebracht over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - in het bijzonder zijn (vermoedelijk) aanwezige licht verstandelijke beperking en zijn gezondheidsproblemen - én de straf die de rechtbank aan hem zal opleggen, is de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf niet passend.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding de proeftijd te verlengen, omdat deze nog enige tijd zal doorlopen en de verdachte ook in deze zaak een straf met een proeftijd opgelegd krijgt.

8 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit onder parketnummer 16/402969-24 en het feit onder parketnummer 16/297223-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen;

  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 87 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling] op het adres [adres 2] ( [postcode 2] ) in [plaats] ;

  • meewerkt aan verdiepingsdiagnostiek en, indien geïndiceerd, zich laat behandelen door een forensische ambulante zorginstelling, nader te bepalen door de reclassering. De diagnostiek bestaat onder andere uit testdiagnostiek. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Indien ambulante begeleiding passender is, dient de verdachte zijn medewerking hieraan te verlenen. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling of begeleiding;

  • verblijft in een nader te bepalen begeleid al dan niet beschermd wonen instelling of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Het verblijf start wanneer de reclassering dit geïndiceerd vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- geeft aan [instelling] de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • een Peugeot met kenteken [kenteken] (parketnummer 16/297223-25 en goednummer 3550954);

  • een contant geldbedrag van € 1.000,- (parketnummer 16/402969-24 en goednummer 3455143).

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

  • 35 lachgascilinders (parketnummer 16/297223-25 en goednummer BZAT5736);

  • ballonnen (parketnummer 16/297223-25 en goednummer 3614759);

- gelast de teruggave aan verdachte van het de volgende voorwerp:

 een contant geldbedrag van € 2.000,- (parketnummer 16/402969-24 en goednummer 3455143).

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/032851-25

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

16/402969-24 hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 december 2024 tot en met 19 december 2024, te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

(van) een geldbedrag van in totaal ongeveer 10.000 euro, althans een voorwerp

Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

16/297223-25 hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van ongeveer 68,075 kilogram (netto) distikstofmonoxide (lachgas), in elk geval een (grote) hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Bijlage 2:

De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van parketnummer 16/402969-24 1

De verdachte heeft op de zitting van 17 juli 2026 onder meer het volgende - samengevat en zakelijk weergegeven - verklaard:

Het klopt dat ik van 16 december 2024 tot en met 19 december 2024 besmeurd geld voorhanden heb gehad. Ik heb dit geld van een jongen op een feestje in Rotterdam gekregen. Ik zag dat er vlekken op het geld zaten. Ik moest dit geld inwisselen. Het geld wat ik verkreeg door het inwisselen moest ik aan hem teruggeven. Een deel van dit geld mocht ik houden. Ik dacht dat ik snel geld kon verdienen. Ik had het gevoel dat het niet helemaal klopte, maar daar heb ik niet naar geluisterd. Het klopt dat ik op 16, 17 en 18 december 2024 op beelden in de [winkelnaam] in [plaats] ben te zien. Ik heb daar een deel van het geld ingewisseld, door zekerheidswedstrijden te spelen bij de TOTO, waarbij ik een deel van het besmeurde geld gebruikte. Zo kreeg ik ‘schoon’ geld uitbetaald. Het klopt dat ik ook met een ander in de [winkelnaam] was. Dit is [B] . Ik heb [B] een deel van het besmeurde geld gegeven. Hij heeft dit geld toen ook ingezet bij de TOTO om uitbetaald te krijgen.2

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 19 december 2024 was ik aanwezig op de [adres 1] te [plaats] . Ik betrad de woning ter aanhouding van [verdachte] , [1998] , en ter doorzoeking van zijn kamer.

Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:

- 88 biljetten van 50,- euro. Op dit geld zaten donkere vlekken, gelijkend op inkt of verf. - één biljet van 100,- euro. Op dit biljet zaten donkere vlekken, gelijkend op inkt of verf;- één biljet van 5,- euro;3- 18 biljetten van 50,- euro en 65 biljetten van 20,- euro.

Tijdens de transportfouillering bij de verdachte:- 5x 50 euro en 2x 20 euro. Op dit geld zaten donkere vlekken, gelijkend op inkt of verf;- drie TOTO loten, van allen een inleg van 200 euro op 19 december 2024.4

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart aanvullend - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

In het NFI-rapport staat vermeld dat men aldaar niet vijvenzestig (65) coupures, maar vijvenvijftig (55) coupures van twintig (20) euro heeft ontvangen. Ik, verbalisant, ga uit van een verkeerde telling en zodoende van vijvenvijftig (55) coupures in plaats van vijvenzestig (65) coupures.5

Getuige [getuige] verklaart onder meer - samengevat en zakelijk weergeven - het volgende:

Ik was werkzaam bij de supermarkt [winkelnaam] gelegen aan de [adres 3] te [plaats] . Ik werd getipt door collega's dat er betaald werd met geld met inktvlekken. Ik ben toen op de camerabeelden gaan kijken en ik zag dat dit inderdaad zo was. Ik zag dat er zwarte of blauwe vlekken en randen op de biljetten zaten. Ik zag dat er op maandag 16 december voor 900 euro in de automaat is gestopt en op dinsdag 17 december 600 euro.6

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart onder meer - samengevat en zakelijk weergeven - het volgende:

Mij is ambtshalve bekend dat zogenaamd 'besmeurd' geld vrijwel zeker afkomstig is van gepleegde plofkraken op geldautomaten. Bij een plofkraak wordt veelvuldig door de banken zelf inkt ingezet om het buitgemaakte geld onbruikbaar te maken. Deze inkt komt vaak in meer of mindere terecht op (een gedeelte van) het buitgemaakte geld.7

Ten aanzien van parketnummer 16/297223-25 8

De verdachte heeft op de zitting van 17 juli 2026 onder meer het volgende - samengevat en zakelijk weergegeven - verklaard:

De dozen die op 5 november 2025 in [plaats] zijn aangetroffen in de witte Peugeot 107, heb ik met de Volkswagen Tiguan in Amsterdam opgehaald en vervolgens in de Peugeot gezet. De was een bewaarplek. Ik dacht dat er sowieso iets illegaals in de dozen zat. Zolang ik mijn geld kreeg, maakte dit mij niet uit.9

Verbalisant [verbalisant 3] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 5 november 2025 kwam ik ter plaatse op de [straat] . Ik zag een personenauto van het merk Volkswagen, type Tiguan. Ik zag dat de bestuurder van de Tiguan de mij ambtshalve bekende [verdachte] betrof.10 Ik zag dat er achter de Volkswagen Tiguan een wit kleurige Peugeot 107 geparkeerd stond met het kenteken [kenteken] .11 Ik liep naar de witte Peugeot 107 en zag via de achterruit meerdere dozen die ik herkende als verpakking van lachgas. Ik zag dat collega [.] een kleedje in de kofferbak opzij schoof. In de kofferbak trof ik hierna meerdere ongeopende dozen lachgas aan.12

De rechtbank heeft op de zitting van 17 juli 2026 op de foto bij bovengenoemd proces-verbaal (pagina 9) het volgende waargenomen:

Op de foto is een auto met geopende kofferbak te zien. Het kenteken van de auto is [kenteken] . In de kofferbak liggen gesloten dozen. Op een aantal dozen is te zien dat daarop een groen etiket met een pictogram van een gasfles en een geel etiket met een pictogram waarop een vlam boven een cirkel (‘een brandende o’) is aangebracht.

Verbalisant [verbalisant 4] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 5 november 2025 hoorde ik dat collega [verbalisant 3] in de kofferbak van de Peugeot 107 een grote hoeveelheid gesloten verpakking van lachgascilinders had aangetroffen. In totaal bleek dat het 35 gesloten verpakkingen van lachgascilinders betrof.

Na aankomst op het politiebureau keek ik in de mij beschikbaar gestelde systemen naar

eerdere registraties van [verdachte] met betrekking tot lachgas.

- 10 mei 2025: tijdens een controle in Den Haag is in het voertuig waar [verdachte] in reed 19 lachgascilinders aangetroffen in het voertuig;13

- 20 mei 2025: tijdens een doorzoeking in de woning van [verdachte] zijn in de badkamer 14 ongeopende dozen met lachgascilinders aangetroffen;

- 15 oktober 2025: tijdens een controle is er één lachgasfles aangetroffen in het voertuig waar [verdachte] in reed;

- 30 oktober 2025: bij een controle werd in de kofferbak van het voertuig waar [verdachte] in reed meerdere ballonnen aangetroffen en was de ruimte bestemd voor het reservewiel vochtig. Dit gaf de indruk dat er net een bevroren lachgascilinder had gelegen.14

Verbalisant [verbalisant 5] op 5 november 2025 verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 5 november 2025 reed ik de [straat] in [plaats] op. Ik zag dat er naast de witte Peugeot 107 een Volkswagen stond. Collega [verbalisant 3] zei tegen mij dat hij [verdachte] trof terwijl hij zich in dit voertuig bevond. Ik besloot het voertuig te doorzoeken. Hierbij zijn meerdere zakjes met zwarte ballonnen aangetroffen die ik herkende als zijnde de ballonnen die worden gebruikt bij het inhaleren van lachgas.15

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] verklaren - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Wij hebben 3 willekeurige dozen geopend.

Doos 1: Toen wij de doos openden zagen wij dat er een lachgascilinder in zat van het merk "FASTGAS". Wij zagen dat het stofidentificatienummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: UN1070, te weten distikstofmonoxide of lachgas. Wij zagen dat het E-nummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: E942, te weten: distikstofmonoxide of lachgas.

Wij zagen dat er op de lachgascilinder " PW120 PH180BAR 3.4KG 3.0L 2.96MM " stond vermeld. Ik plaatste de lachgascilinder op een geijkte weegschaal en wij zagen dat het totaalgewicht van de lachgascilinder 5322 kilogram betrof. Wij zagen op het productlabel dat de lege cilinder 3400 kilogram weegt. Het totaalgewicht van de lachgascilinder (5322 kilogram) minus het ledig gewicht (3400 kilogram) betreft de totale netto inhoud van de lachgascilinder. Dit komt neer op 1922 kilogram lachgas.

Doos 2: Toen wij de doos openden zagen wij dat er een lachgascilinder in zat van het merk

"FASTGAS". Wij zagen dat het stofidentificatienummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: UN1070, te weten distikstofmonoxide of lachgas. Wij zagen dat het E-nummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: E942, te weten: distikstofmonoxide of lachgas.

Wij zagen dat er op de lachgascilinder " PW120 PH180BAR 3.4KG 3.0L 2.96MM " stond

vermeld. Ik plaatste de lachgascilinder op een geijkte weegschaal en wij zagen dat het totaalgewicht van de lachgascilinder 5364 kilogram betrof. Wij zagen op het productlabel dat de lege cilinder 3400 kilogram weegt. Het totaalgewicht van de lachgascilinder (5364 kilogram) minus het ledig gewicht (3400 kilogram) betreft de totale netto inhoud van de lachgascilinder. Dit komt neer op 1964 kilogram lachgas.

Doos 3: Toen wij de doos openden zagen wij dat er een lachgascilinder in zat van het merk

"FASTGAS". Wij zagen dat het stofidentificatienummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: UN1070, te weten distikstofmonoxide of lachgas. Wij zagen dat het E-nummer wat op de lachgascilinder staat vermeld, het navolgende nummer betreft: E942, te weten: distikstofmonoxide of lachgas.16

Wij zagen dat er op de lachgascilinder " PW120 PH180BAR 3.4KG 3.0L 2.96MM " stond

vermeld. Dit betreft de inhoud van de lachgascilinder. Ik plaatste de lachgascilinder op een geijkte weegschaal en wij zagen dat het totaalgewicht van de lachgascilinder 5350 kilogram betrof. Wij zagen op het productlabel dat de lege cilinder 3400 kilogram weegt. Het totaalgewicht van de lachgascilinder (5350 kilogram) minus het ledig gewicht (3400 kilogram) betreft de totale netto inhoud van de lachgascilinder. Dit komt neer op 1950 kilogram lachgas.

Toen wij de andere dozen openden zagen wij dat ook hierin zich lachgascilinders bevonden. Aangezien alle dozen ongeopend waren en er daadwerkelijk in alle dozen zich een lachgascilinder bevond, concludeerden wij dat alle lachgascilinders vol waren. Hierdoor komt het totaalgewicht van alle lachgascilinders neer op (35 keer een gemiddelde van 1945 kilogram lachgas per lachgascilinder) 68.075 kilogram lachgas.17

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »