RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11955638 \ CV EXPL 25-4779
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.C.W. Stoffelen,
tegen
1 [naam gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] (Duitsland),2. [naam gedaagde sub 2],
te [woonplaats] (Duitsland),3. [naam gedaagde sub 3],
te [woonplaats] (Duitsland),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] cs, en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het Europees betalingsbevel- de conclusie van antwoord
- de beschikking van 30 september 2025 van de rechtbank Den Haag, waarbij de zaak is verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] cs huurt of huurde vanaf 1 januari 2021 van [eiseres] 10 paardenboxen met aanhorigheden zoals een paardenrijbak. [gedaagde] stalt paarden in de paardenboxen.
Een van de paarden heeft een drinkvoorziening in de stal beschadigd.
[eiseres] en [gedaagde sub 1] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is afgesproken dat [gedaagde sub 1] een bedrag van € 10.000,00 betaalt in maandelijkse termijnen van steeds € 800,00.
Er is eenmaal een bedrag van € 800,00 betaald.
3 Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] cs tot betaling van € 12.531,42, vermeerderd met rente en kosten. Het bedrag bestaat uit € 10.000,00 aan hoofdsom, € 1.660,52 aan rente tot en met 17 juni 2025 en € 871,00 aan kosten.
[gedaagde] cs voert verweer, waarbij zij aangeeft niets meer verschuldigd te zijn aan [eiseres] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
In deze procedure gaat het om de vraag of [gedaagde] cs dan wel een van de afzonderlijke gedaagden nog (een bedrag) aan [eiseres] moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niets hoeven te betalen en dat de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 1] kan worden toegewezen. Dit zal hierna worden uitgelegd.
Uit de stellingen van [eiseres] begrijpt de kantonrechter dat zij de aansprakelijkheid van [gedaagde] cs baseert op de huurovereenkomst. Zij stelt dat alle drie de gedaagden gezamenlijk de huurovereenkomst hebben gesloten en daarmee als huurders gebonden zijn aan deze contractuele rechtsverhouding. Echter, [eiseres] verliest hierbij uit het oog dat zij ter zake de geleden schade een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met alleen [gedaagde sub 1] . De vordering, zoals deze is ingesteld, is gebaseerd op deze vaststellingsovereenkomst. Dit houdt in dat zij alleen nakoming kan vorderen van [gedaagde sub 1] . De vaststellingsovereenkomst is niet met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gesloten, zodat er geen vorderingsrecht bestaat op deze gedaagden. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoeven daarom niets te betalen, zodat de vordering op hen wordt afgewezen.
Dit is anders voor [gedaagde sub 1] . Zij heeft zich contractueel verbonden om een bedrag van € 10.000,00 te betalen in maandelijkse termijnen van € 800,00. Vast staat dat er eenmaal € 800,00 is betaald, zodat € 9.200,00 resteert te voldoen. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat er geen rechtsgrond is voor de gevorderde betaling passeert de kantonrechter. De rechtsgrond is immers gelegen in de gesloten vaststellingsovereenkomst.
[gedaagde sub 1] verzoekt verder aan [eiseres] om een schriftelijke bevestiging te overleggen van [naam grondverzetbedrijf] dat hij van haar € 10.000,00 heeft ontvangen. De kantonrechter begrijpt het doel van dit verweer niet en welk rechtsgevolg dit zou moeten hebben. Voor zover zij betwist dat de schade € 10.000,00 bedraagt, wijst de kantonrechter haar op de vaststellingsovereenkomst. Op grond daarvan heeft [gedaagde sub 1] zich verplicht aan [eiseres] te betalen. Wat [eiseres] vervolgens aan [de grondverzetter] betaald heeft, is niet van belang. Dit is iets tussen [eiseres] en [de grondverzetter] en dit staat los van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] .
[gedaagde sub 1] geeft verder aan dat zij een bedrag van € 4.814,17 aan [de grondverzetter] heeft betaald. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, is het de kantonrechter ook hier niet duidelijk wat [gedaagde sub 1] met dit verweer bedoelt. Voor zover zij al zou bedoelen dat zij te veel heeft betaald, dan wel dat de vaststellingsovereenkomst aangepast of vernietigd moet worden, dan is hiervoor te weinig onderbouwd aangevoerd. [gedaagde sub 1] stelt wel dat zij een totaalbedrag van € 15.807,69 heeft betaald aan [eiseres] , maar toont dit verder niet aan. Bovendien is dit verweer pas bij dupliek gevoerd en dit is in strijd met het vereiste concentratie van verweer.1 Met dit verweer kan daarom geen rekening worden gehouden. [gedaagde sub 1] heeft ook geen bewijs van haar stellingen aangeboden, zodat zij niet tot bewijslevering kan worden toegelaten.
Na eerst een bedrag aan rente te hebben gevorderd, blijkt uit het petitum van de conclusie van repliek dat [eiseres] de wettelijke rente over € 9.200,00 vanaf de datum van verzuim vordert. Wanneer verzuim is ingetreden, is door [eiseres] niet gesteld. Hiermee heeft zij niet voldaan aan de stelplicht. De kantonrechter zal daarom de wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van ontvangst van het Europees betalingsbevel op 17 juni 2025.
[eiseres] vordert in het betalingsbevel een bedrag van € 871,00 aan kosten. Een specificatie of aanduiding waar dit bedrag op ziet, is niet gegeven. Voor zover dit deel van de vordering moet worden begrepen als een vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden geldt het volgende. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW niet overgelegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan over te leggen. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen, omdat de kantonrechter niet kan controleren of een correcte aanmaning is verstuurd.
[gedaagde sub 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
257,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
864,00 |
(2 punten × € 432,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.265,00 |
[eiseres] is ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet op een zitting zijn verschenen, hebben zij geen reis- en verletkosten gemaakt. De proceskosten worden daarom begroot op nihil. Een veroordeling behoeft daarom niet uitgesproken te worden.
5 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] af,
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.265,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
plg