ECLI:NL:RBAMS:2026:9432

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/13/783043 / HA ZA 26-105
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tweede incident opgeworpen na rolverwijzing voor conclusie van antwoord. Incidentele vorderingen moeten zoveel mogelijk tegelijk worden ingesteld, artikel 208 lid 3 Rv. Strijd met goede procesorde. Afwijzing onbevoegdheidsincident, primaire vordering bij dagvaarding is meer dan de competentiegrens van € 25.00, artikel 93 sub a Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/783043 / HA ZA 26-105

Vonnis in incident van 30 september 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats 1],

eisende partijen in de hoofdzaak,

verwerende partijen in het incident,

hierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers],

advocaat: mr. R. van Kersbergen,

s

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. J.J.F. van de Voort.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 1 juli 2026 van deze rechtbank, met de daarin vermelde stukken;

- de incidentele conclusie van [gedaagde] houdende verwijzing naar de kamer voor kantonzaken, tevens houdende conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met producties;

- de conclusie van antwoord in incident met een aanvullende productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Korte samenvatting van de hoofdzaak

2.1.

Deze zaak gaat over geldleningen die [eisers] heeft verstrekt aan [gedaagde].

2.2.

Tussen [eiser 1] en [gedaagde] zijn drie geldleningen tot stand gekomen, te weten: lening A van € 5.000,-, lening B van 500.000 Indiase Roepie en lening C van 800.000 Indiase Roepie. Tussen [eisers] enerzijds en [gedaagde] en zijn echtgenote anderzijds is ook een geldlening tot stand gekomen, te weten: lening D van € 20.000,-.

2.3.

In de periode van 2021 tot en met 2025 heeft [gedaagde] in totaal € 7.500,- en 600.000 Indiase Roepie terugbetaald aan [eiser 1]. De echtgenote van [gedaagde] heeft in totaal € 2.000,- terugbetaald aan [eisers]

2.4.

[eisers] vordert terugbetaling van de openstaande bedragen, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. De primaire vordering van [eisers] bedraagt op de datum van de dagvaarding (op 29 januari 2026):

  • lening A: € 5.000,-;

  • lening C: 24.769,90 Indiase Roepie (koers € 0,009071 = € 224,69);

  • lening D: € 19.500,-;

  • vermeerderd met de wettelijke rente;

  • buitengerechtelijke incassokosten ten aanzien van [eiser 1] € 946,83;

  • buitengerechtelijke incassokosten ten aanzien van [eisers] € 1.173,-.

In totaal € 26.845,22.

2.5.

[eisers] heeft haar primaire vordering als volgt onderbouwd. Volgens [eisers] is lening C vermeerderd met contractuele rente door betaling van de 600.000 Indiase Roepie volledig voldaan. De overige aflossingen van [gedaagde] rekent [eisers] toe aan de meest bezwarende lening, te weten lening C met een hoofdsom van 800.000 Indiase Roepie. [eisers] heeft de aflossingen in euro’s omgerekend naar Indiase Roepie op basis van de ECB-referentiekoers op de betaaldatum. Op lening C resteert volgens [eiser 1] 24.769,90 Indiase Roepie. Omdat alle betalingen zijn aangewend ter aflossing van lening C, blijft lening A van € 5.000,- volledig openstaan.

2.6.

De door de echtgenote van [gedaagde] verrichte betaling strekt volgens [eisers] op de geldlening die zij samen met [gedaagde] is aangegaan, te weten lening D. Deze lening bedraagt inclusief contractuele rente € 21.500,- zodat na aflossing van € 2.000,- een bedrag resteert van € 19.500,-.

3 Het geschil in het incident

3.1.

[gedaagde] vordert in het incident – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank,

- [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] heeft aan zijn vordering het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is het niet eens met de toerekening van de afgeloste bedragen op de geldleningen. Volgens [gedaagde] moeten de geldleningen in Indiase Roepie (leningen B en C) worden onderscheiden van de leningen in Euro’s (leningen A en D). Alle aflossingen in Indiase Roepie hebben uitsluitend betrekking op leningen B en C en alle betalingen in Euro’s hebben uitsluitend betrekking (gehad) op leningen A en D. Verder heeft [gedaagde] tot en met oktober 2021 rente betaald, maar partijen zijn nadien overeengekomen dat er niet langer contractuele rente verschuldigd is vanaf november 2021. Dit betekent dat openstaat:

  • lening A: € 5.000,-;

  • lening C: 700.000 Indiase Roepie (koers per 28 juli 2026 = € 6.432,08);

  • lening D: € 10.500,-;

  • buitengerechtelijke incassokosten ten aanzien van [eiser 1] € 994,32. Het stapelen van buitengerechtelijke incassokosten is niet toegestaan volgens [gedaagde].

In totaal € 22.926,40. Op grond van artikel 93 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is derhalve de kantonrechter bevoegd, aldus [gedaagde].

3.3.

[eisers] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde], met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de werkelijke kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Allereerst voert [eisers] aan dat [gedaagde] in strijd handelt met artikel 128 lid 3 Rv en met de door de rechtbank bepaalde rolhandeling door een tweede incident op te werpen, terwijl op zijn eerste incident reeds is beslist door de rechtbank. Daarnaast voert [eisers] aan dat voor de bepaling van de absolute competentiegrens dient te worden uitgegaan van de vordering zoals zij die heeft ingesteld en niet de door [gedaagde] weergegeven berekening.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Artikel 208 lid 3 Rv bepaalt dat incidentele vorderingen zoveel mogelijk tegelijk worden ingesteld. [gedaagde] heeft eerder in de procedure een incidentele vordering tot oproeping van een derde ingesteld (hierna: het eerste incident ). Deze rechtbank heeft op 1 juli 2026 daarop beslist en de incidentele vordering afgewezen.

4.2.

Het had van [gedaagde] verwacht mogen worden om het onbevoegdheidsincident voorafgaand of in ieder geval tegelijk met het eerste incident op te werpen. Dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] heeft ook nagelaten in onderhavig incident aan te geven waarom zij dat niet heeft gedaan. Met [eisers] is de rechtbank van oordeel dat door deze handelwijze van [gedaagde] de procedure onnodig is vertraagd. Bovendien is het in strijd met de goede procesorde om op de wijze zoals [gedaagde] heeft gedaan twee incidenten achter en los van elkaar te voeren, terwijl de zaak reeds was verwezen voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

4.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank het onbevoegdheidsincident alsnog zal moeten behandelen, aangezien dit vraagstuk de absolute competentiegrens raakt.

4.4.

Op grond van artikel 93 sub a Rv is de kantonrechter bevoegd om zaken te behandelen en te beslissen betreffende een vordering met een beloop van ten hoogste € 25.000,-. De rente tot aan de dagvaarding en de buitengerechtelijke kosten moeten worden meegerekend voor de vraag of de vordering al dan niet hoger is dan € 25.000,-. De rente vanaf de dagvaarding en de proceskosten tellen niet mee voor het bepalen van de competentie. Hieruit volgt ook dat de datum van dagvaarding als peildatum geldt voor de hoogte van de vordering.

4.5.

De incidentele vordering tot verwijzing zal worden afgewezen, omdat de in de hoofdzaak primair gevorderde hoofdsom, vermeerderd met de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de gevorderde rente meer is dan het bedrag van € 25.000,- (zie r.o. 2.4). Terecht hanteert [eisers] daarbij de wisselkoers op de datum van dagvaarding.

4.6.

In de hoofdzaak bestaat tussen partijen discussie over de vraag op welke lening de afgeloste bedragen van [gedaagde] en de echtgenote van [gedaagde] in mindering moet worden gebracht. [gedaagde] meent dat de wijze van toerekening door [eisers] niet klopt en dat zij daarom op een hoger bedrag aan openstaande schuld uitkomt. Dit neemt niet weg dat de primaire vordering van [eisers] op de datum van de dagvaarding boven de competentiegrens ligt. De verder inhoudelijke discussie over de toerekening en de vraag of contractuele rente wel of niet verschuldigd is, zal in de hoofdzaak moeten worden gevoerd.

4.7.

[gedaagde] zal in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De rechtbank is het met [eisers] eens dat [gedaagde] dit onbevoegdheidsincident ook in het eerste incident had kunnen opwerpen. Echter ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke proceskosten, omdat [eisers] ook dan verweer had moeten voeren tegen het incident en deze kosten dus niet nodeloos zijn veroorzaakt. De proceskosten worden daarom op de gebruikelijke wijze begroot. Dat betekent 1 punt × € 653,00 en € 189,00 aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing, dus in totaal € 842,00.

4.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

5.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3.

Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.

5.4.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.

5.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.5.

beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.6.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

6.7.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 oktober 2026 voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2026 en januari tot en met maart 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

6.8.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

6.9.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.10.

wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minuten zal worden uitgetrokken,

6.11.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »