ECLI:NL:RBGEL:2026:7947

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
05.019444.25+16.087816.25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling tot een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar onder de algemene voorwaarde. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf van 40 uur op. De rechtbank houdt bij de strafoplegging o.a. rekening met een overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05/019444-25 en 16/087816-25 (gev. ttz.)

Datum uitspraak : 13 oktober 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,

wonend aan [adres] in [woonplaats] ,

raadsman: mr. J.M. van Dam, advocaat in Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 05/019444-25

1.

hij op of omstreeks 6 november 2024 te Brummen, gemeente Brummen, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf

om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond,

een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s)

zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading,

dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk

om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak,

verbreking, inklimming,

de (achter)deur van de woning en/of het kozijn van die deur heeft/hebben

geforceerd en/of beschadigd en/of vernield en/of het slot van het badkamerraam

heeft/hebben verbroken en/of geforceerd en/of de woning is/zijn ingeklommen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de zaak met parketnummer 16/087816-25

1.

hij op of omstreeks 30 mei 2022 te Zeist,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een

woning aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich

buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

- één of meerdere sieraden,

- één of meerdere horloges,

- één of meerdere paren schoenen,

- één of meerdere kledingstukken,

- één of meerdere sets Apple AirPods (Pro),

- een Apple Watch,

- een Apple Macbook,

- een tas,

- een zonnebril,

- een geldbedrag (van ongeveer 1.500 euro),

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of

een valse sleutel;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 7 april 2023 en 8 april 2023 te Zeist

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

enig goed, dat geheel of ten dele aan [organisatie] , in elk geval aan een

ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van

braak, het raam van de (sport)kantine heeft ingegooid met een baksteen en/of vervolgens

die (sport)kantine heeft betreden en/of de kassa heeft opengebroken, althans beschadigd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode tussen 7 april 2023 en 8 april 2023 te Zeist

opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een kassa, in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [organisatie] , in elk geval aan een ander

toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2 Overwegingen over het bewijs

In de zaak met parketnummer 05/019444-25

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld het dossier niet voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot inbraak. Zij heeft de rechtbank daarom gevraagd om [verdachte] vrij te spreken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om [verdachte] vrij te spreken van de ten laste gelegde poging tot inbraak vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de poging tot inbraak in Brummen op 6 november 2024. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van dit feit.

In de zaak met parketnummer 16/087816-25 1

FEIT 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 mei 2022 werd ingebroken in een woning aan [adres] in Zeist. Geen van de bewoners was op dat moment in de woning. Bij deze inbraak werd een ruit ingeslagen en zijn meerdere sieraden, horloges, paren schoenen en kledingstukken weggenomen. Ook zijn een set Apple Airpods en een set Apple Airpods Pro, een Apple Watch, een Apple Macbook, een tas, een zonnebril en een geldbedrag van ongeveer € 1.500,- weggenomen. Deze goederen behoorden toe aan aangever [aangever 2] en zijn familie.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder 1. Zij heeft de rechtbank gevraagd om [verdachte] partieel vrij te spreken voor wat betreft het ten laste gelegde medeplegen. Voor het bewijs heeft de officier van justitie verwezen naar de verklaringen van [aangever 2] en [getuige] , de processen-verbaal over het sporenonderzoek van de politie en de resultaten van het forensisch DNA-onderzoek.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft aangevoerd dat de herkenning van [verdachte] door [aangever 2] niet bruikbaar is, omdat de beelden ontbreken in het dossier en de herkenning daardoor niet getoetst kan worden. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de DNA-match is gebaseerd op veiliggesteld DNA dat afkomstig was van het glas, niet van de tape op het glas. Het aangetroffen DNA hoeft volgens de raadsman niet per se verband te houden met de inbraak.

De beoordeling door de rechtbank

Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat hij op maandag 30 mei 2022 rond 15:15 uur aankwam bij de [adres] flat in Zeist. Hij zag dat een onbekende jongeman stond te bellen bij de draaischijf van de centrale deur. Op het moment dat [getuige] de deur opende met zijn sleutel, zag hij dat de jongeman aanbelde bij nummer [nummer] van de [adres] flat.3

Op woensdag 1 juni 2022 heeft aangever [aangever 2] bij de beheerder van de [adres] flats camerabeelden bekeken van de hoofdingang van de flat van maandag 30 mei 2022. [aangever 2] zag dat er een jongen naar de bel liep en aanbelde bij de centrale deur. De jongen droeg een capuchon. Op het moment dat de buurman van [nummer] (getuige [getuige] ) aan kwam lopen, moest hij zich even omdraaien. [aangever 2] herkende de jongen aan zijn broek en zijn schoenen. Ook herkende hij de jongen aan zijn loopje. Op het moment dat de jongen zich omdraaide, herkende [aangever 2] de jongen voor 100 procent als [verdachte] van [adres] in Zeist. [aangever 2] kent [verdachte] uit de wijk [plaats] , waar hij en [verdachte] allebei zijn opgegroeid. [aangever 2] zag [verdachte] regelmatig bij het VOP (jongerencentrum) in [plaats] .4

[verdachte] heeft op de terechtzitting verklaard dat hij wel eens in het jongerencentrum kwam en dat hij daar ook wel eens [aangever 2] heeft gezien.5

Door de politie is sporenonderzoek uitgevoerd na de inbraak. Toegang tot de flat is alleen mogelijk met een sleutel of door het openen van de deur van binnenuit of vanuit de woningen in de flat. Van de woning van [aangever 2] was het slaapkamerraam volledig afgeplakt met stukken tape. In dat raam zat een gat. Uit het proces-verbaal van het forensisch onderzoek bij de woning blijkt dat de verbalisant alle tape van het kapotte raam zoveel mogelijk heeft verwijderd en heeft geprobeerd in zijn geheel veilig te stellen. De verbalisant heeft de tape met daaraan nog glasscherven veilig gesteld en in beslag genomen onder SIN AAPE6891NL.6

Uit het proces-verbaal vooronderzoek lab blijkt dat de sporendrager met SIN AAPE6891NL vervolgens is onderzocht op biologische en dactyloscopische sporen. De verbalisanten beschrijven dat het gaat om meerdere lange stroken grijskleurige ducttape met aan de plakzijde glasscherven. Hiervan zijn de onregelmatigheden bij de uiteinden van de stukken tape bemonsterd op humaan biologische sporen. Het spoor werd veilig gesteld en gewaarmerkt met SIN AAPD5222NL.7

Uit de deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek met aanvraagdatum 11 juli 2022 blijkt dat van het spoor met SIN AAPD5222NL een DNA-profiel is opgesteld. Dit DNA-profiel is van onbekende man B. Uit de bijlage bij NFI zaaknummer 2025.01.03.016 met informatie over DNA profielcluster 55944, blijkt vervolgens dat het DNA-profiel van SIN AAPD5222NL matcht met het DNA van [verdachte] , waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard.8

De rechtbank leidt uit de resultaten van het forensisch onderzoek af dat het DNA van [verdachte] is aangetroffen op de tape met glasscherven. Bovendien is gezien dat [verdachte] op de dag van de inbraak bij de hoofdingang van de flat was en heeft aangebeld bij het huis van [aangever 2] , waarmee vastgesteld kan worden dat [verdachte] op de dag van de inbraak in de buurt is geweest van de plaats delict. [verdachte] heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven waar dit wel van hem verwacht kan worden.

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in samenhang bezien, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde inbraak. De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de betrokkenheid van een mededader. Daarom spreekt zij [verdachte] vrij van het medeplegen.

FEIT 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode tussen 7 april 2023 en 8 april 2023 werd ingebroken in de (sport)kantine van [organisatie] in Zeist. Het raam van de kantine werd daarbij ingegooid met een baksteen. [verdachte] was die avond aanwezig in de sportkantine. Hij was daar gewond geraakt, waardoor hij op diverse plekken in de kantine bloedsporen achterliet. Er zat bloed op de kassa en deze was geopend en beschadigd. Er zat geen geld in de kassa.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde poging tot inbraak. Zij heeft daarbij verwezen naar de aangifte, het bloedspoor op de kassa, de resultaten van het DNA-onderzoek en de verklaring die [verdachte] heeft afgelegd tijdens de zitting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op het moment van de inbraak in de sportkantine van [organisatie] in Zeist is geweest. [verdachte] heeft hierover tijdens de zitting verklaard dat hij met anderen zat te chillen bij de [organisatie] . Op enig moment werd door een andere jongen het raam kapot gemaakt met een baksteen, waarna [verdachte] door een aantal jongens door het raam naar binnen werd geduwd. [verdachte] raakte hierbij naar eigen zeggen gewond, waardoor hij bloed verloor. [verdachte] is gaan rondlopen in de kantine om een papiertje te zoeken voor zijn verwonding. Hij had niet de intentie om iets weg te nemen uit de kantine. [verdachte] heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de enige persoon was die op die avond gewond was geraakt.10

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [verdachte] die avond of nacht in de sportkantine was met het oogmerk om zich goederen wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, omdat uit de aangifte blijkt dat de ochtend na de inbraak door aangever bloed werd aangetroffen op de kassa. De kassa was open gemaakt en daarbij beschadigd geraakt. Uit forensisch onderzoek op de plaats delict blijkt verder dat onder meer op de opening van de kassa, waar normaal gesproken de kassalade zit, een bloedspoor werd veilig gesteld. Het DNA-profiel dat werd afgeleid uit de bloedsporen die werden gevonden in de kantine van [organisatie] matcht met het DNA van [verdachte] , waarbij de matchkans kleiner is dan één op één miljard. Aangezien [verdachte] heeft verklaard dat hij als enige gewond is geraakt die avond, kan ook hierdoor worden geconcludeerd dat het bloed op de kassa alleen van [verdachte] kan zijn geweest.11

Gelet op de bloedsporen op de kassa vindt de rechtbank de verklaring van [verdachte] dat hij niet de intentie had om iets weg te nemen uit de kantine ongeloofwaardig. Als [verdachte] daadwerkelijk alleen op zoek was naar een doek of papiertje om het bloeden te stelpen, had hij niets te zoeken bij de kassa. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde poging tot inbraak.

3 De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:

in de zaak met parketnummer 16/087816-25

1.

hij op of omstreeks 30 mei 2022 te Zeist,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten een

woning aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich

buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

- één of meerdere sieraden,

- één of meerdere horloges,

- één of meerdere paren schoenen,

- één of meerdere kledingstukken,

- één of meerdere sets Apple AirPods (Pro),

- een Apple Watch,

- een Apple Macbook,

- een tas,

- een zonnebril,

- een geldbedrag (van ongeveer 1.500 euro),

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of

een valse sleutel;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 7 april 2023 en 8 april 2023 te Zeist

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

enig goed, dat geheel of ten dele aan [organisatie] , in elk geval aan een

ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van

braak, het raam van de (sport)kantine heeft ingegooid met een baksteen en/of vervolgens

die (sport)kantine heeft betreden en/of de kassa heeft opengebroken, althans beschadigd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 16/087816-25

feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak ;

feit 2:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak .

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur en een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van één jaar onder de algemene voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, moet van het onvoorwaardelijke deel van de straf worden afgetrokken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de schending van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie geëiste jeugddetentie, maar hij vindt het niet meer passend om daarnaast nog een werkstraf aan [verdachte] op te leggen. De raadsman heeft er hierbij op gewezen dat [verdachte] in het kader van de schorsing heeft meegewerkt aan het ITB Harde Kern traject van de jeugdreclassering en dat dit behoorlijk wat impact heeft gehad op zijn leven.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:

  • het uittreksel justitiële documentatie van 13 augustus 2026 (het strafblad),

  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 24 september 2026,

  • het psychologisch rapport Pro Justitia van drs. L. Aa van 19 mei 2025.

In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Strafblad

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Na het plegen van de feiten die in deze strafzaak aan de rechtbank ter beoordeling voorliggen, is [verdachte] nog veroordeeld voor een ander strafbaar feit. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 Sr).

De ernst van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in 2022 en een poging tot inbraak in 2023. Bij de inbraak in 2022 werd toegang tot een woning verkregen door een ruit in te slaan, waarna de woning overhoop werd gehaald en er veel goederen werden weggenomen. Bij de poging tot inbraak in 2023 werd toegang verkregen tot de sportkantine van een [organisatie] , opnieuw door een ruit in te slaan. In de sportkantine zijn geen goederen weggenomen, maar er is wel veel braakschade ontstaan. Door zijn handelen heeft [verdachte] inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de bewoners van de woning en de beheerders/gebruikers van de sportkantine. Bovendien zorgen inbraken als deze voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij. Feiten zoals deze rechtvaardigen vanwege hun ernst een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie.

De strafbare feiten zijn gepleegd in een periode waarin [verdachte] omging met vrienden die geen goede invloed op hem hadden en het naar eigen zeggen niet zo goed met [verdachte] ging. Tijdens de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij niets met de woninginbraak te maken heeft gehad. Over de inbraak in de kantine van de [organisatie] heeft [verdachte] verklaard dat hij niet de intentie had om goederen weg te nemen. De rechtbank vindt de verklaringen van [verdachte] gelet op het bewijs niet geloofwaardig en betreurt dat [verdachte] geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

De rechtbank constateert dat de bewezen verklaarde feiten enkele jaren geleden zijn gepleegd. Door een DNA-hit werd in januari 2025 duidelijk dat [verdachte] betrokken was bij deze feiten, waarna hij in diezelfde maand werd verhoord. Gelet op de tijd die sindsdien is verstreken, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het advies van de deskundige

[verdachte] is onderzocht door een psycholoog. Deze deskundige heeft gerapporteerd dat bij [verdachte] sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een beneden gemiddeld perceptueel redenatievermogen, een zeer trage verwerkingssnelheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De normoverschrijdende gedragsstoornis, het beneden gemiddeld perceptueel redenatievermogen en de zeer trage verwerkingssnelheid gaan in het algemeen gepaard met problemen in het gedrag, het geweten, de emotionele verwerking en het verwerken van informatie. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten waren deze stoornis en beperkingen aanwezig. Doordat [verdachte] het tenlastegelegde ontkent, is het niet mogelijk om vast te stellen in hoeverre de stoornis van invloed is geweest op zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde. Vanuit het geïntegreerde eindoordeel (SAVRY en SAPROF) wordt de inschatting gemaakt dat er sprake is van een hoog recidive-risico.

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad heeft over [verdachte] gerapporteerd dat hij bij zijn moeder woont in [woonplaats] . Hij heeft een oudere broer en zus die niet meer thuis wonen. De vader van [verdachte] is in juni 2025 overleden. Inmiddels is [verdachte] meerderjarig. Omdat er geen contact is geweest met [verdachte] of zijn moeder, is niet bekend hoe hij zijn dagen invult en welke toekomst hij voor ogen heeft. In de afgelopen periode zijn er geen nieuwe verdenkingen van vermogensfeiten bij gekomen. Wel ligt er een verdenking van openlijk geweld, gepleegd op 27 juli 2026.

[verdachte] heeft lange tijd een intensief begeleidingskader van ITB Harde Kern met elektronische monitoring gehad. Uiteindelijk vond er een terugmelding plaats, omdat [verdachte] zich niet aan de bijzondere voorwaarde over dagbesteding hield. [verdachte] stelde zich niet begeleidbaar op. Het opnieuw opleggen van bijzondere voorwaarden en begeleiding door de jeugdreclassering heeft volgens de Raad geen meerwaarde. De Raad overweegt dat wellicht bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel met algemene voorwaarden de volwassen reclassering van Reclassering Nederland mogelijkheden ziet om [verdachte] te begeleiden. De Raad is van mening dat het passend is dat de zaak wordt afgedaan, zodat [verdachte] de gevolgen van zijn gedrag ervaart.

De conclusie van de rechtbank

Alles afwegende vindt de rechtbank de straf zoals geëist door de officier van justitie passend voor [verdachte] . Vanwege de ouderdom van de feiten vindt de rechtbank het niet passend [verdachte] een straf op te leggen die betekent dat hij nog een tijd jeugddetentie moet ondergaan. Het gaat echter wel om ernstige feiten en eerder is aangegeven door de deskundigen dat bij [verdachte] sprake is van een hoog recidiverisico. Daarom vindt de rechtbank dat [verdachte] nog een gevolg moet ondervinden van zijn handelen en dat ook een proeftijd op zijn plek is. Zij legt [verdachte] daarom een werkstraf van 40 uur op en daarnaast een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht moet van de jeugddetentie worden afgetrokken.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

In de zaak met parketnummer 05/019444-25

De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de ten laste gelegde inbraak een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.174,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard in verband met de gevorderde vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en de rechtbank gevraagd om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

In de zaak met parketnummer 16/087816-25

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met de ten laste gelegde inbraak een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 11.514,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

Net als de officier van justitie heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd, omdat aangegeven is dat de verzekering een schadevergoeding heeft uitgekeerd maar niet duidelijk is op welke schade die uitkering ziet. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting voor het strafproces inhouden, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart in zijn vordering. Indien gewenst kan de benadeelde partij de vordering nog voorleggen aan de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en is gegrond op de artikelen 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt [verdachte] vrij van het onder parketnummer 05/019444-25 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat [verdachte] de onder parketnummer 16/087816-25 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen wat [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

  1. een taakstraf, te weten een werkstraf van 40 (veertig) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

  2. een jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 bepaalt dat van die jeugddetentie 24 dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

 stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast, onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;

 verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Bril (kinderrechter en voorzitter), mr. M.G.J. Post en

mr. M.W. Stoet, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »