beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/470124 / FZ RK 26-1938
Datum uitspraak: 25 september 2026
beschikking provisionele voorziening
in de zaak van
[de man] (hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken te Breda,
tegen
[de vrouw] (hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.
1 Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift ingekomen bij de griffie op 10 juli 2026;
- het verweerschrift ingekomen bij de griffie op 31 augustus 2026;
- het F9-bericht met producties en een brief met daarin het gewijzigde verzoek van mr. Berckel-van der Rijken van 7 september 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling van 10 september 2026:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2 De feiten
De vrouw is de moeder van [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] .
De vrouw heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3 Het geschil
De man verzoekt, na wijziging, om bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] wekelijks gedurende twee tot drie dagen bij de man verblijft, inclusief overnachting. De vrouw brengt [minderjarige] dan naar [woonplaats] en de man brengt hem terug naar de woning van de vrouw. Op termijn dient deze regeling te worden uitgebreid. Daarnaast wil de man wekelijks een FaceTime moment met [minderjarige] vastleggen. Dit zou kunnen plaatsvinden wekelijks op vrijdag, op een voor beide partijen geschikt tijdstip in onderling overleg te bepalen.
De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank om het verzoek van de man af te wijzen.
Op de standpunten van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna worden ingegaan.
4 Het advies van de Raad
De Raad adviseert om [minderjarige] en de man één keer per week een kort FaceTime-moment met elkaar te laten hebben, gelet op het family life dat [minderjarige] met de man heeft gehad. De door de man verzochte regeling is op dit moment echt te veel gevraagd. Daarbij is het voor het vaststellen van een omgangsregeling of zorgregeling van belang dat het vaderschap duidelijk is. Het is voor de Raad niet mogelijk om de betrouwbaarheid van de door de man ingediende DNA-testresultaten te herleiden en deze goed in te schatten. Het is van belang dat hierover eerst duidelijkheid komt, ook gelet op de aankomende bodemprocedure.
5 De beoordeling
Provisionele voorziening
Op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding. Voorwaarde is dat deze vordering samenhangt met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening worden verzocht naar analogie van artikel 223 Rv1.
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.
In dit geval ligt in de bodemzaak een verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning, gezamenlijk gezag en tot het vaststellen van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. een omgangsregeling aan de rechtbank voor. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhang met de bodemzaak. De rechtbank is ook van oordeel dat niet van de man kan worden gevergd dat hij een beslissing in de bodemzaak afwacht. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
De rechtbank zal het verzoek van de man gedeeltelijk toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Er bestaat op dit moment onduidelijkheid over het vaderschap van de man. Niet vaststaat of de man de biologische vader is van [minderjarige] . De vrouw heeft hierover aangegeven dat de man altijd heeft ontkend dat hij de biologische vader van [minderjarige] is, ook omdat de man gesteriliseerd is. De man heeft in de procedure een afschrift van een uitslag van een DNA-test overgelegd, maar de rechtbank zal daaraan in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen conclusies over het vaderschap van de man verbinden. Niet blijkt welke testmethode is gebruikt, wie de DNA-monsters heeft afgenomen, en van wie de DNA-monsters überhaupt zijn. De man heeft de ouder met gezag over [minderjarige] (de vrouw) voorts niet bij het beweerdelijke onderzoek betrokken.
Voorts zijn er zorgen over de veiligheid van zowel [minderjarige] als van de vrouw. Zoals ook door de Raad tijdens de mondelinge behandeling is aangegeven, is sprake van een complexe situatie waarin veel speelt en waarin angst een rol speelt. Beide partijen hebben uiteenlopende verklaringen afgelegd over de aangetroffen tracker onder de auto van de vrouw en over het vuurwapen met kogels dat de vrouw in de woning van de man zou hebben aangetroffen. Vast staat wel dat het vuurwapen en de kogels in de woning van de man aanwezig waren en dat de politie het wapen in beslag heeft genomen. Het scenario dat de man tijdens de mondelinge behandeling heeft gesuggereerd, namelijk dat de vrouw het wapen en de kogels daar zelf heeft neergelegd, acht de rechtbank in deze voorlopige voorzieningenprocedure voorshands niet aannemelijk. Dit standpunt is door de man bovendien op geen enkele manier onderbouwd.
Ondanks de hiervoor beschreven zorgen en de onduidelijkheid over het vaderschap is de rechtbank, in lijn met het advies van de Raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat er contact plaatsvindt tussen hem en de man. Zoals ook door de man is aangevoerd, is er sprake geweest van family life tussen [minderjarige] en de man, aangezien de man, de vrouw en [minderjarige] meer dan een jaar samen in één huis hebben gewoond en zij tot niet al te lang geleden nog via FaceTime contact hebben onderhouden. Ook moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de man de vader is van [minderjarige] , wat maakt dat een lange periode zonder enig contact tussen de driejarige [minderjarige] en zijn mogelijke vader niet in zijn belang is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad, bepalen dat er wekelijks een FaceTime-moment tussen [minderjarige] en de man moet plaatsvinden, te starten één week na vandaag. Als de vrouw hier behoefte aan heeft, kan zij ondersteuning aanvragen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin voor deze videogesprekken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de man en de vrouw een aanvraag moeten doen voor begeleide omgang tussen [minderjarige] en de man, zodat [minderjarige] en de man elkaar, zodra dit is opgestart, één keer per week twee uur kunnen zien op een neutrale locatie onder begeleiding van een professionele organisatie. Zodra partijen in aanmerking komen voor begeleide omgang, vervallen de FaceTime-momenten.
Bodemprocedure
De mondelinge behandeling voor de bodemprocedure wordt nog gepland. Partijen
zullen een uitnodiging voor de mondelinge behandeling ontvangen.
6 De beslissing
De rechtbank:
stelt vast als voorlopige omgangsregeling dat [minderjarige] :
-
één keer per week een FaceTime-contactmoment heeft met de man, te starten binnen één week na vandaag, waarbij de vrouw indien gewenst ondersteuning kan aanvragen bij het Centrum voor Jeugd en Gezin;
-
zodra partijen in aanmerking komen voor begeleide fysieke omgang: één keer per week gedurende twee uur contact heeft met de man op een neutrale locatie, onder begeleiding van een professionele organisatie; de FaceTime-contactmomenten vervallen zodra de begeleide fysieke omgangsmomenten zijn gestart;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat deze beslissing geldt voor de duur van de bodemprocedure;
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Hilberink, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van H.A.P. Oppewal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! |
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! |
|
|
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: -door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, -door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. |
||
|
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! |