GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.499/01
zaaknummer rechtbank: C/13/773054/FA RK 25/5591
beschikking van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers te Utrecht.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige 1] (15 jaar) en [minderjarige 2] (15 jaar) (hierna: de kinderen). De rechtbank heeft de vader het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ontzegd. De vader is het daarmee niet eens en wil dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarin de kinderen de ene week bij hem zijn van woensdag 17:00 uur tot zaterdag 10:00 uur en de andere week van woensdag 17:00 uur tot maandagochtend. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.
2 De procedure in hoger beroep
De vader is op 18 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
19 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
De moeder heeft op 3 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast ontvangen een bericht van de vader van 21 augustus 2026 met bijlagen.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] en met [minderjarige 2] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat zij hebben verteld. Partijen hebben daarop kunnen reageren.
De zitting heeft op 2 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.
Voorts was met instemming van partijen een medewerker van het hof in het kader van diens opleiding als toehoorder aanwezig.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats C] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2011 te [plaats C] .
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn in 2015 gescheiden. De vader en moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De vader heeft nog een meerderjarige dochter, [dochter] , uit een eerdere relatie.
Bij (echtscheidings)beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2015 is, onder meer, bepaald dat de kinderen bij de vader verblijven van maandag 8:00 uur tot woensdag 17:00 uur en een keer in de vier weken van zaterdagochtend 11:00 uur tot woensdag 17:00 uur. Ook is bepaald dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte verdelen.
Bij beschikking van rechtbank Den Haag van 20 november 2019 is de zorgregeling gewijzigd in die zin dat de kinderen bij de vader verblijven van maandag 8:00 uur tot woensdag 17:00 uur en één keer in de twee weken van zaterdag 8:00 uur tot woensdag 17:00 uur, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder. Ook is een andere vakantieregeling vastgesteld.
De kinderen verblijven feitelijk vanaf januari 2024 volledig bij de moeder.
4 De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de vader het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontzegd.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de beslissing van de rechtbank voor zover daarin de vader het recht is ontzegd op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te vernietigen en opnieuw rechtdoende het zelfstandig verzoek van de vader in eerste aanleg toe te wijzen. In eerste aanleg heeft de vader de rechtbank verzocht een zorgregeling vast te stellen waarin de kinderen de ene week bij de vader zijn van woensdag 17:00 uur tot zaterdag 10:00 uur en de andere week van woensdag 17:00 uur tot maandagochtend. De moeder brengt de kinderen naar de vader en de vader brengt de kinderen terug naar de moeder dan wel naar school.
De moeder verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel de grieven van de vader ongegrond te verklaren, althans hem deze te ontzeggen.
5 De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot omgang met de kinderen heeft afgewezen. Het contact tussen de vader en de kinderen is plotseling verbroken na een incident in januari 2024. De politie is gebeld toen hij lag te slapen op de bank. Na dit incident heeft hij de kinderen niet meer gezien. De vader betwist dat hij bij het incident in januari 2024 onder invloed was of op andere momenten onveilige situaties heeft gecreëerd voor de kinderen. De vader stelt dat de moeder zich schuldig maakt aan ouderverstoting. In de periode voordat het contact tussen de vader en de kinderen werd verbroken, was de vader nauw betrokken bij de opvoeding van de kinderen; zij woonden een groot deel van de week bij hem. Hij hielp op school en de kinderen konden bij hem terecht als er iets was. Aangezien er sprake is van een langdurige hechtingsrelatie die plotseling is doorbroken, acht de vader het van belang om actief toe te werken naar contactherstel. Hij is bang dat als er nu niet gewerkt wordt aan contactherstel dit niet meer tot stand zal komen. De vader wil graag met de kinderen in gesprek met behulp van gespecialiseerde hulpverlening.
De moeder vindt dat de rechtbank terecht de door de vader voorgestelde zorgregeling heeft afgewezen en hem de omgang met de kinderen heeft ontzegd. Bij het incident in januari 2024 zijn de politie en de ambulance ter plaatse gekomen. [minderjarige 1] is toen door de politie uit de woning van de vader gehaald. De vader was onder invloed en liet geen hulpverleners of politie toe in de woning. Sinds dit incident is het contact tussen de vader en de kinderen verbroken. Volgens de moeder hebben de kinderen last gehad van het voornoemde incident. De moeder stelt verder dat de kinderen langdurig gevoelens van onveiligheid hebben ervaren toen zij nog (deels) bij de vader woonden, onder andere door de woede-uitbarstingen van de vader. De kinderen zijn veel in contact geweest met hulpverleningsinstanties en hebben nu behoefte aan rust. De moeder vindt het fijn dat de rechtbank naar de wens van de kinderen heeft geluisterd om geen zorgregeling op te leggen. Zij stelt dat de kinderen zich bij de rechtbank voor het eerst serieus genomen voelden.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen en geen zorgregeling vast te stellen. De raad acht het niet haalbaar om op dit moment het traject tot contactherstel te starten. De kinderen zijn inmiddels op een leeftijd gekomen waarop zij hun identiteit gaan ontwikkelen en zich daarbij steeds meer losmaken van hun ouders. Zij gaan zich afvragen wie zij zijn, wat zij willen in het leven en waar zij bij horen. Deze ontwikkelingsfase vraagt veel van de kinderen en het is niet passend om in deze fase het contact met de vader te herstellen. De kinderen geven aan dat zij daar op dit moment geen ruimte voor hebben. Ook volgens de wet weegt de mening van kinderen van deze leeftijd zwaar mee. De raad begrijpt dat het verdrietig is voor de vader maar hoopt dat er wellicht meer ruimte bij de kinderen komt om weer in contact te treden met de vader wanneer zij deze ontwikkelingsfase achter de rug hebben.
De beoordeling door het hof
Het uitgangspunt van de wetgever is dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het is voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind om een zorgregeling vast te stellen. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit de stukken en wat op de zitting in hoger beroep is besproken, is gebleken dat de verklaringen van partijen met betrekking tot het incident in januari 2024 sterk uiteenlopen. Ook de negatieve ervaringen van de kinderen ten aanzien van de opvoedingssituatie bij de vader waarin zij zich in de afgelopen jaren onveilig hebben gevoeld komen niet overeen met de beleving van de vader. De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij niet openstaat voor hulpverlening om na te gaan hoe het komt dat zijn beleving van de gebeurtenissen zo zeer afwijkt van de beleving van de kinderen. Het hof kan evenmin als de rechtbank vaststellen wat er daadwerkelijk is voorgevallen. Wel staat vast dat het incident in januari 2024 veel impact heeft gehad op de kinderen, en dat zij die impact nog steeds voelen. Daarnaast staat vast dat de kinderen hebben aangegeven langdurig gevoelens van onveiligheid bij hem te hebben ervaren. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de kinderen gebaat zijn bij duidelijkheid en bij de rust die ze momenteel ervaren. Daarbij hebben de kinderen tijd nodig om de gebeurtenissen van de afgelopen jaren te verwerken. Hoewel het hof zich goed rekenschap heeft gegeven van de wens van de vader tot het starten van een traject tot contactherstel, acht het hof het niet passend om dit traject op dit moment te starten, mede gezien de ontwikkelingsfase waarin de kinderen zich bevinden. Daarnaast geldt dat de vader eerst zelf hulpverlening dient te zoeken om te onderzoeken hoe de huidige situatie is ontstaan en met name wat zijn rol daarin is geweest. De raad adviseert negatief over contactherstel en de kinderen hebben uitdrukkelijk aangegeven op dit moment geen ruimte te ervaren om in contact te treden met de vader. Met de raad is het hof van oordeel dat aan de wens van de kinderen belang gehecht dient te worden. Het vaststellen van een zorgregeling zal dan ook naar het oordeel van het hof thans ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, dan wel in strijd zijn met zwaarwegende belangen van de kinderen. Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling afwijzen. De bestreden beschikking waarbij de vader het recht op omgang is ontzegd zal in zoverre worden bekrachtigd.
Waar de vader het standpunt heeft ingenomen dat de rechtbank ten onrechte geen termijn heeft verbonden aan de ontzegging van het recht op omgang met de kinderen overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 1:377e, tweede lid, BW en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (decision van 19 juni 2003, application no. 46165/99) en van de Hoge Raad (27 februari 2009, LJN BG5045) is elke beslissing tot ontzegging van het recht op contact aan een ouder met gezag van tijdelijke aard. Een dergelijke beslissing hoeft dus geen termijn te bevatten met betrekking tot de ontzegging van het recht op omgang. In geval van een wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar staat het de ouder met gezag immers op zichzelf vrij om zich tot de rechter te wenden met het verzoek een zorgregeling vast te stellen. De rechtbank en het hof hoeven dus geen termijn te verbinden aan de ontzegging.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. P.F.E Geerlings en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Evers als griffier en is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.