ECLI:NL:GHAMS:2026:2868

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.365.812/01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

overeenstemming ter zitting over de omgangsregeling. Voor de periode dat de man, de verwekker van de minderjarige, deelneemt aan het minnelijk schuldhulpverleningstraject stelt het hof zijn kinderbijdrage op nihil. Hoge Raad 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:340).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.365.812/01

zaaknummer rechtbank: C/15/362787 / FA RK 25-1170

beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak van

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

voor wie als bewindvoerder optreedt: [naam] h.o.d.n. [X] ,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn,

en

[de vrouw] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2022, en

- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2024.

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

1.1

Deze zaak gaat over de omgang van de man met [minderjarige 1] (vier jaar oud) en [minderjarige 2] (twee jaar oud), en over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. De rechtbank heeft een omgangsregeling vastgesteld en bepaald dat de man met ingang van 8 december 2025 € 25,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen.

1.2

De man is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling en de kinderalimentatie. De vrouw is het gedeeltelijk niet eens met de omgangsregeling.

1.3

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de ouders overeenstemming bereikt over de omgangsregeling. Het hof zal deze regeling vastleggen. Over de kinderalimentatie hebben de ouders geen overeenstemming bereikt. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde bijdrage handhaven tot de aanvang van het minnelijk schuldhulpverleningstraject van de man en deze bijdrage voor de duur van dat traject op nihil stellen. Na beëindiging van het traject dient de man de bijdrage van € 25,- per kind per maand weer te betalen.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De man is op 5 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).

2.2

De vrouw heeft op 17 april 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 11 juni 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de man van 28 mei 2026, met producties 4 en 5;

- een bericht van de vrouw van 15 juli 2026, met bijlagen 6 – 11;

- een bericht van de man van 3 augustus 2026, met producties 6 – 8;

- een bericht van de vrouw van 11 augustus 2026, met bijlage 12;

- een bericht van de man van 20 augustus 2026, inhoudende een wijziging van zijn verzoek in principaal hoger beroep;

- een bericht van de man van 25 augustus 2026, met als bijlage een machtiging van zijn bewindvoerder.

2.5

De zitting heeft op 27 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door R. Planting.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw hebben tot eind 2024 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2022, en

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2024.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk ‘de kinderen’ genoemd.

De man heeft de kinderen niet erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van de kinderen.

3.3

De man heeft een minderjarig kind uit een eerdere relatie. De vrouw heeft twee kinderen uit een eerdere relatie, waarvan één nog minderjarig is.

3.4

Bij vonnis van de rechtbank van 10 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld.

Ten aanzien van [minderjarige 1] is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] bij de man verblijft:

  • in de ene week van vrijdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur;

  • in de andere week van donderdag 18.00 uur tot zaterdag 10.00 uur,

waarbij de man [minderjarige 1] haalt en brengt.

Ten aanzien van [minderjarige 2] was de regeling dat de man [minderjarige 2] gedurende een uur bij de vrouw ziet als hij [minderjarige 1] haalt en terugbrengt. Indien de ouders niet in onderling overleg of met behulp van mediation tot een andere omgangsregeling komen, heeft de voorzieningenrechter als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat [minderjarige 2] met ingang van week vijf van 2025 op een dag in de week van 12.00 uur tot 16.00 uur bij de man verblijft. Met ingang van week negen van 2025 zal de omgang worden uitgebreid in die zin dat [minderjarige 2] op een dag in de week van 12.00 uur tot uiterlijk 18.00 uur bij de man verblijft. De man haalt en brengt [minderjarige 2] .

3.5

De (toekomstige) goederen van de man zijn bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 20 februari 2026 onder bewind gesteld vanaf 21 februari 2026 tot 16 februari 2031 wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. [naam] h.o.d.n. [X] (hierna: de bewindvoerder) is benoemd tot bewindvoerder.

3.6

Op grond van artikel 1:441 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vertegenwoordigt de bewindvoerder de man in en buiten rechte. De bewindvoerder heeft bij machtiging van 25 augustus 2026 ingestemd met de voortzetting van deze procedure in hoger beroep en de advocaat van de man gemachtigd de man in deze procedure te vertegenwoordigen.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld waarbij de kinderen iedere woensdag van 8.15 uur tot 19.00 uur bij de man verblijven, en om het weekend van vrijdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur.

Ten aanzien van [minderjarige 2] wordt de omgang als volgt opgebouwd:

  • op de woensdag wordt gestart met twee uur omgang en dit wordt iedere week met een uur uitgebreid, en

  • in de weekenden wordt gestart met het huidige omgangsmoment en dit wordt elk omgangsweekend uitgebreid. Daarbij dient in elk geval na twee maanden de eerste overnachting van [minderjarige 2] bij de man plaats te vinden, en na drie maanden volledig te zijn toegewerkt naar voornoemde omgangsregeling.

De man haalt de kinderen voor de omgangsmomenten op bij de vrouw en de vrouw haalt de kinderen na de omgangsmomenten bij de man op.

Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 25,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te betalen, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van 8 december 2025.

In principaal hoger beroep

4.2

De man verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de ene week van woensdag 8.15 uur tot vrijdag 12.00 uur bij hem verblijven en in de andere week van vrijdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur. Verder verzoekt hij de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen.

4.3

Bij bericht van 20 augustus 2026 heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de omgangsregeling gewijzigd. Ter zitting in hoger beroep heeft hij deze wijziging ingetrokken en zijn oorspronkelijke verzoek gehandhaafd.

4.4

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep

4.5

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de omgangsregeling van de man met de kinderen, naast de weekendregeling, om de week op woensdag van 8.15 uur tot 18.00 uur zal zijn, dan wel een beslissing te nemen die het hof in het belang van de kinderen acht.

4.6

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep en incidenteel hoger beroep

5.1

Vanwege de onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding de verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de omgangsregeling in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk te behandelen.

De omgangsregeling

5.2

De rechter stelt op grond van 1:377a lid 2 BW op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling vast.

5.3

De man en de vrouw hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de omgangsregeling. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] iedere donderdag na school door de man wordt opgehaald. In de ene week verblijft [minderjarige 1] vervolgens tot vrijdag naar school bij de man en in de andere week tot maandag naar school. De man brengt [minderjarige 1] op vrijdag respectievelijk maandag naar school en de vrouw haalt hem die dagen uit school.

Voor [minderjarige 2] geldt dat zij in de ene week van donderdag 10.00 uur tot vrijdag bij de man verblijft. De man haalt haar op donderdag om 10.00 uur bij de vrouw op en brengt haar op vrijdag terug naar de vrouw nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht. In de andere week verblijft [minderjarige 2] van donderdag 13.45 uur tot maandag bij de man. De man haalt haar op donderdag om 13.45 uur bij de vrouw op en brengt haar op maandag terug naar de vrouw, nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht.

5.4

Partijen hebben het hof verzocht deze regeling vast te leggen in een beschikking. Het hof acht de regeling in het belang van de kinderen en zal deze overeenkomstig vastleggen.

5.5

Ten overvloede overweegt het hof als volgt. De raad heeft ter zitting in hoger beroep benadrukt dat de kinderen nog jong zijn en dat hun behoeften in de komende jaren zullen veranderen. De nu vastgestelde omgangsregeling is daarom niet in beton gegoten. Naarmate de kinderen ouder worden zullen de ouders steeds opnieuw moeten bezien welke omgangsregeling het meest in hun belang is. Voor jonge kinderen zijn daarbij rust, regelmaat en voorspelbaarheid van belang en een vast patroon op doordeweekse dagen kan daaraan bijdragen. Ook is het wenselijk het aantal wisselmomenten zoveel mogelijk te beperken en deze, gelet op de huidige verhouding tussen de ouders, waar mogelijk via school te laten plaatsvinden. De raad heeft verder benadrukt dat er geen zorgen zijn over de wijze waarop de man voor de kinderen zorgt. De moeizame communicatie en de conflicten tussen de ouders vormen wel een zorg. Voor het slagen van de omgangsregeling is van belang dat de ouders de kinderen over en weer de ruimte geven om het goed te hebben bij de andere ouder en dat de overdrachtsmomenten zonder conflict of spanning verlopen.

Het hof onderschrijft dit advies van de raad. De ouders zullen, gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, nog vele jaren met elkaar beslissingen over hen moeten nemen. Het hof acht het daarom van belang dat zij de ingezette hulpverlening voortzetten en werken aan verbetering van hun onderlinge communicatie en verstandhouding. Toekomstige aanpassingen van de omgangsregeling zullen zij zoveel mogelijk in onderling overleg en zo nodig met behulp van de betrokken hulpverlening moeten vormgeven.

De kinderalimentatie

De standpunten

5.6

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. Hij voert hiertoe aan dat hij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en problematische schulden heeft. De man heeft zich aangemeld voor een minnelijk schuldhulpverleningstraject. Ter zitting in hoger beroep heeft hij toegelicht dat dit traject nog niet is aangevangen, omdat de schuldhulpverlener de uitkomst van onderhavige procedure ten aanzien van de kinderalimentatie afwacht. Na aanvang duurt het traject achttien maanden. Voor toelating tot en uitvoering van het traject is noodzakelijk dat de kinderalimentatie gedurende het traject op nihil wordt gesteld. Als de bijdrage van € 25,- per kind per maand in stand blijft, zal daarmee bij het schuldhulpverleningstraject rekening moeten worden gehouden en bestaat het risico dat geen akkoord met de schuldeisers wordt bereikt. In dat geval zal de man mogelijk om toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) moeten verzoeken, waar bij toelating de alimentatie sowieso op nihil dient te worden gesteld. Ter zitting heeft de man zijn verzoek daarom verduidelijkt in die zin dat hij verzoekt de kinderalimentatie voor de duur van het minnelijk schuldhulpverleningstraject op nihil te stellen.

5.7

De vrouw stelt dat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 25,- per kind per maand in stand moet blijven. Zij voert hiertoe aan dat de man in staat moet worden geacht deze minimale bijdrage te voldoen. De man is jarenlang zelfstandig ondernemer geweest en is in staat weer inkomen te verwerven. De vrouw betwist dat de schulden van de man ertoe moeten leiden dat zijn bijdrage voor de kinderen op nihil wordt gesteld. De vrouw heeft het LBIO moeten inschakelen omdat de man de door de rechtbank vastgestelde bijdrage aanvankelijk niet betaalde. Inmiddels is de betalingsachterstand volledig ingelopen. Indien het hof van oordeel is dat de man gedurende het schuldhulpverleningstraject geen draagkracht heeft, kan de vrouw zich erin vinden dat de kinderalimentatie uitsluitend voor de duur van het traject op nihil wordt gesteld.

De beoordeling

Het wettelijk kader

5.8

Op grond van artikel 1:394 BW is de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder, verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Niet in geschil is dat de man de verwekker is van de kinderen. Op hem rust dan ook een wettelijke onderhoudsplicht ten opzichte van de kinderen.

5.9

Het hof overweegt als volgt. De behoefte van de kinderen en de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 8 december 2025 zijn in hoger beroep niet in geschil. Partijen verschillen van mening over de draagkracht van de man. De man verzoekt de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 25,- per kind per maand voor de duur van zijn minnelijk schuldhulpverleningstraject op nihil te stellen. De vrouw heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank vastgestelde bijdrage. Dit betekent in hoger beroep dat de door de man te betalen bijdrage niet op een hoger bedrag dan € 25,- per kind per maand kan worden vastgesteld.

5.10

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject van de man nog niet is aangevangen. De man heeft verklaard dat de termijn van achttien maanden nog niet is gaan lopen en dat de schuldhulpverlener de beslissing in hoger beroep afwacht.

Voor de periode tot aan de aanvang van het schuldhulpverleningstraject ziet het hof geen aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 25,- per kind per maand op nihil te stellen. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde bijdrage daarom handhaven tot de datum waarop het minnelijk schuldhulpverleningstraject daadwerkelijk aanvangt.

5.11

Voor de periode waarin de man deelneemt aan het minnelijk schuldhulpverleningstraject oordeelt het hof anders. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:340) volgt dat wanneer op een onderhoudsplichtige de wettelijke schuldsaneringsregeling (de WSNP, titel III van de Faillisementswet) van toepassing is, moet worden aangenomen dat hij – behoudens bijzondere omstandigheden – niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen (rov. 3.1.2). Dit geldt niet op overeenkomstige wijze wanneer de onderhoudsplichtige van de gemeente schuldhulpverlening ontvangt als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (rov. 3.1.3). Bij een minnelijk schuldhulpverleningstraject moet daarom aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval worden beoordeeld in hoeverre de onderhoudsplichtige gedurende dat traject over draagkracht beschikt.

5.12

Het hof acht aannemelijk dat de man gedurende het minnelijk schuldhulpverleningstraject niet over draagkracht zal beschikken om de bijdrage van € 25,- per kind per maand te voldoen. De man ontvangt sinds 2 oktober 2025 een bijstandsuitkering en heeft aanzienlijke schulden, waaronder een belastingschuld van ruim € 33.000,-. De goederen van de man zijn met ingang van 21 februari 2026 wegens het hebben van problematische schulden onder bewind gesteld. Verder heeft de man op 19 maart 2025 een overeenkomst tot schuldhulpverlening gesloten. Tegen deze achtergrond en gelet op de duur van het schuldhulpverleningstraject van achttien maanden acht het hof voldoende aannemelijk dat de man gedurende het traject geen draagkracht heeft voor het betalen van kinderalimentatie. Het hof zal de bijdrage daarom met ingang van de datum waarop het schuldhulpverleningstraject aanvangt, voor de duur van het traject, op nihil stellen.

5.13

De nihilstelling geldt uitsluitend voor de duur van het minnelijk schuldhulpverleningstraject van de man. Met ingang van de eerste dag na beëindiging van het traject dient de man daarom weer de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 25,- per kind per maand te betalen.

6 De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 8 december 2025, voor zover het de daarin vastgestelde omgangsregeling betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de volgende omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast:

  • [minderjarige 1] verblijft bij de man iedere donderdag na school, waar de man hem ophaalt. In de ene week verblijft hij daar tot hij op vrijdag naar school gaat en in de andere week tot hij op maandag naar school gaat. De man brengt [minderjarige 1] op vrijdag respectievelijk maandag naar school en de vrouw haalt hem die dagen uit school;

  • [minderjarige 2] verblijft in de ene week van donderdag 10.00 uur tot vrijdag bij de man. De man haalt [minderjarige 2] op donderdag om 10.00 uur bij de vrouw op en brengt haar op vrijdag terug naar de vrouw nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht. In de andere week verblijft [minderjarige 2] van donderdag 13.45 uur tot maandag bij de man. De man haalt [minderjarige 2] op donderdag om 13.45 uur bij de vrouw op en brengt haar op maandag terug naar de vrouw nadat hij [minderjarige 1] naar school heeft gebracht;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is vastgesteld op € 25,- per kind per maand, doch uitsluitend voor zover het de periode betreft waarin de man deelneemt aan het minnelijk schuldhulpverleningstraject, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum waarop het minnelijk schuldhulpverleningstraject daadwerkelijk aanvangt en voor de duur van dat traject op nihil;

bepaalt dat de man met ingang van de eerste dag na beëindiging van het minnelijk schuldhulpverleningstraject weer aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 25,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. P.F.E. Geerlings en

mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 6 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »