RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.28069
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1995, van Egyptische nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer)
en
de minister van Asiel en Migratie 1, de minister.
Procesverloop
De minister heeft bij besluit van 19 augustus 2023 (het bestreden besluit) bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming2 eindigt op 4 september 2023.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 7 september 2023 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dezelfde datum heeft verzoeker beroep ingediend tegen het bestreden besluit.3
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Gebleken is dat verzoekster op 27 februari 2026 het beroep heeft ingetrokken. Er wordt daarmee niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, dat inhoudt dat een voorlopige voorziening alleen hangende een procedure mogelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan de voorzieningenrechter dan ook niet meer toekomen.
Conclusie
2. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.