ECLI:NL:RBDHA:2026:29678

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.56306
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vovo – faciliterend visum – zwaarwegend spoedeisend belang ontbreekt – vovo wordt afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.56306

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999, van Somalische nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

1.1.

De minister heeft de aanvraag van verzoeker met het besluit van 9 augustus 2026 niet in behandeling genomen (het primaire besluit). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat de minister aan verzoeker een faciliterend visum dient te verstrekken of zo nodig een laissez-passer af te geven om daarmee naar Nederland te reizen.

1.2.

Met het besluit van 29 september 2026 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Ook heeft de minister op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

1.3.

Met het besluit van 30 september 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 29 september 2026 ingetrokken en een nieuw besluit genomen op het bezwaar van verzoeker. De minister heeft het bezwaar met dit besluit ongegrond verklaard en wijst de aanvraag af. Ook heeft de minister een nader standpunt ingediend ten aanzien van het verzoek.

1.4.

Op 1 oktober 2026 heeft verzoeker schriftelijk gereageerd op het bestreden besluit en op het nadere standpunt van de minister ten aanzien van zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

2. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

3. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Achtergrond

5. Verzoeker stelt samen met [persoon] , zijn gestelde echtgenote, een kind te hebben, [minderjarige] . [minderjarige] is op [geboortedatum 2] 2025 geboren en heeft de Nederlandse nationaliteit.

6. Verzoeker heeft een faciliterend visum aangevraagd in Kenia op 9 augustus 2026. Met het bestreden besluit heeft de minister de visumaanvraag afgewezen omdat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij een minderjarig Nederlands kind heeft en omdat hij de afhankelijkheid met zijn minderjarige kind niet heeft aangetoond.

Oordeel van de rechtbank

7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening verstrekkend is, in die zin dat toewijzing van het verzoek feitelijk neerkomt op een beslissing op de aanvraag waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. Als de voorlopige voorziening nu wordt toegewezen zal verzoeker Nederland namelijk in kunnen reizen zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag heeft beoogd. De gevolgen van toewijzing van de voorlopige voorziening zijn dan ook onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Volgens vaste jurisprudentie is voor een dergelijke vergaande beslissing, die het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure in principe te buiten gaat, alleen plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dergelijk spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aan te nemen. Daartoe acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de wens van verzoeker om bij zijn echtgenote en minderjarige dochter in Nederland te zijn. Echter heeft verzoeker niet onderbouwd dat hij Kenia daadwerkelijk op 2 oktober 2026 zal moeten verlaten en terug zal moeten keren naar Somalië. Daarbij komt dat verzoeker ook niet heeft onderbouwd dat hij bij een eventuele terugkeer naar Somalië in een situatie terecht komt die onomkeerbare gevolgen met zich meebrengen die maken dat een zwaarwegend spoedeisend belang bij onderhavige procedure moet worden aangenomen. Dat eiser stelt dat hij tijdelijk nieuwe huisvesting en een ander paspoort zal moeten regelen bij terugkeer naar Somalië, waarvan hij stelt dat de kosten daarvan niet te overzien zijn, is daarvoor onvoldoende. Verder heeft verzoeker niet onderbouwd dat hij zijn verblijfsvergunning niet nogmaals kan verlengen. Op de website van de Directorate of Immigration Services in Kenia staat dat een visitors pass verlengd kan worden tot een maximum van zes maanden.1 Uit de kopie van het paspoort van verzoeker volgt dat hij Kenia op 5 april 2026 is ingereisd en dat zijn visitors pass op 9 juli 2026 met drie maanden is verlengd tot 2 oktober 2026. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat nogmaals verlengen onmogelijk is. De voorzieningenrechter ziet in dat wat verzoeker heeft aangevoerd ten aanzien van zijn gezin in Nederland onvoldoende redenen om aan te nemen dat verzoeker de beslissing op beroep niet af kan wachten. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doen zich door het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang geen bijzondere omstandigheden voor die een onomkeerbaar besluit als het onderhavige rechtvaardigen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »