RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3107
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], verzoeker
en
het dagelijks bestuur van Werkplein Drentsche Aa, het dagelijks bestuur
(gemachtigde: J.W. Heidergott).
Inleiding en procesverloop
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het dagelijks bestuur om de door verzoeker aangevraagde bijzondere bijstand af te wijzen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verzoeker heeft op 19 augustus 2026 € 14.959,48 aan bijzondere bijstand aangevraagd.
Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag met het besluit van 3 september 2026 afgewezen. Voor zover de aanvraag ziet op vaste lasten over de periode van 28 januari 2026 tot en met 18 mei 2026 is de aanvraag te laat ingediend. De kosten over de periode vanaf 19 mei 2026 tot en met 28 juli 2026 doen zich niet voor, omdat deze kosten reeds zijn voldaan. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake. Voor zover de kosten zien op een bedrijfspand, zijn die kosten geen noodzakelijke kosten van bestaan, zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet, aldus het dagelijks bestuur.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan bijvoorbeeld worden aangenomen als door het besluit een betrokkene schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten.
Met een brief van 15 september 2026 heeft de griffier van de rechtbank aan verzoeker gevraagd naar het spoedeisend belang en dat te onderbouwen met stukken. Uit verzoekers reactie volgt dat hij drie jaar de tijd wil krijgen om een onderneming op te starten om vervolgens van die onderneming te leven. Hij vraagt om een bedrag van € 13.056,00.
Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welk spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Daargelaten of kosten in het kader van een onderneming voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen, kan het spoedeisend belang niet gelegen zijn in het betalen van (vaste) lasten van verzoekers onderneming tot 2029. Het bedrag onder 2.1 waar verzoeker om heeft gevraagd, is te herleiden tot artikel 22 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Zo’n kwestie ligt thans niet voor. Daarover dient eerst het dagelijks bestuur te beslissen, voor zover dat nog niet is gebeurd.
Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bezwaarprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter voegt daaraan toe dat ook niet is gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
3. Hieruit volgt dat wegens het ontbreken van een spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorziening. Het verzoek is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.