RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4935
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. D.T. Stoof),
en
de burgemeester van de gemeente Breda, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester om aan verzoeker een gebiedsverbod op te leggen voor de omgeving van het voetbalstadion van NAC Breda en het uitgaansgebied van Breda. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het bestreden besluit van 1 september 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor de omgeving van het voetbalstadion van NAC Breda en het uitgaansgebied van Breda voor 90 dagen. Het gebiedsverbod voor de omgeving van het voetbalstadion geldt tijdens wedstrijddagen van NAC Breda, promotievieringen en andere NAC Breda gerelateerde evenementen gedurende een periode van vier uur vóór aanvang tot vier uur na afloop van de wedstrijd of het evenement. Het gebiedsverbod voor het uitgaansgebied geldt bij NAC Breda gerelateerde evenementen en promotievieringen. Het gebiedsverbod geldt niet aaneengesloten gedurende 90 dagen, maar uitsluitend op dagen waarop NAC Breda een wedstrijd speelt of een NAC-gerelateerd evenement plaatsvindt. De 90 dagen worden daarmee verspreid toegepast over een periode van maximaal twee jaar.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens verzocht om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Verzoeker stelt dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat hij door het bestreden besluit geen gebruik kan maken van zijn seizoenskaart van NAC Breda en de competitie reeds is begonnen. Daarnaast ziet het gebiedsverbod op zijn directe woonomgeving waardoor verzoeker wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker heeft namelijk van de KNVB een landelijk stadionverbod opgelegd gekregen voor de periode van 11 september 2026 tot en met 16 juni 2031. Dit verbod houdt in dat het verzoeker niet is toegestaan wedstrijden van NAC Breda in het stadion bij te wonen.
Daarnaast heeft de burgemeester toegelicht dat het gebiedsverbod voor de stadionomgeving geldt op wedstrijddagen van NAC Breda, alsmede tijdens eventuele play-offwedstrijden, oefenwedstrijden en overige aan NAC Breda gerelateerde evenementen. Het verbod is van kracht vanaf vier uur vóór aanvang tot vier uur na afloop van de betreffende wedstrijd of het evenement. Het gebiedsverbod voor het uitgaansgebied geldt uitsluitend tijdens aan NAC Breda gerelateerde evenementen en eventuele promotievieringen. Verzoeker mag zich derhalve op reguliere wedstrijddagen in het uitgaansgebied bevinden, tenzij sprake is van aan NAC Breda gerelateerde evenementen of promotievieringen.
In reactie hierop heeft verzoeker aangegeven dat tegen het stadionverbod van de KNVB tevens bezwaar is gemaakt. Indien het bezwaar tegen het KNVB-verbod gegrond wordt verklaard, zou verzoeker zonder opheffing of schorsing van het gemeentelijke gebiedsverbod alsnog worden geconfronteerd met een afzonderlijke beperking van zijn bewegingsvrijheid. Het gemeentelijk gebiedsverbod strekt tevens verder dan het stadionverbod van de KNVB.
Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat de reikwijdte van het gebiedsverbod voor het uitgaansgebied onvoldoende duidelijk is. Wat moet worden verstaan onder ‘aan NAC Breda gerelateerde evenementen en eventuele promotievieringen’ wordt niet nader toegelicht. De term ‘NAC Breda gerelateerde evenementen’ is te ruim en onvoldoende bepaalbaar.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er hangende het bezwaar geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Met betrekking tot het gebiedsverbod voor de omgeving van het voetbalstadion van NAC Breda overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker ook vanwege het landelijk stadionverbod van de KNVB geen gebruik kan maken van zijn seizoenskaart en niet naar de wedstrijden van NAC Breda kan. Hierin is dan ook geen spoedeisend belang gelegen. Dat verzoeker ook tegen dit landelijk stadionverbod bezwaar heeft gemaakt, maakt dat niet anders. Als dat bezwaar gegrond zou worden verklaard, ontstaat mogelijk een andere situatie.
Verzoekers stelling dat hij wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid omdat het gebiedsverbod ziet op zijn directe woonomgeving, slaagt evenmin. Verreweg het grootste deel van het verboden gebied ligt immers aan de andere kant van het spoor en het verbod ziet op een beperkt aantal dagen. Ook hierin is geen spoedeisend belang gelegen.
Uit het primaire besluit en de toelichting van de burgemeester blijkt dat het gebiedsverbod voor het uitgaansgebied alleen maar geldt bij NAC Breda gerelateerde evenementen en promotievieringen. Dat laatste is gelet op het feit dat de competitie net is gestart, nog lang niet aan de orde. Met verzoeker constateert de voorzieningenrechter dat de term “NAC Breda gerelateerde evenementen” niet uitblinkt in helderheid. De burgemeester zal daar in de beslissing op bezwaar nader aandacht aan moeten besteden. Tot die tijd moet er naar het oordeel van de voorzieningenrechter van worden uitgegaan dat het uitsluitend gaat om georganiseerde evenementen door NAC Breda of aan NAC Breda gelieerde instellingen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat daar op korte termijn sprake van is, zodat ook ten aanzien van het gebiedsverbod voor het uitgaansgebied geen sprake is van spoedeisend belang. Het valt dan ook niet in te zien dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.