RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6501 en ROT 26/6825
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaken tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op verzoeken om een voorlopige voorziening tegen afwijzingen van aanvragen van verzoekster voor een standplaatsvergunning voor haar loempiakraam. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaken?
2. Verzoekster heeft op 5 april 2026 twee aanvragen ingediend voor een standplaatsvergunning voor haar loempiakraam. Eén aanvraag ziet op een standplaats ter hoogte van het [adres 1] in Rotterdam (bij metrostation [naam metrostation] ) en de tweede aanvraag ziet op een standplaats aan [adres 2] in Rotterdam. Met twee besluiten, beide van 8 juli 2026, heeft het college deze aanvragen afgewezen. Ten aanzien van de aanvraag aan het [adres 1]1 heeft het college bepaald dat dit adres is gelegen in een standplaatsvrij gebied. Het innemen van een standplaats is daarmee niet toegestaan. Om die reden is de aanvraag afgewezen. Ten aanzien van de aanvraag aan het [adres 2]2 heeft het college bepaald dat eerdere aanvragen zijn afgewezen en dat sprake is van een herhaalde aanvraag. Het is volgens het college niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden die maken dat moet worden teruggekomen van de eerdere afwijzingen van verzoeksters aanvragen. Verzoekster is het niet eens met beide besluiten en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat houdt in dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van zo’n situatie geen sprake is. Ten aanzien van beide aanvragen geldt dat verzoekster eerder soortgelijke aanvragen heeft ingediend. Voor wat betreft de afwijzing van de aanvraag aan het [adres 1] is de door verzoekster genoemde omstandigheid dat er door verbouwingen vanaf november 2026 commerciële ruimten beschikbaar komen bij metrostation [naam metrostation] . Het is de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk wat het spoedeisende belang is voor verzoekster in het kader van de afwijzing van deze aanvraag voor een standplaatsvergunning. Ondanks dat verzoekster daartoe nader in de gelegenheid is gesteld, heeft zij het spoedeisende belang, niet nader onderbouwd.
4. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag aan [adres 2] overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster heeft aangevoerd dat zij door de afwijzing van haar aanvraag niet kan voorzien in haar levensonderhoud, omdat zij haar loempiakraam niet meer kan exploiteren. Verzoekster heeft deze stelling, ondanks dat zij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, niet nader onderbouwd met stukken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in beide zaken niet gebleken van een spoedeisend belang waardoor de beslissingen op bezwaar niet kunnen worden afgewacht.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.