ECLI:NL:RBDHA:2026:29521

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
09/157565-23 en 09/105695-26 (t.t.z. gevoegd)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van gewoontewitwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte. Gedeeltelijke vrijspraak witwassen en valsheid in geschrifte. Gefingeerd dienstverband dat ten grondslag aan hypotheek ligt, is onvoldoende vast te stellen. Gevangenisstraf van één jaar, 264 dagen voorwaardelijk, en 240 uren taakstraf. Verbeurdverklaring panden en huurpenningen, ex artikel 33, 33a en 34 Sr.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/157565-23 en 09/105695-26 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 september 2026 en gesloten op 7 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E.J. van Drongelen en I. Hoek en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. R.A.J. Verploegh naar voren is gebracht.

De officieren van justitie hebben op de terechtzitting van 9 september 2026 medegedeeld voornemens te zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aanhangig te maken, en dat daarom tegen de verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal worden ingesteld.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/157565-23 (hierna: dagvaarding I) en 09/105695-26 (hierna: dagvaarding II). De tekst van dagvaarding I is gewijzigd op de terechtzitting van 9 september 2026. De tekst van de dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdachte wordt er bij dagvaarding I - kort gezegd - van verdacht dat zij:

1) zich in de periode 2017-2024 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van drie panden, contante geldbedragen en huurpenningen;

2) zich op 8 april 2024 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag en vier horloges, en;

3) zich tussen 1 januari 2018 en 5 juni 2018 meermaals schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.

De verdachte wordt er daarnaast bij dagvaarding II van verdacht dat zij zich in de periode 2017-2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 en 3 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

3.3.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zoals ook door de officieren van justitie is gerekwireerd en door de verdediging is bepleit. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.5.

Bewijsoverwegingen

3.5.1.

Juridisch kader witwassen

Van witwassen is onder meer sprake wanneer van een voorwerp de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende wordt verborgen of verhuld, of als men een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig is.

Er moet een handeling zijn die het verbergen of verhullen van de criminele aard van het voorwerp tot doel heeft en die handeling moet ook geschikt zijn om de criminele aard te verbergen of te verhullen.

Er kunnen zich gevallen voordoen waarin witwassen is ten laste gelegd, maar geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is. Het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan dan toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag of voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Allereerst zal dan moeten worden vastgesteld of zich feiten of omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.1

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat een criminele herkomst dus als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.2

Verder kunnen de witwasbepalingen ook toepassing vinden in situaties:

  • i) waarin het vermogen “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig is, namelijk als legaal vermogen is “besmet” doordat daaraan uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en

  • ii) waarin het vermogen “middellijk” uit misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.

Het is mogelijk dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situaties kan zich het geval voordoen dat het vermogen – en nadien elke betaling daaruit – wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.3

Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het dus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is en ook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden.4

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. Bij de beoordeling of een bepaald bedrag van misdrijf afkomstig is, kan worden betrokken of sprake is van:

- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;

- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;

- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;

- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.5

De rechtbank merkt verder op dat de mogelijke omstandigheid dat een lening wordt afgelost met geld dat uit misdrijf afkomstig is, niet automatisch betekent dat het voorwerp dat is verworven met dat geleende geld, kan worden aangemerkt als een voorwerp dat “uit enig misdrijf afkomstig” is als bedoeld in art. 420bis Sr. Van belang is immers de vraag of de verdachte ten tijde van de specifieke witwashandeling wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig was.

Hierna zal de rechtbank nader ingaan op de verdenkingen van witwassen van de drie ten laste gelegde panden, de verkregen huurpenningen uit de verhuur van die panden en eventuele contante geldbedragen (gemoeid met de verbouwingen van twee van die panden). De rechtbank hanteert daarbij de structuur van het juridisch kader zoals hiervoor besproken. Dat brengt mee dat – waar relevant – wordt beoordeeld of sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, en, indien dit het geval is, of door de verdachte een verklaring is afgelegd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Ook zal de rechtbank beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) valsheid in geschrifte en het gebruik maken van die geschriften, zoals bij dagvaarding I onder feit 3 en dagvaarding II ten laste is gelegd.

3.5.2.

Vermoeden van witwassen?

Financiële situatie van de verdachte

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de onderzochte periode (2017-2023) inkomen uit loondienst heeft ontvangen van de volgende bedrijven:

- [werkgever 1] , 1 juni 2017 – 4 september 2018;

- [werkgever 2] , 9 oktober 2018 – 27 december 2018;

- [werkgever 3] B.V., 11 februari 2019 – 29 september 2019;

- [werkgever 4] B.V. II., 24 oktober 2019 – 27 februari 2023.

Haar bruto jaarinkomen ligt in deze periode tussen de € 16.688,- en € 32.081,-. De verdachte heeft in deze periode tevens enkele bedrijven op haar naam gehad, te weten [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (voorheen bekend als [bedrijfsnaam 1] ). Van deze bedrijven is geen omzet of winst bekend. Verder blijkt uit onderzoek naar haar bankrekeningen in de periode 2017-2021 dat het saldo daarop niet uitkomt boven de € 13.000,-.

In dezelfde periode heeft de verdachte een flinke vastgoedportefeuille opgebouwd met de aankoop van meer dan tien panden. Uit haar aangiften inkomstenbelasting blijkt dat haar vastgoedportefeuille is gegroeid van € 560.000,- in 2019 tot € 1.667.590,- in 2022. De onderhavige verdenking betreft de aankoop door de verdachte van de volgende drie panden:

  • [adres 2] (gekocht op 5 juni 2018 voor € 160.000,-);

  • [adres 3] (gekocht op 26 oktober 2018 voor

  • € 225.000,-), en;

  • [adres 4] (gekocht op 3 juni 2020 voor € 175.000,-).

[adres 2]

De verdachte heeft de aankoop van het pand aan de [adres 2] gefinancierd door middel van een hypotheek van € 135.365,- bij de Rabobank en inbreng van € 33.022,30 aan eigen middelen. Bij de hypotheekaanvraag heeft zij een werkgeversverklaring van haar dienstverband bij het bedrijf [werkgever 1] en salarisstroken daarvan overgelegd. De eigen middelen waren deels – voor een bedrag van in totaal € 16.000,- – afkomstig van stortingen vanaf de zakelijke rekening van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] van haar partner [naam 1] .

Uit het dossier blijkt dat bij het bedrijf [werkgever 1] allerlei administratieve eigenaardigheden spelen. Volgens de werkgeversverklaring was het bedrijf [werkgever 1] met kvk-nummer [nummer] de werkgever van de verdachte. De twee salarisstroken die de verdachte als bewijs van dit dienstverband ten behoeve van de hypotheekaanvraag bij de Rabobank heeft overgelegd, vermelden echter een ander bedrijf als werkgever, namelijk [bedrijfsnaam 3] , gevestigd aan [adres 5] . [bedrijfsnaam 3] was opgericht op 1 oktober 2016 en ontbonden op 1 februari 2017. Hiermee staat vast dat de verdachte bij de Rabobank salarisstroken heeft overgelegd afkomstig van een ander bedrijf dan de werkgever vermeld op de werkgeversverklaring, dat dat bedrijf minder dan zes maanden heeft bestaan en ten tijde van de hypotheekaanvraag niet meer bestond. Verder staat ook op de betreffende salarisstroken het unieke loonheffingsnummer van de eenmanszaak [werkgever 1] van [naam 2] vermeld. De naam en het kvk-nummer van de werkgever op de werkgeversverklaring betreft ook de naam en het kvk-nummer van de eenmanszaak van [naam 2] . In de woning van de verdachte werd daarnaast een arbeidsovereenkomst aangetroffen met “ [naam 2] h.o.d.n. [werkgever 1] ”, kantoorhoudende aan [adres 5] . Uit onderzoek naar dat vestigingsadres blijkt dat in ieder geval ten tijde van de financieringsaanvraag enkel de eenmanszaak [werkgever 1] van [naam 2] gevestigd was op dat adres. Dit alles wijst erop dat het bedrijf waar de verdachte werkzaam zou zijn geweest, een eenmanszaak van [naam 2] betreft, en geen bedrijf van [naam 3] . Dit is opvallend gelet op de verklaring van de verdachte en [naam 3] dat de verdachte voor hem zou hebben gewerkt. Verder heeft het Gerechtshof Den Bosch6 geoordeeld dat contante stortingen op het bankrekeningnummer van de eenmanszaak [werkgever 1] van [naam 2] (met IBAN nummer [rekeningnummer] ), waarvandaan het salaris van de verdachte betaald werd, van misdrijf afkomstig zijn. Er was verder geen bedrijfseconomische activiteit die aan deze stortingen kon worden gekoppeld.

De geldbedragen die de verdachte van haar partner [naam 1] heeft ontvangen (een overboeking van € 9.500,- en een overboeking van € 6.500,-) zijn afkomstig van de bankrekening van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] . Het bedrag van € 9.500,- dat in één keer naar de verdachte is overgemaakt, is rechtstreeks te herleiden naar een contante storting van enkele dagen daarvoor op de rekening van ‘ [bedrijfsnaam 2] ’. Uit de omschrijving bij het overmaken van het bedrag van € 6.500,- van de rekening van [bedrijfsnaam 2] aan de verdachte volgt dat het zou gaan om een lening.

Het overige geldbedrag van € 17.022,30 betreft een geldbedrag dat uit eigen middelen zou bestaan. De hoogte van dit bedrag is opmerkelijk, gelet op het feit dat de verdachte in de periode van haar dienstverband bij [werkgever 1] ook vaste lasten moest betalen om zichzelf en haar gezin te onderhouden en de huur van hun woning te betalen.

[adres 3]

De aankoop van de [adres 3] is gefinancierd door een private lening die de verdachte heeft afgesloten met [naam 4] . Het pand is gekocht voor een totale prijs die ongeveer 23,5% onder de gezamenlijke WOZ-waarde7 lag en de hypotheek was hoger dan de koopprijs (€ 231.500,- tegenover € 225.000,-), hetgeen zeer ongebruikelijk is, temeer nu het pand zich in een verhuurde staat bevond. De hypotheek had een looptijd van achttien maanden, met een rente van 1% en een maandelijkse aflossing van € 3.000,-. De betalingen door de verdachte zijn vervolgens niet volgens de betalingsafspraken uit de leningsovereenkomst gedaan. De verdachte betaalde een rente van 3% in plaats van de afgesproken 1%. Ook vonden de betalingen pas vanaf 6 december 2018 plaats en betaalde verdachte vanaf 31 januari 2021 alleen de rente en geen aflossing. [naam 4] heeft verklaard dat hij de verdachte niet kende, niet wist of ze kredietwaardig was, niet wist wie de verkoper van het pand was, en ook niets wist van het pand dat de verdachte wilde kopen met zijn lening.

[adres 4]

De aankoop van de [adres 4] is gefinancierd met € 100.000,- eigen middelen (afkomstig van de verkoop van [adres 2] ) en een financiering van € 80.000,- die de verdachte heeft weten te verkrijgen bij de verkoper van het pand zelf, namelijk [bedrijfsnaam 4] B.V. Opvallend hieraan is dat [bedrijfsnaam 4] B.V. twaalf dagen voordat zij het pand zelf kocht, is opgericht, en vervolgens na iets meer dan een maand het pand weer verkocht aan de verdachte. De hypotheek had een looptijd van slechts zes maanden met een rentepercentage van 4%. De verdachte betaalde vervolgens elke maand 1/12e deel van de afgesproken rente (€ 266,66) en loste de hypotheek acht maanden ná het verstrijken van de afgesproken looptijd, namelijk op 31 augustus 2020, geheel af.

Tussenconclusie

Ten aanzien van al deze panden is sprake van opvallendheden die vaak worden gezien in witwasconstructies en dus gelden als zogenaamde witwasindicatoren zoals die genoemd staan in AMB-087 (zie bewijsmiddelen). Het gaat daarbij onder meer om aankopen van panden onder de marktwaarde, ABC-constructies, private geldverstrekkers, aankopen door een persoon met een te laag inkomen ten opzichte van de koopsom, een zeer snelgroeiende vastgoedportefeuille en aflossingen van leningen die afwijken van de schriftelijke afspraak.

Deze witwasindicatoren in acht genomen, afgezet tegenover het inkomen en de financiële positie van de verdachte ten tijde van de aankoop van deze panden, is de rechtbank van oordeel dat de genoemde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ten aanzien van de verkrijging van voornoemde panden. Hierna zal de rechtbank de verklaring van de verdachte weergeven en beoordelen of deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

3.5.3.

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft zich tijdens meerdere verhoormomenten voor de terechtzitting, waaronder het verhoor bij de rechter-commissaris op 11 april 2024, telkens op haar zwijgrecht beroepen. Tijdens de terechtzitting van 9 september 2026 heeft zij zeer uitgebreid en soms tot in de kleinste details verklaard. Hoewel aan een beroep op het zwijgrecht in de beginfase van het onderzoek geen bewijswaarde wordt gehecht, weegt het late tijdstip van de verklaringen van de verdachte wél mee in de beoordeling van de rechtbank of sprake is van een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Een late, op het dossier afgestemde verklaring, kán minder geloofwaardig zijn dan een verklaring die direct, zonder kennis van het dossier wordt afgelegd. Immers, indien de verklaringen de waarheid zijn werpt dit de vraag op waarom deze verklaringen nu pas worden afgelegd, als daarmee in een veel eerder stadium de verdenking weerlegd had kunnen worden. Andersom stelt het uitstellen van het afleggen van verklaringen de verdachte in de gelegenheid om die verklaringen af te stemmen op het dossier en zodanig te construeren dat deze door de onderzoeksbevindingen niet meer weersproken kunnen worden. De rechtbank zal de door de verdachte afgelegde verklaringen over de mogelijk legale herkomst van haar financiën dan ook mede vanuit dit perspectief bezien.

[adres 2]

De verdachte heeft verklaard dat zij de aankoop van de [adres 2] heeft gefinancierd met een hypotheek van de Rabobank, met stortingen van haar partner [naam 1] en met haar eigen gespaarde geld. De hypotheek bij de Rabobank heeft zij kunnen verkrijgen door middel van haar dienstverband bij [werkgever 1] . Zij heeft niet bij [naam 2] , maar bij diens vader [naam 3] gewerkt als ‘manusje van alles’. Het bedrijf organiseerde evenementen en maakte videoclips voor artiesten en de verdachte zorgde dat de aankleding van de locaties in orde was. Zij had verder geen inzage in eigenaardigheden rondom de administratie van [werkgever 1] en deed ook geen onderzoek naar de herkomst van haar salarisbetalingen. Ze is uitgegaan van haar afspraken met [naam 3] . Zij was vaak op pad voor haar werk, maakte foto’s van voorwerpen die zij wilde kopen voor de aankleding en stuurde deze naar [naam 3] . Zij moest zorgen dat er een indicatie van de totale kosten kwam, en dan zou [naam 3] het verder oppakken. Zij heeft daar geen facturen van, want zij was bezig met het traject voordat daadwerkelijk tot aankoop werd overgegaan. Communicatie met de leveranciers verliep via persoonlijk contact en whatsapp via een mobiele telefoon van het bedrijf, soms per e-mail vanaf een zakelijke laptop.

De stortingen van haar partner [naam 1] heeft zij ontvangen omdat zij samen twee kinderen hebben en zij alle vaste lasten met betrekking tot het gezin betaalde. Als zij dan tegen haar partner zei dat ze geld nodig had, dan maakte die dat over vanaf de rekening van zijn klusbedrijf. Hij was daar de hele week voor op pad, dus ging ze ervan uit dat hij dat geld gewoon met klussen verdiend had.

Over de herkomst van het resterende bedrag van € 17.022,30 heeft de verdachte verklaard dat de politie daar maar onderzoek naar moet doen. Zij had dit geld ‘gewoon’ gespaard, en aangezien de politie van al haar bankrekeningen inzichtelijk heeft kunnen maken hoeveel geld erop staat en waar het vandaan komt, moet de politie dat ook maar uitzoeken voor dit bedrag.

[adres 3]

De verdachte heeft verklaard dat zij via via in contact is gekomen met de private hypotheekverstrekker [naam 4] . Zij kende [naam 4] daarvoor niet, maar die [naam 4] zou er wel een financiële kans in hebben gezien om haar geld te lenen zodat zij de [adres 3] kon kopen. De lening had eigenlijk een rente van 3%, ook al stond er op papier 1%. Dat het pand gekocht is onder de WOZ-waarde is niet gek, want bij de aankoop gold nog de WOZ-waarde van het jaar voorafgaand aan de aankoop. Over het punt dat de betalingen van de hypotheeklening niet conform de overeenkomst zijn verricht, heeft de verdachte geen nadere verklaring afgelegd.

[adres 4]

De verdachte heeft verklaard dat de aankoop van de [adres 4] inderdaad gefinancierd is met de opbrengst van de verkoop van de [adres 2] en voor het overige gefinancierd is door de hypotheek die door [bedrijfsnaam 4] B.V. aan haar is verstrekt. Zij kende een eigenaar van dat vastgoedbedrijf, de heer [naam 5] , en had ongeveer een half jaar voordat ze het pand kocht van die [naam 5] gehoord dat hij een pand voor haar had. Zij zijn daar samen gaan kijken en het pand beviel haar wel. Dat [bedrijfsnaam 4] B.V. op dat moment nog helemaal niet bestond en ook dat pand nog helemaal niet in bezit had, wist zij niet, maar maakt voor haar ook niet uit. Zij is slechts ingegaan op een aanbod zonder onderzoek te doen naar de achtergrond ervan. Over de (te late) afbetaling van de hypotheek heeft zij verklaard dat dit in overleg gewoon kon. Zij kende die [naam 5] immers ook persoonlijk. Zij ging akkoord met de prijs die hij vroeg voor het pand en heeft geen bouwkundige keuring laten verrichten voor de aankoop.

3.5.4.

Beoordeling (gedeeltelijk) witwassen panden en huurpenningen

Omdat [adres 2] deels is gefinancierd met een hypotheek die de verdachte heeft afgesloten bij de Rabobank, ter verkrijging waarvan zij onder meer inkomen uit dienstverband bij [werkgever 1] heeft opgevoerd, zal de rechtbank allereerst ingaan op de vraag of dit dienstverband fictief is en de geschriften die de verdachte daarvan heeft overgelegd bij de hypotheekaanvraag, vals zijn omdat ze in strijd met de waarheid zijn opgesteld.

Vrijspraak dagvaarding I, feit 3: valsheid in geschrifte [werkgever 1]

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte ten aanzien van haar dienstverband bij [werkgever 1] . Op basis van het dossier kan onvoldoende worden vastgesteld dat de verdachte niet bij [naam 3] werkzaam zou zijn geweest en dat de arbeidsrelatie van meet af aan een schijnconstructie betrof. Indicaties die erop wijzen dat de verdachte daadwerkelijk werkzaamheden voor [naam 3] heeft verricht, zijn als volgt.

De verdachte heeft volgens haar salarisstroken vanaf medio 2017 een ogenschijnlijk marktconform salaris ontvangen voor de functie die zij zou hebben vervuld. Ook is zij al een klein jaar voorafgaand aan de aanvraag van de hypotheek bij de Rabobank in dienst getreden, hetgeen de rechtbank als contra-indicatie beschouwt voor de verdenking dat zij dit dienstverband fictief is aangegaan om een hypotheek te verkrijgen. Daar komt bij dat getuige [getuige 1] verklaard heeft dat hij de verdachte op een paar evenementen als ‘de rechterhand van [naam 3] ’ heeft zien werken waarbij zij zich bemoeide met de inrichting en aankleding van de locaties. De omstandigheid dat de verdachte zelfs door deze stagiair in de beperkte periode van een snuffelstage aan het werk is gezien met [naam 3] , levert volgens de rechtbank juist een indicatie op dat zij daadwerkelijk werkzaamheden heeft uitgevoerd.

Er zijn ook indicaties die tegen een reëel dienstverband pleiten. De vele eerdergenoemde administratieve eigenaardigheden rondom het dienstverband van de verdachte bij [werkgever 1] roepen vragen op (wie is precies de feitelijke bestuurder, bestond het bedrijf wel toen de verdachte in dienst was getreden, was er wel bedrijfseconomische activiteit?). Deze zijn echter onvoldoende om vast te stellen dat de werkgeversverklaring en de salarisstroken zijn opgesteld met de intentie om de Rabobank te misleiden. Uit het dossier blijkt ook niet dat de verdachte van de discrepanties in de administratie van [werkgever 1] op de hoogte had moeten zijn en daar actie op had moeten ondernemen. De rechtbank is verder van oordeel dat het doorgaans niet vreemd is dat een werknemer geen onderzoek doet naar kvk-nummers, oprichtdata, of de bankrekening vanaf waar salaris wordt gestort, laat staan naar de herkomst van stortingen op de betreffende bedrijfsrekening. Ook bij de Rabobank hebben de hiervoor genoemde eigenaardigheden kennelijk niet geleid tot argwaan; de bank heeft op basis van de overgelegde werkgeversverklaring en salarisstroken immers een hypotheek verstrekt aan de verdachte.

Verder is een inbeslaggenomen telefoon van [naam 3] onderzocht en daarop is geen correspondentie met of over de verdachte aangetroffen. Hoewel dit opvallend is gelet op het gestelde dienstverband tussen beide, staat daartegenover dat het slechts om één onderzochte telefoon gaat terwijl er indicaties zijn dat [naam 3] gebruikmaakte van meerdere telefoons, waarbij ook de zoektermen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [werkgever 1] ’ geen resultaten hebben opgeleverd.

Al met al concludeert de rechtbank dat zich in het dossier te weinig aanwijzingen bevinden waaruit blijkt dat de verdachte níet heeft gewerkt, afgezet tegenover de lichte aanwijzingen dat zij wél heeft gewerkt, gesteund door een getuigenverklaring. Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen onderzoek is gedaan naar het ontbreken van daadwerkelijke arbeid van de verdachte bij een onderneming van [naam 3] en de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten van diens onderneming(en), terwijl het openbaar ministerie gelet op de zeer summiere verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris dat zij bij het bedrijf [werkgever 1] heeft gewerkt en gelet op de getuigenverklaring van [naam 3] en voornoemde getuige [getuige 1] rekening had kunnen houden met de mogelijkheid dat de verdachte zou verklaren voor [naam 3] in plaats van [naam 2] te hebben gewerkt. Ook de door de officieren van justitie genoemde omstandigheid dat [naam 3] in de periode 2017-2018 betrokken zou zijn geweest bij het faciliteren van een fictief dienstverband voor een andere persoon bij een aan hem gelieerde onderneming, leidt niet tot een ander oordeel nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [naam 3] is veroordeeld voor witwassen van een groot geldbedrag dat is gestort op de bankrekening waarvandaan de verdachte werd uitbetaald.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het dienstverband van de verdachte bij [werkgever 1] gefingeerd was en dat de verdachte valse geschriften heeft gebruikt om een hypotheek bij de Rabobank te verkrijgen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het bij dagvaarding I onder 3 tenlastegelegde.

De rechtbank oordeelt in het verlengde daarvan dat niet bewezen kan worden dat de hypotheek van de Rabobank gebruikt voor de aankoop van de [adres 2] , is verkregen door het gebruik van valse geschriften en dat dat geld daarmee middellijk van enig misdrijf afkomstig is. Gelet daarop is het witwassen van dat deel van het pand aan de [adres 2] niet bewezen.

Herkomst overige bedragen [adres 2]

De rechtbank overweegt dat de verdachte de [adres 2] mede heeft gefinancierd met geldbedragen van € 9.500,- en € 6.500,- afkomstig van haar partner. Gelet op het maandelijkse inkomen van de verdachte in diezelfde periode, is de omvang van deze bedragen voor de verdachte aanzienlijk te noemen, terwijl de grondslag en herkomst ervan onbekend is. Het deel van € 9.500,- is in ieder geval direct afkomstig van een contante storting op de rekening van de eenmanszaak [bedrijfsnaam 2] . Het bedrag van € 6.500,- is van dezelfde bankrekening afkomstig en omvat de omschrijving ‘lening’, terwijl uit de gegevens van de bankrekeningen van de verdachte niet is gebleken dat er overeenkomstig een lening afbetalingen zijn gedaan. Verder waren op de bankrekening van voornoemde eenmanszaak destijds alleen ontvangsten met verwijzing naar een factuurnummer te zien, maar geen enkele uitgave die gerelateerd kan worden aan kosten gemaakt voor het bedrijf. Deze feiten en omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van witwassen op van beide geldbedragen.

[naam 1] heeft in een schriftelijke verklaring, toegestuurd door de verdediging kort voorafgaand aan de zitting, toegelicht dat het geld spaargeld zou betreffen dat hij vanaf zijn jeugd gespaard heeft en dat hij de verdachte nooit op de hoogte heeft gesteld van de contante stortingen. Buiten het zeer late moment van overleggen van deze schriftelijke verklaring, acht de rechtbank opmerkelijk dat [naam 1] eerder een andere verklaringen over de herkomst van de contante stortingen heeft afgelegd, te weten dat het afkomstig zou zijn van de verkoop van miners om BTC (bitcoin) en andere cryptomunten mee te minen. Wat daarvan ook zij, op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wist waar het geld van haar partner vandaan kwam, anders dan dat het vanaf de zakelijke rekening van haar partner naar haar werd overgemaakt. De verklaring van de verdachte dat zij de vaste lasten van het gezin grotendeels voor haar rekening nam en dat ze daarom zo nu en dan geld ontving van haar partner, al dan niet via zijn onderhoudsbedrijf, acht de rechtbank – ondanks dat het om twee aanzienlijke bedragen gaat – niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het witwasvermoeden in combinatie met de gezamenlijke huishouding en financiële afspraken tussen de verdachte en haar partner is niet van zodanige aard dat op basis daarvan moet worden geconcludeerd dat de verdachte wist of redelijkerwijze moest weten wat er destijds gaande was binnen de onderneming [bedrijfsnaam 2] .

De rechtbank oordeelt dus dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte wist, dan wel moest weten, dat de geldbedragen van € 9.500,- en € 6.500,- van enig misdrijf afkomstig zijn.

Ook ten aanzien van het resterende bedrag van € 17.022,30 bestaat een witwasvermoeden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de beperkte financiële middelen van de verdachte, daaronder begrepen het feit dat zij de vaste lasten van het gezin draagt (de huur van de woning aan [adres 1] , de opvoeding van twee kinderen, overige vaste lasten) en dat het om een zeer hoog bedrag gaat, dat bedrag in 2019 niet met het dienstverband bij [werkgever 1] bij elkaar gespaard kan zijn. Zij werkte daar op het moment dat zij de eigen inbreng aan de notaris betaalde, in juni 2018, ook pas een jaar.

De enkele verklaring van de verdachte dat zij het gespaard heeft en dat de politie daar maar onderzoek naar moet doen, is gelet op dit witwasvermoeden onvoldoende. Deze verklaring is in geen enkel opzicht concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk voor wat betreft de herkomst van het geld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 17.022,30 – middellijk of onmiddellijk – uit enig misdrijf afkomstig is.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [adres 2] heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl dit voorwerp gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk het gedeelte van de financiering van de aankoop van het pand van

€ 17.022,30.

[adres 3]

Ten aanzien van de aankoop van dit pand gelden zeer sterke witwasindicatoren, namelijk dat de hypotheeklening is verstrekt door een particulier (die geen financiële instelling is en geen kredietgever), dat een hypotheeklening is verstrekt voor een hoger bedrag dan de aankoopprijs van het pand (een meer dan 100% financiering van het pand terwijl het in verhuurde staat was), dat de WOZ-waarde van het pand in het peiljaar veel hoger lag dan de aankoopprijs en tenslotte dat de betalingen (rente en aflossing) niet overeenkomstig de leningsovereenkomst zijn verricht. De verklaringen van de verdachte en [naam 4] , dat ze elkaar eigenlijk niet kenden en elkaar amper hebben ontmoet, niet elkaars financiële en kredietwaardige achtergronden hebben gecheckt, risicovolle financiële afspraken hebben gemaakt en dat de verdachte door [naam 4] niet aan die betalingsafspraken is gehouden, is hoogst onwaarschijnlijk. Dit had immers – juist in de constructie van een particuliere geldleningverstrekking – wel voor de hand gelegen. Het staat vast dat [naam 4] het geldbedrag heeft geleend aan de verdachte, maar de rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde ongebruikelijke, zeer verdachte omstandigheden rondom de aankoop van het pand en de lening bij [naam 4] , het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. De enkele verklaring van de verdachte en van [naam 4] dat [naam 4] er enkel een goede investeringsmogelijkheid in zag, zonder nader te duiden waar die goede investeringskans uit zou bestaan gelet op hetgeen hiervoor is genoemd, is onvoldoende concreet. Temeer nu uit door de verdachte voorafgaand aan de zitting overgelegde stukken blijkt dat sprake was van funderingsproblemen bij het pand.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte de [adres 3] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij moest vermoeden dat dat pand geheel uit misdrijf afkomstig was.

[adres 4]

De rechtbank overweegt allereerst dat een deel van het pand is gefinancierd met de opbrengst van de verkoop van de [adres 2] , terwijl die [adres 2] deels afkomstig is uit enig misdrijf. Gelet op het eerder weergegeven juridisch kader van witwassen, is de rechtbank van oordeel dat de aankoop van de [adres 4] daarmee al deels afkomstig is uit enig misdrijf, enerzijds via vermenging, anderzijds omdat het als vervolgprofijt is aan te merken van de winst op de verkoop van de [adres 2] .

Ten aanzien van de hypotheeklening die de verdachte van [bedrijfsnaam 4] B.V. heeft gekregen, is het volgende van belang. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen valt naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband te leggen tussen het geleende bedrag en een bepaald misdrijf. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de lening uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor acht zij de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op de hypotheeklening van [bedrijfsnaam 4] B.V. zijn meerdere witwasindicatoren van toepassing, op basis waarvan zonder meer een redelijk vermoeden van witwassen is gerechtvaardigd. Zo is de hypothecaire geldlening verstrekt door een niet-financiële instelling, laat staan een kredietverstrekker. [bedrijfsnaam 4] B.V. was ook de verkoper van het pand waarbij het gefinancierde deel van de koopsom dus verschuldigd is gebleven na de aankoop van het pand door de verdachte. Daarnaast heeft [bedrijfsnaam 4] B.V. het pand twaalf dagen na de eigen oprichting gekocht en heeft zij het pand vervolgens binnen een zeer korte tijd (een maand) doorverkocht aan de verdachte mét een hypothecaire lening. De hypotheek zelf heeft een bijzonder korte looptijd van zes maanden terwijl bij het afsluiten van de hypotheek geen zekerheid bestond dat de verdachte de lening na zes maanden zou kunnen terugbetalen. De hypotheek is dan ook pas na ruim een jaar en twee maanden afgelost met een andere lening. Ook is gebleken dat de RNHB, een financieringsinstelling voor vastgoed, een herfinancieringsaanvraag van de verdachte voor de [adres 4] heeft afgewezen en een Melding Ongebruikelijke Transactie heeft gedaan, onder meer vanwege de opvallendheden rondom de verkoop en financiering door [bedrijfsnaam 4] B.V.

Dat de financieringsaanvraag bij [bedrijfsnaam 4] B.V. financieel gunstig zou zijn is evenmin gebleken of onderbouwd. Op zitting verklaarde de verdachte dat zij de eigenaar van [bedrijfsnaam 4] B.V. goed kent en dat hij dat pand aan haar heeft voorgesteld en samen heeft bezichtigd. Dit zou maanden voorafgaand aan de (door)verkoop aan de verdachte hebben plaatsgevonden, terwijl [bedrijfsnaam 4] B.V. het pand toen niet eens in haar bezit had (en het bedrijf ook nog niet was opgericht). Bij de aankoop van het pand heeft de verdachte geen vragen gesteld over de verkoopconstructie van [bedrijfsnaam 4] B.V., geen bouwkundige keuring laten uitvoeren en de verkoopprijs zonder onderhandeling geaccepteerd. Deze gang van zaken zou volgens haar acceptabel zijn geweest zowel voor [bedrijfsnaam 4] B.V. als voor de verdachte gelet op de vriendschappelijke band tussen de verdachte en [naam 5] . De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een lening van een dergelijk hoog bedrag wordt verstrekt, enkel op basis van vertrouwen en zonder aantoonbaar rendement. Dit levert immers een onaanvaardbaar hoog risico op voor een bedrijf. Dit geldt in het bijzonder voor [bedrijfsnaam 4] B.V. die naast [naam 5] twee andere bestuurders heeft die de verantwoordelijkheid voor de onderneming dragen.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank dan ook af dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden, voor het bedrag van € 80.000,- afkomstig van de hypotheeklening waarmee het pand is aangekocht door de verdachte.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte [adres 4] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij moest vermoeden dat deze gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig was.

Tussenconclusie: (gedeeltelijk) witwassen

De tussenconclusie luidt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte [adres 2] en [adres 4] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij moest vermoeden dat deze gedeeltelijk van enig misdrijf afkomstig waren, en dat zij de [adres 3] heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl zij moest vermoeden dat dat pand geheel van enig misdrijf afkomstig was. In ieder geval ten aanzien van de [adres 4] en de [adres 3] heeft zij dit gedaan tezamen en in vereniging met anderen, te weten de leningverstrekkers.

Witwassen huurpenningen

In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat de huurpenningen die de verdachte heeft ontvangen met de verhuur van de appartementen in haar panden, eveneens (gedeeltelijk) afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het betreft hier de vruchten van voorwerpen die door enig misdrijf zijn verkregen en voorhanden zijn, en die als vervolgprofijt zijn aan te merken.

3.5.5.

Witwassen contante bedragen in verband met verbouwing [adres 3] en [adres 4]

De verbouwingen van de [adres 3] en de [adres 4]

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de [adres 3] grondige verbouwingen hebben ondergaan nadat deze door de verdachte zijn aangeschaft. Er zijn vijf zelfstandige woningen van gemaakt door het plaatsen van nieuwe gipswanden, kozijnen, keukens en badkamers, en ook voor het overige is er flink gerenoveerd (verven, kitten, leidingen vervangen, nieuwe verwarming/radiatoren en ketels). De politie schat de verbouwingskosten op € 235.943,60, terwijl daarvan (bijna) geen betalingen terug te vinden zijn op de rekeningen van de verdachte en ook geen enkele facturen van terug te vinden zijn.

De [adres 4] is eveneens verbouwd nadat de verdachte dit pand heeft aangekocht. De verdachte heeft het laten opsplitsen in drie zelfstandige woningen zodat zij die kon verhuren, maar heeft dit op last van de gemeente moeten terugdraaien omdat de splitsing van het pand niet was vergund. Ook in deze woningen waren destijds nieuwe keukens geplaatst, een dakkapel, nieuwe douchecabines, toiletten en inbouwapparatuur. De politie schat de gemaakte kosten op € 112.000,-, waarvan slechts € 17.563,05 terug te herleiden is naar betalingen die de verdachte heeft gedaan. Het overige bedrag, € 94.436,95, moet volgens de politie met zwart geld zijn gefinancierd en daarmee een criminele herkomst hebben.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de panden dus aangekocht en flink gerenoveerd, en de verdachte heeft deze vervolgens kunnen verhuren tegen een goede prijs. De financiering van die verbouwingen is op een zeer klein deel na niet terug te herleiden tot de bankrekeningen van de verdachte en er zijn ook nauwelijks facturen van te vinden. De verdachte heeft ook geen bekend inkomen waarmee zij in staat zou kunnen zijn om dergelijke verbouwingen te financieren. Het is ook een bekende witwasconstructie om panden te kopen, verbouwingen te financieren met crimineel geld, en vervolgens voor meer geld te verkopen of een hoge huurprijs te kunnen vragen. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.

De verklaring van de verdachte

Ook ten aanzien van deze verbouwingen heeft de verdachte 2,5 jaar gezwegen en op de terechtzitting voor het eerst een verklaring afgelegd. Zij heeft op details na grotendeels bevestigd dat de verbouwingen gerealiseerd zijn. Zij heeft verklaard dat de kosten echter veel lager waren, omdat haar schoonvader [naam 6] de verbouwingen in zijn eentje heeft gefinancierd en vervolgens zelf alle werkzaamheden heeft verricht. De materialen heeft zij dus niet hoeven betalen en de werkzaamheden zijn als vriendendienst verricht. [naam 6] is immers de opa van de kinderen van de verdachte en kon dit doen omdat hij zelf genoeg geld had (dat verklaart hij zelf ook, in een schriftelijke verklaring die vlak voor de terechtzitting door de verdediging is toegestuurd). Op de vraag hoe de verdachte dan wist dat dit geld geen criminele herkomst zou hebben, verklaarde de verdachte dat [naam 6] haar verteld had dat hij een groot geldbedrag in bezit had en dat hij door de rechtbank is vrijgesproken van witwassen van dat geldbedrag, dus was het bedrag legaal.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de berekeningen die in het dossier gemaakt zijn ten aanzien van de gemaakte kosten voor de verbouwingen, gebaseerd zijn op prijsindicaties van websites die zijn geraadpleegd op 6 november 2025. Het is algemeen bekend dat de kosten van bouwmaterialen, het loon van bouwvakkers, huur van containers, etc., enorm zijn gestegen sinds 2020. Dit terwijl de [adres 3] en de [adres 4] verbouwd zijn in de periode van 2018-2020. Bovendien zijn het zeer algemene berekeningen, gebaseerd op kosten per m2. Om die redenen kan de rechtbank de exact berekende kosten op basis van het dossier niet vaststellen. Dat laat onverlet dat de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen oordeelt dat ook in 2018-2020 de gemiddelde kosten voor de verbouwingen die zijn verricht aan de [adres 3] en de [adres 4] , een stuk hoger moeten zijn geweest dan de kosten die terug te herleiden zijn naar betalingen en facturen van de verdachte.

De verklaringen van de verdachte over de mogelijk legale herkomst van de betalingen van die verbouwingen, zijn naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk. Hoewel uit het dossier blijkt dat [naam 6] zich inderdaad in verregaande mate heeft bemoeid met de verbouwingen, blijkt daaruit ook dat hij dit niet alleen heeft gedaan. Het gaat om zeer grondige verbouwingen, waarvan de rechtbank op zichzelf al hoogst onwaarschijnlijk acht dat [naam 6] deze in zo’n korte periode in zijn eentje zou kunnen realiseren. Uit het dossier blijkt verder dat [naam 6] contact heeft met ene [naam 7] , die hem helpt met verbouwingswerkzaamheden bij de [adres 4] en dat zwartwerkers zijn ingeschakeld. Een huurder van de [adres 3] heeft verklaard dat hij rond de tien mensen aan het werk zag tijdens de verbouwing. Een andere getuige, [getuige 2] , heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij voor de verbouwing van de [adres 4] een keukenleverancier, loodgieter en een stukadoor of schilder heeft ingeschakeld en dat die zeker weten werkzaamheden zouden hebben verricht. Er moeten dus meer kosten aan arbeid en materialen zijn gemaakt dan de verdachte daarover heeft verklaard.

Verder overweegt de rechtbank dat ook als het klopt dat [naam 6] de betaling van de verbouwingen zou hebben gedragen, dat daarmee het witwasvermoeden nog niet is weerlegd. De enkele opmerking van de verdachte, en ook de (op het allerlaatste moment aan het dossier toegevoegde) schriftelijke verklaring van [naam 6] , dat hij ‘een groot geldbedrag voorhanden had’, verklaart wel de herkomst, maar vervolgens niet de wijze waarop [naam 6] dit bedrag dan (legaal) in bezit heeft gekregen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, verbouwingen heeft verricht aan de [adres 3] en aan de [adres 4] , en dat de kosten van die verbouwingen betaald zijn met uit enig misdrijf afkomstige gelden. De rechtbank verklaart niet bewezen dat de specifieke ten laste gelegde contante geldbedragen zijn witgewassen, omdat zij de berekening niet geheel kan volgen. De rechtbank zal dus bewezen verklaren dat de verdachte ‘contante geldbedragen’ voorhanden heeft gehad en gebruikt, terwijl zij moest vermoeden dat deze afkomstig waren van enig misdrijf.

3.5.6.

Dagvaarding II: valsheid in geschrifte

[werkgever 4]

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van oktober 2019 – februari 2023 loon heeft ontvangen van het bedrijf [werkgever 4] II B.V. (hierna: [werkgever 4] ), waar [naam 8] haar baas zou zijn. De politie vermoedde dat dit dienstverband fictief was om crimineel geld wit te wassen en te kunnen investeren in vastgoed. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de auto van de verdachte nooit is gesignaleerd in de buurt van het kantoor van [werkgever 4] , terwijl die auto wel met grote regelmaat bij de manege is geweest. Ook haar telefoons zijn niet in de buurt van het kantoor te traceren. Werknemers die in die periode bij [werkgever 4] werkten, verklaren de verdachte niet te kennen, niet van gezicht, niet van naam en niet als werknemer bij [werkgever 4] . De verdachte sorteerde volgens [naam 8] bonnetjes en bankafschriften voor de boekhouders, maar hiervoor zou zij dan een hoger salaris hebben ontvangen dan deze boekhouders die meer verantwoordelijkheden en hogere scholing hebben. Op de telefoons van de verdachte en [naam 8] is met name communicatie over belastingaangifte en salarisbetalingen terug te vinden. Op een netwerkzoeking in het kantoor van [werkgever 4] is niets aangetroffen waaruit werkzaamheden van of correspondentie met de verdachte blijkt.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat zij bij [werkgever 4] verantwoordelijk was voor het ordenen van facturen en bonnetjes, zodat daarna de boekhouders daarmee makkelijk aan het werk konden. Zij werkte altijd vanuit huis of vanaf de manege, nóóit op kantoor. Zij nam grote bigshoppers mee met alle papieren daarin en haalde die met de e-bike op. Als zij ze niet ophaalde, haalde haar partner of schoonvader, [naam 1] en [naam 6] , de bigshoppers met bonnetjes en facturen op, zodat zij weer een tijdje vooruit kon. Dat de andere medewerkers haar niet kennen, komt omdat zij elkaar niet spraken. Als zij de tassen op kantoor ging halen, liep zij door een gang rechtstreeks naar het kantoor van [naam 8] , dus konden de andere werknemers haar niet zien.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte over haar dienstverband bij [werkgever 4] ongeloofwaardig. Als zij veel vanuit huis werkte, is het onlogisch dat er geen digitale sporen van communicatie te vinden zijn die de inhoud van het werk betreffen. Als zij het voorwerk deed voor de boekhouders, is het onlogisch dat die boekhouders niet van haar werkzaamheden afweten. Volgens de verdachte zou zij in ieder geval vijftien keer bij het kantoor van [werkgever 4] zijn geweest, maar de vaste werknemers hebben haar nog nooit gezien terwijl zij wel kunnen vertellen over stagiaires en voormalige collega’s. De communicatie die terug te vinden is tussen de verdachte en [naam 8] op de inbeslaggenomen telefoon van [naam 8] gaat met name over het betalen van salaris en haar eigen belastingaangifte waarbij [naam 8] allerlei financiële zaken voor de verdachte en/of haar eenmanszaak lijkt te regelen. Dit versterkt naar het oordeel van de rechtbank juist het vermoeden dat zij helemaal niet voor [werkgever 4] gewerkt heeft, maar dat haar dienstverband daar enkel en alleen bestond om haar te voorzien van een ogenschijnlijk legale inkomstenbron. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de verklaring van de verdachte, dat zij vanuit haar woning aan [adres 1] op de e-bike richting het kantoor van [werkgever 4] ging (een route van 18 kilometer heen en 18 kilometer terug, terwijl zij de beschikking had over een auto) en vervolgens de papiertjes in de bigshopper achterop nam, dan wel dat zij vanaf de manege werkte, onlogisch en ongeloofwaardig is. De rechtbank oordeelt dat dit bij uitstek een verklaring is die afgelegd had kunnen worden in de beginfase van het onderzoek. De verdachte heeft dit niet gedaan en lijkt de verklaringen tot in de details afgestemd te hebben op de onderzoeksbevindingen (namelijk dat haar auto nooit in de buurt van het kantoor is gekomen en dat zij vaak op de manege was).

De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, door in strijd met de waarheid een arbeidsovereenkomst met [werkgever 4] op te (laten) maken en te gebruiken. Zij heeft deze immers aan de ING-bank getoond in een reactie op vragen van de ING met betrekking tot haar financiën.

In het verlengde hiervan oordeelt de rechtbank dat de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan het (laten) vervalsen en gebruiken van salarisspecificaties afkomstig van [werkgever 4] , tezamen en in vereniging met een ander.

Huurovereenkomst [naam 9]

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een huurovereenkomst tussen zichzelf en [naam 9] , haar (stief)vader, betreffende de verhuur van een appartement op de 2e/3e etage van het pand aan de [adres 4] aan die [naam 9] , heeft overhandigd aan de RNHB in een poging tot het verkrijgen van een herfinanciering van de [adres 4] . [naam 9] heeft bij zijn eerste verhoor verklaard dat hij daar nooit gewoond heeft, dat de handtekening op de overeenkomst niet zijn handtekening is, en dat hij het ook nooit zou kunnen betalen. [naam 9] is ook nooit op het adres ingeschreven.

De verdachte heeft verklaard dat [naam 9] de huurovereenkomst niet getekend heeft, maar haar moeder, omdat dit praktischer was. Dit is slechts een kleine omissie, want het plan was wel degelijk het appartement aan [naam 9] te verhuren, omdat [naam 9] een Spaanse vriend had die erin zou komen te wonen. [naam 9] heeft later zijn verklaring aangepast en alsnog bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de woning voor een vriend geregeld had. Op nadere vragen over wie deze vriend is en wat zijn naam en contactgegevens zijn, heeft hij geen antwoord gegeven. De verdachte heeft verklaard dat het onlogisch zou zijn als zij een valse huurovereenkomst zou gebruiken om een financiering te verkrijgen. Immers had zij in die periode ook andere huurders en had zij ook die overeenkomsten kunnen gebruiken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de verdachte en de later aangepaste verklaring van [naam 9] ongeloofwaardig zijn. Vast staat dat [naam 9] nooit in het appartement aan de [adres 4] gewoond heeft en er ook nooit zou gaan wonen, en er is geen enkele aanwijzing dat de huurovereenkomst bedoeld zou zijn voor een Spaanse vriend van [naam 9] anders dan de op elkaar afgestemde verklaringen van de verdachte en [naam 9] . Van alle huurovereenkomsten aan de [adres 4] is [naam 9] de enige ‘huurder’ van wie er een kopie van een legitimatiebewijs in de administratie van de verdachte zat, en het bedrag dat hij zou betalen is hoger dan dat andere huurders betalen. Om die redenen was het voor de verdachte gunstiger om deze overeenkomst, en niet andere overeenkomsten, op te maken en te tonen aan de RNHB om een (her)financiering te krijgen.

De rechtbank is dus van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, de huurovereenkomst valselijk heeft opgemaakt en gebruikt.

Factuur [bedrijfsnaam 5] B.V.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een factuur van [bedrijfsnaam 5] B.V. (bedrag € 16.800,-) aan de RNHB heeft getoond bij haar herfinancieringsaanvraag voor de [adres 4] . Zij heeft op die manier de waardevermeerdering van het pand willen onderbouwen. De eigenaar van het bedrijf [bedrijfsnaam 5] B.V., [getuige 2] , heeft echter verklaard dat hij zeker weet dat zijn bedrijf deze werkzaamheden nooit heeft verricht. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat in de administratie van [bedrijfsnaam 5] B.V. een andere factuur is aangetroffen met hetzelfde factuurnummer. Dit hoort niet te kunnen, aldus getuige [getuige 2] . Verder is op de rekeningen van de verdachte geen enkele betaling te herleiden naar deze factuur.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat de factuur wel is opgemaakt met het idee dat de werkzaamheden uitgevoerd zouden worden, maar dat de werkzaamheden uiteindelijk niet zijn uitgevoerd. De factuur is dus niet vals opgemaakt, maar aan de plannen is geen uitvoering gegeven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik maken van een vals geschrift, nu zij wist dat [bedrijfsnaam 5] B.V. geen werkzaamheden had verricht en zij deze factuur toch aan de RNHB heeft getoond als bewijs van enig feit.

Conclusie

De conclusie luidt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermaals medeplegen van valsheid in geschrifte en dat zij al deze geschriften ook heeft gebruikt als ware zij echt en onvervalst. Wel komt de rechtbank op grond van de data van de betreffende geschriften tot een kortere bewezenverklaarde periode dan is tenlastegelegd.

3.5.7.

Conclusie

Alles bij elkaar genomen komt de rechtbank tot de volgende conclusie.

Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van drie panden, te weten (gedeeltelijk) [adres 2] , [adres 3] , en (gedeeltelijk) [adres 4] . De huurpenningen afkomstig van de verhuur van de appartementen in de [adres 2] (gedeeltelijk), de [adres 3] en die van de [adres 4] (gedeeltelijk) zijn dus ook (deels) van misdrijf afkomstig. De verbouwingen aan de [adres 3] en de [adres 4] zijn eveneens gefinancierd met uit misdrijf afkomstig geld, al kan de rechtbank de hoogte van die bedragen niet vaststellen. Hieruit vloeit voort dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Al met al acht de rechtbank het bij dagvaarding II ten laste gelegde integraal bewezen en het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde gedeeltelijk. Het bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

09/157565-23 (dagvaarding I)

1.zij in de periode van 5 juni 2018 tot en met 7 april 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen telkens van voorwerpen, te weten:- een pand gelegen aan [adres 2] en de verkregen huurpenningen in relatie tot dat pand en- een pand gelegen aan de [adres 3] en een contant geldbedrag en de verkregen huurpenningen in relatie tot die panden en - een pand gelegen aan de [adres 4] en een contant geldbedrag en de verkregen huurpenningen in relatie tot dat pand,

- heeft verworven en voorhanden heeft gehad,

terwijl zij, verdachte, en haar mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en zij, verdachte, en haar mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

09/105695-26 (dagvaarding II)

zij in de periode van 27 september 2019 tot en met 30 september 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

A. een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 27 september 2019 tussen [naam 8] , handelend als vertegenwoordiger van [werkgever 4] B.V. II, en [verdachte] ,

B. salarisspecificaties op naam van [verdachte] en afgegeven door [werkgever 4] B.V. betreffende één of meerdere maanden in 2020 en 2021,

C. een 2-jarige huurovereenkomst gedateerd 01-10-2020 tussen [naam 9] , als huurder, en [verdachte] , als verhuurder van een woning gelegen aan [adres 4] , en/of

D. een factuur van [bedrijfsnaam 5] B.V. gericht aan [verdachte] , gedateerd 18-11-2020, met daarop een factuurbedrag van 16.800 euro voor diverse werkzaamheden inzake een pand gelegen aan [adres 4] ,

telkens valselijk hebben opgemaakt en/of laten opmaken,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, telkens valselijk en in strijd met de waarheid

A. op die arbeidsovereenkomst vermeld en/of laten vermelden dat zij, verdachte,werkzaam was als junior assistent accountant voor [werkgever 4] B.V. sinds 1 oktober 2019 en een arbeidsovereenkomst had voor bepaalde tijd bij [werkgever 4] B.V. en inkomen genoot uit voornoemd dienstverband,

B. op die salarisspecificaties vermeld en/of laten vermelden dat zij, verdachte, werkzaam was voor [werkgever 4] B.V. en werkzaamheden heeft verricht en loon verdiend/uitbetaald heeft gekregen en loon opgebouwd heeft,

C. op die huurovereenkomst vermeld en/of laten vermelden dat [naam 9] een woning gelegen aan [adres 4] met ingang van 1 oktober 2020 tot 30 september 2022 huurt van verdachte, en die huurovereenkomst voorzien en/of laten voorzien van een valse handtekening van [naam 9] , en

D. op die factuur vermeld en/of laten vermelden dat [bedrijfsnaam 5] B.V. voor 16.800 euro werkzaamheden had verricht aan een pand gelegen aan [adres 4] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

En

zij in de periode van 27 september 2019 tot en met 30 september 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

A. een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 27 september 2019 tussen [naam 8] , handelend als vertegenwoordiger van [werkgever 4] B.V. II, en [verdachte] ,

B. salarisspecificaties op naam van [verdachte] en afgegeven door [werkgever 4] B.V. betreffende een of meerdere maanden in 2020 en 2021,

C. een 2-jarige huurovereenkomst gedateerd 01-10-2020 tussen [naam 9] , als huurder, en [verdachte] , als verhuurder van een woning gelegen aan [adres 4] , en

D. een factuur van [bedrijfsnaam 5] B.V. gericht aan [verdachte] , gedateerd 18-11-2020, met daarop een factuurbedrag van 16.800 euro voor diverse werkzaamheden inzake een pand gelegen aan [adres 4] ,

heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als waren deze echt en onvervalst, en

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van voornoemde valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst,

A en B. door voornoemde arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties te verstrekken en overleggen aan de ING in het kader van een cliëntonderzoek en ter beantwoording van vragen van de bank, en

C en D. door voornoemde huurovereenkomst en factuur te verstrekken en overleggen aan de RNHB ter verkrijging van een (her)financiering en/of een lening voor het pand aan [adres 4] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt, heeft de verdediging verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de periode die zij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het (gedeeltelijk) gewoontewitwassen van drie panden, verbouwingskosten en huurpenningen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Witwassen leidt er namelijk toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk en ogenschijnlijk legaal over het geld kan beschikken. De verdachte heeft zich gedurende de pleegperiode en ten behoeve van haar witwaspraktijken meermaals bediend van valse geschriften, hetgeen de professionaliteit en gewiekstheid waarmee zij te werk ging alleen maar onderschrijft.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026. Daaruit blijkt dat zij in het verleden meermaals veroordeeld is wegens vermogensdelicten (uitgeven vals geld, vervalsingen, diefstallen). De laatste veroordeling dateert van 11 maart 2014 en daarvoor is zij in 2011 meerdere malen veroordeeld. De pleegperiode van de feiten die in dit vonnis besproken zijn, vangt aan op 1 juni 2017. De rechtbank weegt de eerdere veroordelingen dus in het nadeel van de verdachte mee.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank overweegt dat in beginsel bij dergelijke ernstige feiten gedacht moet worden aan een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de verdachte tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name de omstandigheid dat zij de zorg over twee minderjarige kinderen heeft en dat de vader van de kinderen reeds is veroordeeld tot een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden met ruim vijf maanden. Ook wordt het pand aan de [adres 3] en het grootste gedeelte van de uit de verhuur van de drie panden afkomstige huurpenningen verbeurdverklaard (zie hierna), wat een zware bijkomende straf is. De rechtbank zal dit alles in strafverlagende zin meewegen en daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen die langer is dan de periode die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Gelet op de gewiekstheid en professionaliteit van de gepleegde feiten, alsmede de omstandigheid dat de verdachte totaal geen inzicht lijkt te hebben in haar laakbare handelen, is de rechtbank van oordeel dat er ter voorkoming van recidive nog een flinke stok achter de deur moet gelden in de vorm van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een gevangenisstraf van een jaar opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan, daaronder begrepen de lange pleegperiode, en ook de proceshouding van de verdachte, nog onvoldoende tot uitdrukking zijn gekomen in deze strafmaat. Daarom zal naast deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf ook een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren aan de verdachte worden opgelegd, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

7 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de onder nrs. 7 en 8 genoemde goederen, te weten de woningen gelegen aan de [adres 3] , worden verbeurdverklaard. De officieren van justitie hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat ook de huurinkomsten afkomstig uit de verhuur van de [adres 2] ter hoogte van € 20.550,-, de [adres 3] ter hoogte van € 434.172,49, en de [adres 4] ter hoogte van

€ 57.988,09 verbeurd dienen te worden verklaard. Hoewel op de huurinkomsten afkomstig uit de verhuur van de [adres 2] en de [adres 4] geen beslag is gelegd omdat die woningen reeds waren verkocht, kunnen deze bedragen gelet op het bepaalde in artikel 34 Sr niettemin verbeurd worden verklaard, aldus de officieren van justitie.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 7 en 8 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel door middel van het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.

Ten aanzien van de huurpenningen overweegt de rechtbank als volgt.

Goederen die niet bij de verdachte in beslag zijn genomen, kunnen ook verbeurd worden verklaard als aangenomen kan worden dat de verdachte daarover beschikt of heeft beschikt. De voorwerpen of geldbedragen die het betreft moeten dan worden uitgeleverd of de geschatte waarde van die voorwerpen moet worden betaald. Dit volgt uit artikel 34 Sr.

Met betrekking tot de [adres 2] overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat de verdachte dit pand samen met anderen heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij moest vermoeden dat dit gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf, te weten voor een bedrag van € 17.022,30. Dit betreft 10,64 % van het gehele aankoopbedrag van € 160.000,-. Dit percentage in aanmerking nemend bij de berekening van het uit voornoemd witwassen afkomstig vervolgprofijt (de huurpenningen ad € 20.550,-- die de verdachte heeft verkregen uit de verhuur van de woning), komt de rechtbank uit op een bedrag van € 2.186,52. De rechtbank zal de huurpenningen afkomstig uit de verhuur van de [adres 2] voor dat bedrag verbeurdverklaren waarbij de rechtbank de geschatte waarde gelijkstelt aan de hoogte van het geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat deze huurpenningen door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en de verdachte daarover op haar bankrekening(en) beschikt of heeft beschikt.

Met betrekking tot de [adres 3] overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat de verdachte dit pand samen met anderen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij moest vermoeden dat het geheel afkomstig was uit enig misdrijf. Uit het dossier volgt dat de huurpenningen die zij op haar bankrekeningen heeft ontvangen met de verhuur van de woningen in dat pand € 406.822,49 bedragen. Uitgegaan is van het totaalbedrag aan ontvangen huurpenningen van € 434.172,49 (AMB-640) minus de huurpenningen die vanaf 26 januari 2024 tot en met 6 mei 2024 op de rekening van [bedrijfsnaam 6] zijn ontvangen en waarvan niet is gebleken dat [verdachte] over die gelden de beschikking heeft gehad (AMB-642 en AMB-328). De rechtbank zal de huurpenningen afkomstig uit de verhuur van de woningen aan de [adres 3] voor de hoogte van € 406.822,49 verbeurdverklaren, waarbij de rechtbank de geschatte waarde ervan gelijkstelt aan de hoogte van het door de verdachte verkregen geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat deze huurpenningen door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en de verdachte daarover beschikt of heeft beschikt. Dat op de huurpenningen afkomstig uit de verhuur van de [adres 3] conservatoir beslag ligt, doet aan de mogelijkheid van verbeurdverklaren niet af (zie ECLI:NL:HR:2017:949).

Met betrekking tot de [adres 4] overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat de verdachte dit pand samen met anderen heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij moest vermoeden dat dit gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf. Voor het bedrag van € 80.000,- (het deel van de aankoopsom betaald met de hypotheek van [bedrijfsnaam 4] B.V.) geldt dat dit geheel uit enig misdrijf afkomstig is. Met betrekking tot het bedrag van € 100.000,-, het deel van de aankoopsom betaald uit de verkoopopbrengst van de [adres 2] , geldt dat dit gedeeltelijk en middellijk uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie het laatstgenoemde vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. De rechtbank zal dat bedrag dus in het voordeel van de verdachte buiten beschouwing laten bij de berekening van de huurpenningen die zijn verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit. Het bedrag van € 80.000,- bedraagt 45,71% van het aankoopbedrag van € 175.000,-. Dit percentage in aanmerking nemend bij de berekening van het uit voornoemd witwassen afkomstig vervolgprofijt (de huurpenningen ad € 57.988,09 die de verdachte heeft verkregen uit de verhuur van de woning), komt de rechtbank uit op een bedrag van € 26.506,36. De rechtbank zal de huurpenningen afkomstig uit de verhuur van de [adres 4] voor dat bedrag verbeurdverklaren waarbij de rechtbank de geschatte waarde gelijkstelt aan de hoogte van het geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat deze huurpenningen door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen en de verdachte daarover op haar bankrekening(en) beschikt of heeft beschikt.

8 De voorlopige hechtenis

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, aangezien de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de haar op te leggen gevangenisstraf reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 34, 47, 57, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van dagvaarding II:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (ÉÉN) JAAR;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 264 (tweehonderdvierenzestig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 7 en 8 genoemde goederen, te weten:

- 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: [kadastraal kenmerk 1] )

- 1 STK Onroerende registergoederen (Omschrijving: [kadastraal kenmerk 2] );

verklaart verbeurt het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

geldbedrag van € 406.822,49;

verklaart verbeurd de niet in beslag genomen voorwerpen, te weten:

geldbedragen geschat - en de betalingsverplichting daartoe vastgesteld op - in totaal € 28.692,88 (€ 2.186,52 + € 26.506,36), bij geen (of niet gehele) voldoening te vervangen door 153 dagen vervangende hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

09/157565-23 (dagvaarding I)

1.zij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 7 april 2024, te Pijnacker en/of Haarlem en/of Rotterdam en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (van) één of meer voorwerp(en), te weten:- een pand gelegen aan [adres 2] en/of de verkregen huurpenningen in relatie tot dat pand (AMB-639), en/of- een pand gelegen aan de [adres 3] en/of een (contant) geldbedrag van (in totaal) ongeveer 235.943,60 euro (AMB-660) en/of de verkregen huurpenningen in relatie tot dat/die pand(en) (AMB-640), waaronder een (contant) geldbedrag van tenminste 45.322,63 euro (AMB-445), en/of- een pand gelegen aan de [adres 4] en/of een (contant) geldbedrag van (in totaal) ongeveer 94.436,95 euro (AMB-663) en/of de verkregen huurpenningen in relatie tot dat pand (AMB-642),

Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf en zij, verdachte, en/of haar mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

2zij, op of omstreeks 8 april 2024 te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag en/of horloges, te weten- 46.300 euro en/of- drie horloges van het merk Rolex en/of- één horloge van het merk Audemars Piguetalthans één of meer geldbedragen en/of voorwerpen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat dat/die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig en/of eigen misdrijf;

3.zij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 5 juni 2018 te Pijnacker, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door- een werkgeversverklaring van [werkgever 1] d.d. 14 maart 2018 ondertekend door [naam 3] en op naam van [verdachte] en/of- een of meerdere salarisstroken op naam van [verdachte] en afgegeven door werkgever [bedrijfsnaam 3] , te overhandigen en/of op te sturen, althans te doen overhandigen en/of opsturen aan/naar de Coöperatieve Rabobank ter verkrijging van een hypothecaire geldlening van (in totaal) 135.365 euro en/of tot (de) afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, en/of het verlenen van een dienst.

09/105695-26 (dagvaarding II)

zij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 2 maart 2023 te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

A. een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 27 september 2019 tussen [naam 8] , handelend als vertegenwoordiger van [werkgever 4] B.V. II, en [verdachte] ,

B. salarisspecificaties op naam van [verdachte] en afgegeven door [werkgever 4] B.V. betreffende één of meerdere maanden in 2020 en 2021,

C. een 2-jarige huurovereenkomst gedateerd 01-10-2020 tussen [naam 9] , als huurder, en [verdachte] , als verhuurder van een woning gelegen aan [adres 4] , en/of

D. een factuur van [bedrijfsnaam 5] B.V. gericht aan [verdachte] , gedateerd 18-11-2020, met daarop een factuurbedrag van 16.800 euro voor diverse werkzaamheden inzake een pand gelegen aan [adres 4] , althans een kopie/afschrift daarvan,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of heeft/hebben doen/laten opmaken en/of vervalsen,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid

A. in/op die arbeidsovereenkomst vermeld en/of doen/laten vermelden dat zij, verdachte,werkzaam was als junior assistent accountant voor [werkgever 4] B.V. sinds 1 oktober 2019 en/of een arbeidsovereenkomst had voor bepaalde tijd bij [werkgever 4] B.V. en/of inkomen genoot uit voornoemd dienstverband,

B. in/op die salarisspecificaties vermeld en/of doen/laten vermelden dat zij, verdachte, werkzaam was voor [werkgever 4] B.V. en/of werkzaamheden heeft verricht en/of loon verdiend/uitbetaald heeft (gekregen) en/of loon opgebouwd heeft,

C. in/op die huurovereenkomst vermeld en/of doen/laten vermelden dat [naam 9] een woning gelegen aan [adres 4] met ingang van 1 oktober 2020 tot 30 september 2022 huurt van verdachte, en die huurovereenkomst voorzien en/of doen/laten voorzien van (een) valse handtekening(en) en/of parafen van [naam 9] , en/of

D. in/op die factuur vermeld en/of doen/laten vermelden dat [bedrijfsnaam 5] B.V. voor 16.800 euro werkzaamheden had verricht in/aan een pand gelegen aan [adres 4] ,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

En/of

zij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 2 maart 2023 te Pijnacker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

A. een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 27 september 2019 tussen [naam 8] , handelend als vertegenwoordiger van [werkgever 4] B.V. II, en [verdachte] ,

B. salarisspecificaties op naam van [verdachte] en afgegeven door [werkgever 4] B.V. betreffende een of meerdere maanden in 2020 en 2021,

C. een 2-jarige huurovereenkomst gedateerd 01-10-2020 tussen [naam 9] , als huurder, en [verdachte] , als verhuurder van een woning gelegen aan [adres 4] , en/of

D. een factuur van [bedrijfsnaam 5] B.V. gericht aan [verdachte] , gedateerd 18-11-2020, metdaarop een factuurbedrag van 16.800 euro voor diverse werkzaamheden inzake een pand gelegen aan [adres 4] , althans een kopie/afschrift daarvan,

heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als waren deze echt en onvervalst, en/of

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer van voornoemde valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst,

A en B. door voornoemde arbeidsovereenkomst en/of salarisspecificaties te verstrekken en/of overleggen en/of te doen verstrekken en/of overleggen aan de ING in het kader van een cliëntonderzoek en/of ter beantwoording van vragen van de bank, en/of

C en D. door voornoemde huurovereenkomst en/of factuur te verstrekken en/of overleggen en/of te doen verstrekken en/of overleggen aan de RNHB ter verkrijging van een (her)financiering en/of een lening voor het pand aan [adres 4] .

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »