vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 15.181202.25 (zaak A) en 13.171019.25 (zaak B)
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in Basisregistratie Personen:
[adres] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 22 september 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovengenoemde parketnummers zijn aangebracht, ter zitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van Eck Rasmussen en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. V. Mes naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [persoon 3] als IFA-coach en de moeder naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en haar ouders in zaak B naar voren is gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in zaak B –, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
diefstal met geweld in vereniging van Airpods 3 pro en/of een identiteitskaart en/of een pinpas en/of een telefoon (merk Iphone 12) en/of een muts (merk Louis Vuitton) en/of een OV chipkaart en/of schoenen (merk Balenciaga) toebehorende aan [benadeelde partij 2] op 13 juni 2025 te [plaats] ,
door die [benadeelde partij 2]- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of- dreigend een pistool te tonen en/of een pistool te richten op die [benadeelde partij 2] en/of
- met een pistool tegen het hoofd te slaan en/of- dreigend de woorden "Je gaat krijgen!" te zeggen en/of soortgelijke woorden van dreigende aard;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie te weten een vuurwapen (gas-/alarmrevolver), van het merk Bruni Olympic, model 38, kaliber .22LR (ombouw, scherpschietend) op 13 juni 2025 te [plaats] ;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
medeplegen van het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 scherpe kogelpatronen, van het kaliber .22LR, merk CCI op 13 juni 2025 te [plaats] ;
Zaak B
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
doxing van (persoons)gegevens en/of foto’s van [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ) op 10 juli 2024 te Amsterdam en/of Zaandam;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ) op 9 juli 2024 te Amsterdam en/of Zaandam.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte partieel vrij moet worden gesproken van het gedachtestreepje ‘met een pistool tegen het hoofd slaan’. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om ook tot een bewezenverklaring te komen van dit gedachtestreepje. Dat dit is gebeurd blijkt uit de aangifte van de aangever en bovendien heeft de verdachte dit ter zitting ook verklaard.
ten aanzien van het onder 2 en onder 3 ten laste gelegde:
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het wapen en de munitie voor zover dit ziet op het medeplegen daarvan. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende bewijs in het dossier aanwezig om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking voor wat betreft het voorhanden hebben van het wapen en de munitie tussen de verdachte en zijn medeverdachte. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij het vuurwapen had, hij de aangever ermee heeft geslagen en dat het vuurwapen later door een ander is overgenomen. Dit past in de verklaring van de aangever die verklaart dat de verdachte met het wapen tegen zijn hoofd heeft geslagen en dat de medeverdachte [medeverdachte 1] het pistool vervolgens afpakte en de kogels aan hem liet zien. Deze feitelijke gang van zaken levert naar het oordeel van de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking op ten aanzien van het voorhanden hebben van het wapen en daarmee dus medeplegen daarvan.
Zaak B
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
Zaak A
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 13 juni 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, Air pods 3 pro en een identiteitskaart en een pinpas en een telefoon (merk Iphone 12) en een muts (merk Louis Vuitton) en een OV chipkaart en schoenen (merk Balenciaga), die aan [benadeelde partij 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] ,
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde partij 2]
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd te slaan en te stompen en
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en te trappen en
- dreigend een pistool te tonen en een pistool te richten op die [benadeelde partij 2] en
- met een pistool tegen het hoofd te slaan en
- dreigend de woorden "Je gaat krijgen!" te zeggen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 13 juni 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (gas-/alarmrevolver), van het merk Bruni Olympic, model 38, kaliber .22LR (ombouw, scherpschietend) zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
hij op 13 juni 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 scherpe kogelpatronen, van het kaliber .22LR, merk CCI
voorhanden heeft gehad;
Zaak B
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 10 juli 2024 te Amsterdam en/of Zaandam, persoonsgegevens van een ander,
te weten foto's van [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ) en haar voor- en
achternaam en haar leeftijd en de naam van haar school en haar telefoonnummer en haar accountnamen op Snapchat en TikTok heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde partij 1]
- vrees aan te (laten) jagen en
- ernstige overlast aan te (laten) doen;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 9 juli 2024 te Amsterdam en/of Zaandam, [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ) via iMessage dreigend de woorden toe te voegen:
"Ej luister dan vriend, zoek nog een keer cc met een mattie van me en ik regel een
heel liquidatie team is straat";
6 Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
9 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 220 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, waarvan 211 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan dit voorwaardelijke gedeelte van de straf moet volgens de officier van justitie, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen, ook de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en JBRA worden verbonden. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast eist de officier van justitie om aan de verdachte op te leggen een werkstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de eis rekening gehouden met het feit dat de verdachte voor een lange periode in zijn vrijheid is beperkt door de geldende schorsingsvoorwaarden van zijn voorlopige hechtenis, dat de redelijke termijn in zaak B is overschreden en dat sprake is van eendaadse samenloop.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om er rekening mee te houden dat de verdachte één jaar en drie maanden in zijn vrijheid is beperkt tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Ook heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in zaak B. Tot slot heeft de raadsman verzocht om de adviezen te volgen van de JBRA, en dus geen jeugddetentie op te leggen maar een werkstraf voor de duur van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in 2024 schuldig gemaakt aan doxing en bedreiging van het slachtoffer [benadeelde partij 1] (officiële achternaam [benadeelde partij 1] ). De verdachte heeft door het verspreiden van verschillende gegevens en foto’s de integriteit van het nog jonge slachtoffer aangetast. Dit feit heeft voor veel stress en zorgen bij haar en haar ouders gezorgd, onder meer doordat zij allerlei ongewenste, veelal seksueel getinte, berichten ontving van personen die zij niet kende. Het slachtoffer heeft hierdoor onder andere een nieuw telefoonnummer moeten nemen en durfde lange tijd niet alleen naar school te reizen. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld met de kennelijke bedoeling om het slachtoffer te schaden, en zich niet heeft bekommerd over de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Ook heeft de door de verdachte geuite bedreiging voor veel angst gezorgd bij het slachtoffer.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld. De verdachte en zijn medeverdachten hebben daarbij een echt vuurwapen, met daarin munitie, gebruikt. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door het dreigen met het wapen en het slaan tegen het hoofd van het slachtoffer met het wapen heeft de verdachte bovendien een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van het slachtoffer en andere personen genomen. De verdachte heeft met het plegen van dit feit voor veel overlast gezorgd, met nare gevolgen voor het slachtoffer. Dergelijke feiten zorgen voor angst en onveiligheid, in de eerste plaats natuurlijk voor het slachtoffer zelf, maar ook voor de samenleving als geheel. De verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is. De verdachte zal worden aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:
-
de rapportages van de Raad, waaronder het rapport ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van 15 september 2026;
-
de rapportages van de JBRA, waaronder de evaluatie ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van 9 september 2026.
JBRA heeft naar voren gebracht dat de schorsingsperiode wisselend verlopen is. Hoewel de verdachte niet gerecidiveerd is, verliep de samenwerking en communicatie met de verdachte stroef. De verdachte liet veel weerstand zien, was moeilijk aan te spreken op gemaakte afspraken en verantwoordelijkheden en schoot tijdens gesprekken in de verdediging. Daarnaast is het de verdachte beperkt gelukt om zelf invulling te geven aan zijn dagbesteding en toekomst. De verdachte heeft meerdere waarschuwingen gekregen en is in juli 2026 terug gemeld. Sinds kort lijkt er voorzichtig sprake te zijn van een positieve ontwikkeling, maar het is nog te vroeg om hier grote conclusies voor de toekomst aan te verbinden. JBRA adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De verdachte dient zich te houden aan de bijzondere voorwaarden, die inhouden dat de verdachte voor minimaal vier dagen per week een positieve dagbesteding heeft. Verder is het belangrijk dat de verdachte meewerkt aan het persoonlijkheidsonderzoek en aan de eventueel daaruit voortvloeiende geadviseerde inzet van behandeling en begeleiding, en eventuele systemische hulp. Tot slot moet de verdachte meewerken aan verdere hulpverlening die JBRA noodzakelijk acht, waaronder hulp gericht op het cannabisgebruik. JBRA adviseert om de toezicht en begeleiding voor 1 jaar in plaats van 2 jaar te bepalen. Er is tijdens de schorsingsperiode al veel hulpverlening ingezet, waarbij het ingezette IFA-traject bijvoorbeeld al in de afrondende fase is. JBRA hoopt dat de verdachte binnen een jaar aangemeld is bij de juiste therapeut en behandeling, waardoor JBRA ook af kan ronden.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke werkstraf, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die concreet door de JBRA zijn geformuleerd. De Raad adviseert anders dan JBRA om een proeftijd van 2 jaar te bepalen.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 66 dagen passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank oordeelt dat 60 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit betekent dat de verdachte, zolang hij zich aan de algemene en bijzondere voorwaarden houdt, niet opnieuw in detentie komt.
Anders dan geadviseerd door JBRA, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van 2 jaar verbinden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de verdachte de komende 2 jaar nog een duidelijk kader heeft met voorwaarden waar hij zich aan moet houden, waarop wordt toegezien door JBRA. Er wordt bij de verdachte nog een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen, en daaruit volgt mogelijk dat de verdachte nog begeleiding en (andere) hulpverlening nodig heeft. Ook acht de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte hulp krijgt gericht op het cannabisgebruik. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Verder zal de rechtbank aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 40 uren opleggen, zodat de verdachte ook nu nog de consequenties van zijn handelen ervaart. Indien de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende jeugddetentie kunnen worden toegepast voor de duur van 20 dagen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting jeugd en naar straffen in vergelijkbare zaken. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in zaak B.
10 De benadeelde partijen
Zaak A
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.812,35,- aan schadevergoeding, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade toewijsbaar en ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk, aangezien dit gedeelte van de vordering onvoldoende onderbouwd is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om aansluiting te vinden bij het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 2] en de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering ten aanzien van zowel het materiële gedeelte als het immateriële gedeelte is onvoldoende onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, aangezien de vordering door de minderjarige zelf is ingediend, terwijl dit door een wettelijk vertegenwoordiger had moeten gebeuren. Dit houdt in dat de vordering niet in dit strafgeding kan worden behandeld.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreekse immateriële schade heeft geleden. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat zij op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 aanhef en onder B van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van dit artikel heeft de benadeelde partij recht op een naar billijk vast te stellen vergoeding aan immateriële schade.
De benadeelde partij is door middel van het gebruik van geweld en met behulp van een echt vuurwapen bestolen van zijn spullen, waar de benadeelde partij een gebroken neus aan heeft overgehouden. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade billijk, wat via de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte wordt opgelegd.
De materiële schade is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
De verdachte zal daarom worden verplicht het vastgestelde schadebedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en de daarover per 13 juni 2025 verschuldigde wettelijke rente aan de Staat te betalen. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte en de mededaders ieder voor de gehele verplichting (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. De verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de mededaders de schade hebben vergoed.
Zaak B
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.043,- aan schadevergoeding, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de materiële schade. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen en een bedrag toe te wijzen tot maximaal € 500,-.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaring rechtstreekse schade is toegebracht. De vordering ten aanzien van de materiële schade is niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het volledige gevorderde bedrag aan materiële schade, te weten € 443,-, toe.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat zij op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 aanhef en onder B BW. Op grond van dit artikel heeft de benadeelde partij recht op een naar billijk vast te stellen vergoeding aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft naar voren gebracht dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde feit erg angstig is geweest en moeite had met slapen. Benadeelde durfde in een aantal maanden daarna niet meer naar buiten. Zij was bang dat zij de verdachte tegen zou komen op school. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 600,- aan immateriële schade billijk.
De verdachte wordt veroordeeld om het toegewezen bedrag van € 1.043 (zegge: duizend en drieënveertig euro) aan de benadeelde partij te vergoeden, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 9 juli 2024 voor de immateriële schade en 25 oktober 2024 voor de materiële schade.
In het belang van [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
12 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het in Zaak A onder feit 1, 2 en 3 en zaak B onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A
ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III
ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde:
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Zaak B
ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
het verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om die ander of een derde vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen of ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 66 (zesenzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging bij die jeugddetentie in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- een positieve dagbesteding heeft in de vorm van school en/of werk voor ten minste vier dagen per week;
- meewerkt aan de uitvoering van het persoonlijkheidsonderzoek bij Levvel, en aan de eventueel daaruit voortvloeiende geadviseerde inzet van behandeling of begeleiding, en eventuele systemische hulp;
- meewerkt aan verdere hulpverlening die de JBRA nodig acht, waaronder hulp gericht op het cannabisgebruik.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren.
Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 2] ter hoogte van € 1.000,- (zegge: duizend euro), behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 13 juni 2025, tot aan de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van € 1.043,- (zegge: duizend en drieënveertig euro), bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 9 juli 2024 voor de immateriële schade en 25 oktober 2024 voor de materiële schade, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] .
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij 1] ter hoogte van € 1.043,- (zegge: duizend en drieënveertig euro). Voormeld bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan, te weten 9 juli 2024 voor de immateriële schade en 25 oktober 2024 voor de materiële schade, tot aan de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M. Devis voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A. van Luijck en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.
[...]