Parketnummer : 20-000994-25
Uitspraak : 15 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 april 2025, parketnummer 03-133800-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-252778-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde bewerken en verwerken van de heroïne en cocaïne en integraal vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
De rechtbank heeft het overige tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
-
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1), en
-
‘medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 3),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van alle bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 03-252778-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Tot slot heeft de rechtbank de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag gelast.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Bij appelakte van 10 april 2025 is namens de verdachte beperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep richt zich blijkens deze akte uitdrukkelijk niet tegen de vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal subsidiair gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal toewijzen, maar de gevangenisstraf zal omzetten naar het maximum aantal uur taakstraf. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag kan worden teruggegeven aan de verdachte.
De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging, conform de subsidiaire eis van de advocaat-generaal, om te zetten naar het maximum aantal uur taakstraf, te weten 240 uren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen worden aangevuld met de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof van
1 september 2026.
Op te leggen straf
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof verzocht – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – om een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een groot voorwaardelijk deel, zodat de verdachte van zijn fouten kan leren.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande in het bijzonder als volgt.
Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich, samen met anderen, op 18 april 2024 in Maastricht schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne en dat hij het bewerken en verwerken van heroïne en cocaïne heeft voorbereid en bevorderd. Door zo te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de hele keten van productie en handel in verdovende middelen en is daarmee voorbijgegaan aan het gegeven dat verdovende middelen, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren. Gebruikers van de verdovende middelen veroorzaken bovendien diverse problemen, zoals verwervingscriminaliteit en overlast op straat. Het is daarbij algemeen bekend dat de financiële belangen in de drugshandel dusdanig groot zijn, dat ernstig geweld niet wordt geschuwd om deze belangen te verdedigen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij nog geen jaar eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet. Deze eerdere veroordeling, waarvan de proeftijd nog liep, heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Het hof weegt dit mee ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat het contact met de reclassering in het kader van zijn geschorste voorlopige hechtenis goed verloopt.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, is het hof van oordeel dat op grond van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. De door de verdachte opgevoerde persoonlijke omstandigheden maken niet dat het hof een andere of lichtere straf aangewezen acht, nu dit geen recht zal doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof acht het van belang dat bij het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering zal worden gesteld, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte begeleiding nodig heeft.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Limburg van 24 mei 2023 onder parketnummer 03-252778-21. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging, conform de subsidiaire eis van de advocaat-generaal, om te zetten naar het maximum aantal uur taakstraf, te weten 240 uren.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van het gehele voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet geen aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging om te zetten naar het maximum aantal uur taakstraf.
Beslag
Het hof is van oordeel dat het in beslag genomen geldbedrag van 80 euro dient te worden teruggegeven aan de verdachte, nu het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet meer verzet.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Limburg van 24 mei 2023, gewezen onder parketnummer 03-252778-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- €80,- ( €80,- (goednummer: PL2300-2024062515-G1698495);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene;
beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. A.C. van Campen en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,
en op 15 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.