Parketnummer : 20-002581-24
Uitspraak : 6 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-239686-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2002,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 360 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 272 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren opgelegd. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbonden – samengevat – een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Ten slotte heeft de rechtbank de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partijen zijn veroordeeld in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben in eerste aanleg ieder een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van€ 5.000,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Namens de benadeelde partijen zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2026 de respectieve vorderingen verminderd tot een bedrag van € 2.500,00. In zoverre is de vordering in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en feit 2 subsidiair tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 29 augustus 2024. Voorts dient aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren te worden opgelegd met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde proceskosten, heeft de advocaat-generaal gevorderd aan te sluiten bij het liquidatietarief.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Voorts heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd en is ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen primair bepleit dat deze, vanwege de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair is bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] tot een bedrag van € 2.500,00 kunnen worden toegewezen. De door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde proceskosten dienen conform het liquidatietarief te worden vastgesteld. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat deze niet in aanmerking komen voor affectieschade via de hardheidsclausule. Ten slotte heeft de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat :
1. hij op of omstreeks 3 september 2022 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 2] ), althans alleen, daarmede rijdende over de weg [locatie 1] en/of op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg [locatie 2] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn/hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd, en/of (daarbij) te rijden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen 115 en 127 kilometer per uur), in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of (daarbij) onvoldoende op het voor hem/hun gelegen gedeelte van die weg en/of het overige verkeer te letten en/of gekomen op of ter hoogte van die kruising van de [locatie 1] en de [locatie 2] geen gevolg te geven aan een verkeerslicht die in zijn/hun, verdachtes, rijrichting (al gedurende langere tijd) rood licht uitstraalde en/of (daarbij) met hoge snelheid die kruising op te rijden (mede) waardoor zijn, verdachtes, mededader [medeverdachte] , tegen een op die kruising van rechts komende personenauto (VW Caddy) is gebotst, waardoor een ander (te weten de bestuurster van die laatstgenoemde personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 september 2022 te Oss als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes- Benz, kenteken [kenteken 1] ), daarmee rijdende op de [locatie 1] en/of op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg [locatie 2] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd, en/of (daarbij) te rijden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen 115 en 127 kilometer per uur), in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of (daarbij) onvoldoende op het voor hem gelegen gedeelte van die weg en/of het overige verkeer te letten en/of gekomen op of ter hoogte van die kruising van de [locatie 1] en de [locatie 2] , geen gevolg te geven aan een verkeerslicht die in zijn, verdachtes, rijrichting (al gedurende langere tijd) rood licht uitstraalde en/of (daarbij) met hoge snelheid die kruising op te rijden, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
2.hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Oss op/aan de kruising van de wegen [locatie 1] en [locatie 2] , op of omstreeks 3 september 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Oss op/aan de kruising van de wegen [locatie 1] en [locatie 2] , op of omstreeks 3 september 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde (subsidiair) bepleit dat het Openbaar Ministerie op grond van het bepaalde in artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 houdt het volgende in:
Bij overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is strafvervolging tegen de in dat artikel bedoelde overtreder uitgesloten, indien deze binnen twaalf uren na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het ongeval kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens de identiteit van dat motorrijtuig bekend maakt.
Het hof is, zoals hieronder nader zal worden overwogen, van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en derhalve kan worden aangemerkt als degene door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt. Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat de verdachte de plaats van het ongeval kort na het verkeersongeval heeft verlaten. De verdachte is echter na zeer korte tijd teruggekeerd en heeft toen zijn identiteit kenbaar gemaakt tegenover verbalisant [verbalisant 1] . Het hof is aldus van oordeel dat de verdachte binnen twaalf uren na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte werd aangehouden of verhoord, zijn identiteit kenbaar heeft gemaakt tegenover een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en dat strafvervolging jegens hem aldus is uitgesloten. Het hof zal het Openbaar Ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging voor zover dit ziet op het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op 3 september 2022 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto , merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 1] ), tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte] , eveneens als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 2] ), daarmede rijdende over de weg [locatie 1] en ter hoogte van de kruising van die weg en de weg [locatie 2] zich zodanig heeft gedragen dat een aan hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 deel te nemen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd, en daarbij te rijden met een zeer hoge snelheid (gemiddeld tussen 115 en 127 kilometer per uur), in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en daarbij onvoldoende op het voor hen gelegen gedeelte van die weg en het overige verkeer te letten en gekomen ter hoogte van die kruising van de [locatie 1] en de [locatie 2] , geen gevolg te geven aan een verkeerslicht die in hun rijrichting (al gedurende langere tijd) rood licht uitstraalde en daarbij met hoge snelheid die kruising op te rijden, waardoor zijn, verdachtes, mededader [medeverdachte] , tegen een op die kruising van rechts komende personenauto (VW Caddy) is gebotst, waardoor een ander (te weten de bestuurster van die laatstgenoemde personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant , Teamrecherche Team Maasland, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie, registratienummer PL2100-2022243659, gesloten d.d. 28 maart 2023, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 285. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2022, dossierpagina’s 66-67, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
Op zaterdag 3 september 2022, omstreeks 04:00 uur, waren wij in dienst van de nationale politie. Wij waren belast met de noodhulpsurveillance voor basisteam Maasland.
Op bovengenoemde datum en tijd kregen wij van het operationeel centrum de opdracht om te gaan naar het knooppunt [locatie 2] / [locatie 3] (het hof begrijpt: in Oss). Daar zou zojuist middels een E-call een verkeersongeval zijn doorgegeven en dus hebben plaatsgevonden.
Enkele minuten later kwamen wij ter plaatse. Wij zagen direct dat er ter plaatse twee voertuigen bij het ongeval betrokken waren. Wij zagen dat er links van ons een witkleurige Mercedes op de weg stond met de alarmlampen aan. Rechts van deze Mercedes zagen wij dat er op het grasveld/middenberm een voertuig ondersteboven op het gras lag. Wij zagen dat er een persoon (later slachtoffer genoemd) onder de motorkap van het voertuig lag en bekneld lag tussen de grond en de motor. Wij zagen dat op de zijkant van het voertuig de tekst stond: “ [bedrijf 1] ”. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , voelde direct bij het
slachtoffer of deze een hartslag had. Ik voelde geen hartslag.
Ik zag dat een ambulancebroeder naar mij toe liep en mij een bankpasje overhandigde. Ik keek naar dit pasje en zag dat er de volgende naam op stond: “ [slachtoffer] ”. Ik zocht in de voor mij beschikbare politiesystemen op deze naam met voorletter [slachtoffer] . Ik zag dat er een persoon uit Oss kwam en dat deze een registratie had. Ik keek naar de RDW foto van deze persoon welke in het systeem stond als [slachtoffer] . Ik vergeleek deze foto met het gezicht van het slachtoffer en zag dat deze meerdere gelijkenissen hadden. Even later kwam er een werknemer van [bedrijf 1] ter plaatse. Ik hoorde dat zij zei dat dit haar collega betrof genaamd [slachtoffer] .
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2022, dossierpagina’s 73-74, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant. [verbalisant 4] :
Omstreeks 04:00 uur was ik samen met Collega [verbalisant 5] en twee andere eenheden ter plaatse. Ik zag twee personen staan bij een zwaar beschadigde personenauto,
merk Mercedes, kleur wit en voorzien van het kenteken [kenteken 2] .
De twee personen betroffen een man en een vrouw. Ik vroeg aan de personen of ze in de auto hadden gezeten. Ik hoorde beiden zeggen dat ze in de auto hadden gezeten.
Ik hoorde de man zeggen dat hij de bestuurder was en dat hij had gereden over de
[locatie 1] komende uit de richting van Oss en rijdend in de richting Veghel/Eindhoven. Ik hoorde hem verder zeggen dat hij tegen een ander voertuig was gereden welke vanaf rechts kwam gereden vanuit het industrieterrein [locatie 2] . Ik vroeg vervolgens naar zijn naam. Hij vertelde mij dat hij [medeverdachte] heet en zijn geboortedatum [geboortedag 2] 2000 was.
Betrokkene:
Achternaam: [medeverdachte]
Voornamen: [medeverdachte]
Geboren: [geboortedag 2] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats 2] in Nederland
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2022, dossierpagina 78, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer 2100-2022191634-28:
Op 3 september 2022 omstreeks 04.00 uur was ik doende met de afhandeling van een verkeersongeval met dodelijke afloop.
Ongeveer vijf minuten nadat ik ter plaatse was gekomen, zag ik een grijskleurig
voertuig stoppen op de plaats van het ongeval. Ik zag dat een man uit het voertuig
stapte. Ik vroeg hem wat hij kwam doen. Ik hoorde dat hij zei dat hij ineens een grote stofwolk in
zijn achteruitkijk spiegel zag. Ik hoorde dat hij zei dat hij om die reden terug kwam
naar de plaats van het ongeval, om te kijken wat er aan de hand was. Hij overhandigde mij een geldig Nederlands identiteitsbewijs, waaruit bleek dat het ging om [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats 1] .
Een schouwverslag GGD Brabant Zuidoost, opgemaakt door [forensisch arts] , forensisch arts , d.d. 3 september 2022, voor zover inhoudende:
[slachtoffer]
Deze 22-jarige vrouw is in de vroege ochtend van 03.09.2022 als bestuurder
van een bedrijfsauto in botsing gekomen met een personenwagen. Betrokkene werd hierbij uit de auto is geslingerd. Het overlijden werd ter plaatse vastgesteld. De uitwendige lijkschouwing toont met name letsel (met aanwijzingen voor breuken) ter hoogte van het hoofd, de hals en het bekken; passend bij het verkeersongeval. Het overlijden kan bijgevolg
worden verklaard op basis van meervoudig letsel in het kader van het verkeersongeval.
Het proces-verbaal Onderzoek plaats aanrijding d.d. 23 januari 2022 (het hof begrijpt: 2023) , BHV -nummer: PL21-2022191634, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :
Beknopte ongevalsbeschrijving
Bij het ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:
Voertuig 1, personenauto, merk Mercedec-Benz, type C-200 Kompressor, kleur wit, kenteken [kenteken 2]
Voertuig 2, personenauto, merk Volkswagen, type Caddy, kleur wit, kenteken [kenteken 3]
Wegsituatie
Het verkeersongeval had plaatsgevonden op het kruispunt, gevormd door de wegen: [locatie 1] , A50 links, [locatie 2] en de A59 Links.
Het ongeval vond plaats op een recht weggedeelte van de [locatie 1] . De rijbaan had ter hoogte van de stopstreep een breedte van circa 14,7 meter en was kort voor het kruispunt door middel van dubbele doorgetrokken witte strepen verdeeld in vier voorsorteerstroken. Eén strook voor links afslaand verkeer, twee stroken voor recht doorgaand verkeer en één strook voor rechts afslaand verkeer.
De rijbaan van de [locatie 2] had ter hoogte van de stopstreep een breedte van ongeveer 10 meter en was kort voor het kruispunt door middel van dubbele doorgetrokken witte strepen verdeeld in drie voorsorteerstroken. Eén strook voor links afslaand verkeer, één strook voor recht doorgaand verkeer en één strook voor rechts afslaand verkeer.
Verkeersmaatregelen ter plaatse
Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 80 km/h.
Aangetroffen sporen
Sporen op het wegdek
Op de plaats van het ongeval trof ik, op het wegdek, de volgende relevante sporen aan:
-Bandensporen afgetekend door beide voorwielen van de Mercedes-Benz. De aftekening van de banden van de Mercedes-Benz begon op de plaats waar beide voertuigen elkaar raakten en eindigden onder de wielen van de Mercedes-Benz in diens eindpositie.
-Bandensporen afgetekend door de rechter wielen van de Volkswagen, het afgetekende spoor van het rechtervoorwiel kruist het afgetekende spoor van het rechterachterwiel, dit was veroorzaakt door het contact met de Mercedes-Benz aan de voorzijde van de Volkswagen, de massa van het motorblok zorgde ervoor dat de voorzijde van de Volkswagen 180 graden draaide en tegengesteld aan diens rijrichting met de linkerwielen van de Volkswagen tegen de trottoirrand botsten.
-Als gevolg van het contact met de trottoirrand was de Volkswagen over de lengte as gaan roteren en kwam als gevolg van de rotatie onderste boven deels op het dak en deels op de motorkap terecht. De contactsporen op de bestrating en berm laten zien dat er ook nog een rotatie over de zwaartepunt as van het voertuig had plaatsgevonden.
-Onderdelen van beide voertuigen op de gehele plaats van het ongeval.
4. Conclusie
Op basis van de aangetroffen sporen, eindposities, schades aan beide voertuigen en de onderlinge conflictposities kon worden vastgesteld dat de bestuurder van de Volkswagen reed over de voorsorteerstrook voor links af te slaan op de [locatie 2] komende uit de richting van de [locatie 6] en reed in de richting van de [locatie 1] . De bestuurder van de Mercedes-Benz reed over de linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer op de [locatie 1] komende uit de richting van Oss en rijdend in de richting van de A50 richting van Eindhoven. Op het kruisingspuntvlak van de [locatie 2] met de [locatie 1] werd de
Volkswagen ter hoogte van het linker voorportier aangereden door de Mercedes-Benz. Als gevolg van de aanrijding roteerde de Volkswagen 180 graden rechtsom om de hoogte as, raakte met de wielen aan de linkerzijde een trottoirrand en roteerde daarna over de lengteas en kwam op het dak, op diens eindpositie terecht. De Mercedes-Benz kwam na de aanrijding op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer op diens eindpositie. De bestuurder van de Volkswagen overleed ter plaatse aan de gevolgen van de aanrijding.
Het proces-verbaal Analyse VRI data ( [locatie 3] ) d.d. 5 januari 2023, behorend bij forensisch dossier PL21-2022191634-34, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
1. Conclusie
In dit proces-verbaal zal de uitleg van de Verkeers Regel Installatie verder vernoemd/beschreven worden in de afkortingsvorm VRI. Op basis van het onderzoek naar de werking van de VRI op de plaats delict en de analyse van de verkregen VRI data in relatie tot het verkeersongeval, kan de volgende conclusie worden getrokken:
Ten tijde van het verkeersongeval was de VRI aan het regelen geweest. Er bleken geen relevante storingen te zijn geweest die bijgedragen konden hebben aan het ontstaan van het verkeersongeval. Alle lampen van relevante verkeerslantaarns hadden naar behoren gewerkt en waren goed zichtbaar geweest voor de bij het ongeval betrokken bestuurders. Gelet op het PD-onderzoek, de verklaringen en de analyse, waren er geen aanwijzingen dat de VRI niet naar behoren had gewerkt ten tijde van het ongeval.
Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de Mercedes voorzien van kenteken [kenteken 2] ( [medeverdachte] ), nader te noemen Mercedes 1, op 3 september 2022 omstreeks 03:55:23.4 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 85 seconden rood licht uitstraalden. De bestuurder van de tweede Mercedes voorzien van kenteken [kenteken 1] ( [verdachte] ), nader te noemen Mercedes 2, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 85 seconden rood licht uitstraalden. De bestuurder van de Volkswagen voorzien van kenteken
[kenteken 3] , op 3 september 2022, omstreeks 03:55:22.2 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor haar geldende verkeerslichten minimaal 3 seconden groen licht uitstraalden. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (betrouwbaarheidsniveau van 99%) kan worden gesteld dat de bestuurder van Mercedes 1 over het gehele traject heeft gereden met een gemiddelde snelheid (99% betrouwbaar) van minimaal 141 kilometer per uur en maximaal 163 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur.
Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid (betrouwbaarheidsniveau van 99%) kan worden gesteld dat de bestuurder van Mercedes 2, over het gehele traject heeft gereden met een gemiddelde snelheid (99% betrouwbaar) van minimaal 115 kilometer per uur en maximaal 127 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 kilometer per uur.
Een proces-verbaal Analyse VRI [locatie 4] – [locatie 5] (K2) d.d. 23 januari 2023, behorend bij forensisch dossier: PL21-2022191634-34, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Aanleiding
Op zaterdag 3 september 2022, omstreeks 03:56 uur (tijdstip melding politiemeldkamer), had op het kruispunt gevormd door de [locatie 1] en de [locatie 2] te Oss een verkeersongeval met dodelijke afloop plaatsgevonden. Het vermoeden bestond dat de bestuurder van de Mercedes-Benz voorafgaand aan het ongeval betrokken was bij een mogelijke straatrace met een andere Mercedes-Benz, type E220, voorzien van het kenteken [kenteken 1] ( [verdachte] ) nader te noemen Mercedes 2. Uit tactische informatie was vastgesteld dat beide bestuurders (Mercedes 1 en Mercedes 2) op 3 september 2022, omstreeks 03.54 uur het kruispunt [locatie 4] - [locatie 5] waren gepasseerd. Gelet daarop heb ik aanvullend onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de bestuurder van Mercedes 1 het rode verkeerslicht had genegeerd op het kruispunt [locatie 4] - [locatie 5] .
2. Conclusie
Rondom het tijdstip van het verkeersongeval was de VRI van de [locatie 4] - [locatie 5] (K2), welke zich voor het ongevalskruispunt bevindt, aan het regelen geweest. Er bleken geen relevante storingen te zijn geweest. Gelet op het onderzoek, de verklaringen en de analyse, waren er geen aanwijzingen dat de VRI niet naar behoren had gewerkt rondom het tijdstip van het ongeval.
Uit de analyse van de VRI bleek dat de bestuurder van de Mercedes voorzien van kenteken [kenteken 2] ( [medeverdachte] ) op 3 september 2022 omstreeks 03:54 uur de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten rood licht uitstraalden.
Camerabeelden
Op 7 september 2022 zijn camerabeelden gevorderd van een tweetal beveiligingscamera’s van [adres 2] . Het camerabeeld laat het kruispunt [locatie 4] en de [locatie 5] zien.
Rijrichtingen gerelateerd aan kruispuntnummering
De bestuurders van de Mercedes 1 en 2, hadden gereden over de rechter voorsorteerstrook voor rechtdoorgaand verkeer, komend uit de richting van [locatie 7] en gaande in de richting van [locatie 3] (ongevalskruispunt). Op de camerabeelden is te zien dat Mercedes 2 op 03:54:40 het kruispunt nadert. Op de camerabeelden is te zien dat Mercedes 2 op 03:54:50 het kruispunt nadert.
Indicatieve snelheid Mercedes 1
Aan de hand van de beschikbare camerabeelden is een indicatieve snelheidsberekening gemaakt. De gemiddelde snelheid van Mercedes 1, vlak voor het kruispunt [locatie 4] en de [locatie 5] was 86 kilometer per uur.
5 Rood licht negatie
Mercedes 1
Op basis van de beschikbare data en analyse hiervan kon worden vastgesteld dat Mercedes 1 bij een snelheid van 86 kilometer per uur zich 41 meter voor de stopstreep bevond terwijl de verkeerslenzen rood licht uitstraalden. De toegestane maximumsnelheid ter plaatse was 70 km/h.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2022, dossierpagina 104, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] :
Op 3 september (het hof begrijpt: 2022) bevond ik mij in een bedrijfspand van het bedrijf [bedrijf 2] welke is gelegen aan [adres 3] . Ik was hier om beelden op te halen na aanleiding van het dodelijke ongeval eerder op de dag.
Ik zag op de beelden dat er twee voertuigen, met wat lijkt een hoge snelheid, rijden
over de [locatie 1] , komende vanuit Oss en rijdend in de richting van Uden.
Deze personenauto's rijden ieder op een andere rijstrook. Ook is er te zien dat er vanaf de [locatie 3] te Oss een bestelauto rijdt, komende vanaf de [locatie 3] .
Voorts is te zien dat de bestelauto op de strook rijdt om linksaf te slaan de [locatie 1] op in de richting van Oss.
Op het moment dat de voertuigen op de kruising komen, is er een aanrijding tussen de
bestelauto en de personenauto welke op de linkerrijstrook rijdt.
Op het moment dat de twee personenauto's de verkeerslichten passeren staan deze op
rood.
Voorts is te zien dat de tweede personenauto kort bij het ongeval stopt. Er is ook te
zien dat er een persoon (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) in de richting van de bestelauto loopt. Kort hierna loopt deze persoon weer terug naar de personenauto en vervolgens rijdt deze weg in de richting van Uden.
Op de beelden is ook te zien dat de verkeerslichten van de [locatie 1] , waar de twee
personenauto's rijden, om 03:53:58 uur op rood springen. Deze blijven op rood staan
tot na het ongeval. De personenauto's passeren op het tijdstip 03:55:23 uur het rode
verkeerslicht.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2022, dossierpagina’s 108-114, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
Door mij zijn beelden bekeken.
Camera kanaal 2 is gericht op parkeerplaatsen gelegen aan [adres 4]
. De parkeervakken bevinden zich tussen aan de linkerkant carwash [bedrijf 3] en aan de rechterkant een autoshowroom. Aan de linkerzijde boven in beeld zie je een klein stukje van het Tango tankstation.
Beelden [bedrijf 3]
IMG_5349_1
Kanaal 2
Ik zie op de beelden het volgende:
2022-09-03 02:26:34
Witte personenauto, model sedan, lichtmetalen velgen (vijf dubbelspaaks) komt vanuit
rechts in beeld, bestuurder (het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte] ) parkeert deze personenauto op een van de parkeervakken duidelijk in beeld.
IMG_5353_1
Kanaal 2
2022-09-03 03:52:05
De witte personenauto model sedan met lichtmetalen velgen (vijf dubbelspaaks) verlaat
de parkeerplaats in de richting van het tankstation.
2022-09-03 03:52:18
De witte personenauto model sedan met lichtmetalen velgen (vijf dubbelspaaks) rijdt
de [locatie 7] op in de richting van Oss.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 oktober 2022, dossierpagina’s 133-134, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 10] :
Ik was doende met het onderzoek naar een dodelijke aanrijding die plaatsvond op 3 september 2022 op het kruisingsvlak [locatie 1] met [locatie 2] te Oss.
Naar aanleiding van dit ongeval werden de camerabeelden gevorderd van het bedrijf
[bedrijf 4] , gevestigd aan [adres 5] .
Ik bekeek de beelden en bevond het navolgende:
Ik zag dat de beelden afkomstig waren van camera “Buitenterrein Hal A”.
Ik zag dat de beelden opgenomen waren op datum 03 september 2022 van 03.30 uur tot
en met 04.30 uur.
Ik zag dat de camera aan de rechterzijde van het beeld een deel liet zien van de [locatie 1] in de richting van [locatie 3] .
Ik zag op de beelden dat er om 03:54:42 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:08 ) koplamplichten verschenen. Ik weet dat daar een tunnelbak gelegen is en dat men daar op dat punt uit de tunnel komt. Ik zag op de beelden dat er om 03:54:49 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:15) een vermoedelijk zilverkleurige personenauto (het hof begrijpt hier en telkens hierna: de auto van verdachte [verdachte] ) voorbij gereden kwam rechts in beeld van de camera waarna deze meteen uit het zicht van de camera raakte. Ik zag dat deze personenauto van het model sedan was. Ik zag op de beelden dat er meteen nadat de eerste personenauto uit beeld ging, een andere auto in beeld kwam. Ik zag op de beelden dat er 03:54:51 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:17) wederom koplampen verschijnen in het zicht van de camera. Ik zag dat deze personenauto (het hof begrijpt hier en telkens hierna: de auto van de medeverdachte [medeverdachte] ) wederom een sedan model was en lichter van kleur was, waarschijnlijk wit, als het eerdere voertuig. Ik zag dat dit voertuig een hogere snelheid reed dan het eerste voertuig. Ik zag dat het eerste, vermoedelijk zilvergrijze, voertuig om 03:54:38 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:04) in beeld van de camera verscheen en om 03:54:49 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:15) uit beeld verdween. Ik zag dat dit voertuig 11 seconden in het beeld was van de camera. Ik zag dat het tweede, mogelijk witte voertuig om 03:54:47 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:13) in beeld verscheen en om 03:54:56 (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:22) uit beeld verdween. Ik zag dat dit voertuig over dezelfde afstand als het eerste voertuig 9 seconden in beeld was van de camera.
Ik bekeek hierop de beelden van een andere camera van het bedrijf [bedrijf 4] . Ik zag op deze camerabeelden dat de camera genaamd was “Buiten Roldeur Hal ANW”. Ik zag dat de beelden opgenomen waren op 3 september 2022 van 03.30 uur tot en met 04.30 uur.
Ik zag dat de camera gericht was op een reclamebord op het terrein van [bedrijf 4] en dat
in het beeld van de camera tevens het kruispunt te zien was van de [locatie 4] met
de [locatie 1] .
Ik zag op de beelden om 03:54:56 uur (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:20) een kleine donkerkleurige personenauto het verkeerslicht naderen op de rijstrook om rechtsaf te gaan in de richting van [locatie 3] . Ik zag dat het verkeerslicht op dat moment rood licht uitstraalde. Ik zag op datzelfde moment in het beeld van links naar rechts een grijskleurige personenauto over het kruisingsvlak rijden in de richting van [locatie 3] . Ik zag dat de personenauto een grijskleurige sedan (het hof begrijpt: de auto van verdachte [verdachte] ) was.
Ik zag dat de kleine donkerkleurige personenauto die rechtsaf wilde slaan om 03:54:59
uur (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:23) groen licht kreeg van de verkeersregelinstallatie. Ik zag vervolgens dat de donkerkleurige personenauto voor het groene licht remde omdat de remlichten oplichtte van deze auto. Ik zag dat er om 03:55:01 uur (het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 11: 03:53:25) een lichtkleurige, mogelijk witte personenauto van links in beeld verschijnt rijdend op de [locatie 1] in de richting van [locatie 3] . Ik zag dat dit een lichtkleurige, mogelijk witte, personenauto was, model sedan (het hof begrijpt: de auto van de medeverdachte [medeverdachte] ). Ik zag dat de kleine donkerkleurige personenauto voor het kruisingsvlak bleef wachten tot de witte sedan was gepasseerd. Ik zag dat het verkeerslicht van de kleine donkerkleurige personenauto groen bleef uitstralen.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2023, dossierpagina 140, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :
Ik was doende met de verificatie van de opnametijden van diverse camerasystemen van diverse bedrijven met de atoomklok.
Wij waren bij het bedrijf [bedrijf 4] , gelegen aan [adres 5] .
Wij bekeken daar de livebeelden van het camerasysteem en hielden daarbij ter
verificatie en controle het telefoonscherm met daarop zichtbaar de Atoomklok.
Mijn collega filmde met haar telefoon het camerabeeld van de camera die gericht staat op het kruispunt [locatie 4] met de [locatie 5] , camera genaamd “Buiten Roldeur Hal ANW”. Ik bekeek de video-opname van de atoomklok samen met de camerabeelden. Ik stopte de video-opname bij het tijdstip op de atoomklok 07-09-2022 om 11.30.42 uur. Ik zag dat het tijdstip van het camerasysteem op dat moment 07-09-2022 11.32.18 uur aangaf (het hof begrijpt aldus dat het tijdstip op het camerasysteem Buiten Roldeur Hal ANW 1 minuut en 36 seconden voor loopt op de werkelijke tijd).
Ik belde met een medewerker van [bedrijf 4] . Ik stelde hem de vraag of alle beveiligingscamera's dezelfde tijd weergeven in het beeld. Ik kreeg van de medewerker een schermopname van twee cameraposities. Ik zag dat deze cameraposities overeenkwamen met de beelden die wij ter beschikking kregen naar aanleiding van het ongeval.
Ik zag dat de camera genaamd “Buitenterrein hal” (het hof begrijpt: Buitenterrein hal A), 09-01-2023 10.00.48 aangaf. Ik zag dat de camera genaamd “Buiten Roldeur Hal ANW”, 09-01-2023 10.00.50 aangaf. Op het gezamenlijke beeld is een verschil van twee (2) seconden te zien van beide camera's (het hof begrijpt aldus dat de camera genaamd “Buiten Roldeur Hal ANW” 2 seconden voor loopt op de camera “Buitenterrein hal A”).
Een proces-verbaal Snelheidsbepaling aan de hand van videobeelden d.d. 16 januari 2023, BVH- nummer 2022191634-80, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 11] :
Ik stelde een onderzoek in naar de indicatief gereden gemiddelde snelheid aan de hand van videobeelden van een dodelijke aanrijding die had plaatsgevonden op de [locatie 1] in Oss.
Voor deze snelheidsbepaling ben ik gevraagd om gebruik te maken van videobeelden die gemaakt zijn door het bedrijf “ [bedrijf 4] ” (het hof begrijpt: de videobeelden “Buitenterrein Hal A” zoals beschreven in bewijsmiddel 10). Dit zijn videobeelden die gemaakt zijn vlak vóór het ongeval plaatsvond.
(…)
Op basis van de berekening blijkt dat het voertuig (het hof begrijpt: het voertuig van de medeverdachte [medeverdachte] ) een indicatieve snelheid had tussen 82 en 84,1 km/h.
(Het hof begrijpt, gelet op bewijsmiddel 7, dat de toegestane maximumsnelheid ter plaatse 70 km/h was).
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 oktober 2022, dossierpagina’s 127-128, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :
Ik was doende met het onderzoek naar een dodelijke aanrijding die plaatsvond op 3 september 2022 op het kruisingsvlak [locatie 1] met [locatie 2] te Oss.
Naar aanleiding van dit ongeval werden de camerabeelden gevorderd van het bedrijf
[tankstation] , gevestigd aan [adres 6] .
Ik bekeek de beelden en bevond het navolgende:
Ik zag dat de beelden afkomstig waren van camera “Zijkant shop wegzijde”.
Ik zag dat de camera gericht was op de zijkant van het tankstation met deels zicht op
de [locatie 1] in de richting van [locatie 3] . Het tankstation is gelegen aan de zijde
van de [locatie 1] in de richting van [locatie 3] . Ik zag dat de camera gericht stond in de rijrichting van het verkeer. Ik zag op de camerabeelden dat de rijbaan was verdeeld in twee rijstroken met daartussen een onderbroken streep.
Ik zag op de camerabeelden dat op 03-09-2022 om 03:54:29 uur een witte personenauto (het hof begrijpt: de auto van de medeverdachte [medeverdachte] ) in het beeld kwam van de camera. Ik zag dat deze witte personenauto een type sedan was. Ondanks dat de beelden van de camera niet al te scherp waren, herkende ik deze witte personenauto. Ik zag dat deze personenauto van het merk Mercedes was. Ik herkende de Mercedes aan het profiel van de auto en aan de voor mij kenmerkende achterlichten. Ik zag dat deze Mercedes aan de linkerzijde van de rijbaan reed op rijstrook één (1). Ik zag dat de Mercedes ongeveer 1 seconde in het beeld was van de camera. Ik zag op de camerabeelden dat op 03-09-2022 om 03:54:30 uur een grijze personenauto (het hof begrijpt: de auto van de verdachte [verdachte] ) in het beeld kwam van de camera. Ik zag dat deze personenauto van het type sedan was. Gezien het silhouette van deze auto had ik sterk het vermoeden dat deze personenauto eveneens van het merk Mercedes kon zijn. Ik zag dat dit voertuig tijdens het voorbijrijden ongeveer in het midden reed van de rijbaan over de onderbroken strepen.
lk zag op de beelden dat de grijze personenauto ongeveer een seconde later achter de
witte Mercedes in het beeld kwam van de camera. Ik zag bij beide voertuigen op de camerabeelden in het voorbij gaan geen remlichten oplichten.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 september 2022, dossierpagina’s 90-92, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :
Op 3 september 2022, omstreeks 03.47 à 3.48 uur, zijn we thuis weg gereden. Mijn vrouw reed achter mij.
Net na [bedrijf 5] , net het [tankstation] voorbij, werden wij ingehaald door 2 personenauto's. Ik zag dat deze auto's enorm hard reden. Ik reed zelf ongeveer 90 à 95 uur, in elk geval net onder de 100. De auto's die ons inhaalden reden veel te hard. Ze reden naar schatting rond de 150 kilometer per uur. Ik zag dat er een licht gekleurde personenauto (het hof begrijpt hier en telkens hierna: de auto van de verdachte [verdachte] ) voorop reed. Die werd direct gevolgd door een witte Mercedes (het hof begrijpt hier en telkens hierna: de auto van de medeverdachte [medeverdachte] ). De voertuigen zaten kort op elkaar en ik had de indruk dat ze aan een straatrace bezig waren.
Voor de flauwe bocht is de voorste auto naar de rechter rijstrook gegaan. Ik zag dat de Mercedes probeerde in te halen. Ik had de indruk dat de voorste auto dat wilde verhinderen door de Mercedes weg te drukken. Dan zijn ze even uit beeld door de flauwe bocht in de weg.
Toen we bij de verkeerslichten kwamen om linksaf de A50 op te gaan, zag ik de Mercedes in de middenberm staan. Aan de rechterkant was een stofwolk.
Ik heb alleen de voorste auto en de Mercedes zien racen en ik heb geen voertuig uit een andere richting zien komen.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 3 september 2022, dossierpagina’s 94-99, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :
O: Ik wil u horen naar aanleiding van een verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden op de [locatie 1] .
De getuige verklaarde:
A: Wij zijn vannacht vanuit huis vertrokken. We vertrokken om 03.47 uur. We zijn met twee auto's vertrokken. Mijn man reed voor mij. We werden net voorbij het tankstation ingehaald door twee personenauto's. Ik keek op mijn kilometerteller hoe hard ik reed. Ik zag dat ik 100 reed, terwijl ik daar maar 80 mag. Dit was net voorbij het tankstation. Ik werd ingehaald door een grijze en een witte auto. Ik zei nog: “sow die rijden als gekken”. De grijze auto (het hof begrijpt: de auto van de verdachte [verdachte] ) reed voor de witte auto (het hof begrijpt: de auto van de medeverdachte [medeverdachte] ).
V: Wat voor verkeersdeelnemers of passanten heeft u vlak voor het ongeval allemaal
gezien?
A: Ik zag dat twee personenauto's achter elkaar mij passeerden. Deze voertuigen
reden zo snel dat ik niet kon zien wat voor merk op type het was. Ik zag wel dat het
voorste voertuig een grijze was en dat de tweede een witte was.
V: Toen deze grijze en witte auto u passeerden waar reed u toen precies?
A: Net voorbij het tankstation op de N329. Dit is een [tankstation] .
V: Hoe zou u het gedrag en de rijstijl van de betrokken bestuurders beschrijven?
A: Het ging echt zo hard. Omdat het zo hard ging, keek ik op mijn kilometerteller en daarom weet ik dat ik 100 reed. Ze reden echt als gekken. Ik vond het zo gek omdat ze nadat ze mijn man zijn gepasseerd weer naast elkaar zijn gaan rijden.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 september 2022, dossierpagina’s 29-39, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [medeverdachte] :
V: In welk voertuig reed u op de dag van het ongeval?
A: Mercedes C200, kenteken: [kenteken 2] , kleur: wit (crèmekleurig).
A: Ik was de bestuurder.
V: Waar kwam u vandaag en waar ging u naar toe?
A: Van de [bedrijf 3] af.
V: Op welke rijstrook reed u op de [locatie 1] ?
A: Op de linkerbaan. Was dat op het moment van impact.
O: Rijstrook 1 dus.
V: Reden er meer voertuigen voor of achter u?
A: Ja. Op de rechterbaan heb ik een auto ingehaald. Anders sta ik ook niet links.
V: Bent u met de omgeving bekend?
A: Ja.
V: Wat is de maximum snelheid daar?
A: Tachtig.
V: Waren er andere verkeersdeelnemers toen u daar reed?
A: Ja. Rechts van mij reed een auto want ik haalde die in.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 september 2022, dossierpagina’s 55-64, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
V: Heeft u voertuigen op uw naam staan?
A: Ja mijn eigen auto. Mijn eigen auto is een Mercedes uit 2003, zilvergrijs van kleur.
V: In welk voertuig reed u op de dag van het ongeval?
A: In mijn eigen Mercedes.
V: Waar kwam u vandaan en waar ging u naar toe?
A: Ik had net mijn vriendin afgezet bij de [bedrijf 3] in Oss. Dit was op 3 september 2022
rond een uur of 03.45 uur.
V: Op welke rijstrook reed u op de [locatie 1] ?
A: Rechts.
V: Bent u met de omgeving bekend?
A: Ja.
V: Wat is de maximum snelheid daar?
A: 80
V: Waren er nog andere verkeersdeelnemers toen u daar reed?
A: De desbetreffende bestuurder van de andere auto.
V: Waar haalde die Mercedes jou in?
A: Op verschillende stukken. Daardoor moest ik ook op de rem.
V: Hoe is het gegaan vanaf het moment dat jij wegreed bij de [bedrijf 3] ?
A: Toen ik rechtsaf sloeg, kwam hij ineens achter mij. Hij reed zo kort op mij dat ik
zijn kenteken niet eens kon lezen. Hij ging mij voorbij en dit gebeurde meerdere
keren. De kans bestaat dat ik inderdaad harder heb gereden.
V: Wie reed er naast u op de [locatie 1] met nagenoeg gelijke snelheid toen u het kruispunt naderde?
A: Die Mercedes.
V: Waarom reden jullie naast elkaar?
A: Hij bleef bij mij hangen.
V: Hoe is de aanrijding veroorzaakt?
A: Doordat hij veel te hard reed en voor mij wilde komen.
V: Welke kleur licht straalde het verkeerslicht uit op uw rijstrook volgens u?
A: Rood.
De verklaring van de verdachte [verdachte] , zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 3 september 2024:
Ik heb het ongeluk zien gebeuren. Ik reed erbij. Het is voor mijn neus gebeurd. U vraagt mij of ik mij, behalve de witte Mercedes, nog andere auto’s herinner. Nee, ik was met die witte Mercedes bezig en heb de rest niet geregistreerd. Die Mercedes heeft voor, achter en naast me gereden. Het klopt wel dat ik steeds harder ging rijden.
De verklaring van de verdachte [verdachte] , zoals afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 22 september 2026, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, vraagt mij of ik de nacht van het ongeval ben vertrokken vanaf de [bedrijf 3] . Ja, dat klopt. Ik ben rond 03:45/03:50 uur daar weggereden.
Toen ik wegreed bij de [bedrijf 3] zat hij gelijk kort achter mij. Hij heeft meerdere keren ingehaald. Dat was nog op het eerste stuk. Ik ben er ook voorbij gegaan. Ik ben harder gaan rijden. Toen ik harder ging rijden, ging hij ook harder rijden. Er werd op mij gereageerd. We zaten kort achter elkaar en we reden ook naast elkaar. Het kan dat ik daardoor harder ben gaan rijden. Het klopt dat hij bij mij bleef hangen bij harder rijden. U vraagt of wij dus op elkaar reageerden. Ja. De andere auto verhoogde ook snelheid.
De oudste raadsheer vraagt mij waarom ik op het kruispunt van het ongeval snelheid heb geminderd. Dat is nadat ik zag dat er wat zou gaan gebeuren. De oudste raadsheer vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Het betreffende kruispunt is heel overzichtelijk. Daar werd hard op afgereden. Als we niet hadden geremd, dan waren we er allebei heel hard doorheen gegaan. Ik zag die auto van rechts komen. Daarom heb ik heel hard geremd. Ik zag dat het niet goed ging komen.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw van de verdachte heeft, op gronden zoals nader vermeld in de pleitnota, integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is voor wat betreft het primair tenlastegelegde samengevat aangevoerd dat geen sprake was van een straatrace zoals bedoeld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: ook WVW) en dat de verdachte in het verlengde daarvan niet kan worden aangemerkt als medepleger van het bepaalde in artikel 6 WVW. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte en medeverdachte afspraken hadden gemaakt over een onderling te houden straatrace. Evenmin is van enige organisatie of een gezamenlijke start gebleken. Daar komt bij dat de verdachte voorafgaand aan het ongevalskruispunt heeft geremd en daarmee, anders dan medeverdachte [medeverdachte] , heeft willen voldoen aan het rode stoplicht. De verdachte probeerde te vluchten van de situatie waarin medeverdachte [medeverdachte] hem steeds bracht. Al met al kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één inhaalmanoeuvre heeft voltooid.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 10 van de Wegenverkeerswet houdt voor zover relevant daaromtrent het volgende in:
1. Het is verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
2. Onder wedstrijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties (…).
Dit artikel beoogt te verbieden om zonder ontheffing deel te nemen aan een georganiseerde wedstrijd tussen voertuigen op de weg. Onder wedstrijd wordt verstaan elk rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan, hetzij van bedrijfsstoffen.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de medeverdachte in de nacht van 3 september 2022 om 03:52:05 vanaf het parkeerterrein bij de [bedrijf 3] in Oss is vertrokken. Om 03:55:23 uur, drie minuten later, vond een aanrijding plaats op het kruisingsvlak [locatie 1] met [locatie 2] in Oss tussen het voertuig van de medeverdachte en het voertuig van het slachtoffer, [slachtoffer] , ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden.
Het hof stelt vast dat in de tussengelegen drie minuten het navolgende heeft plaatsgevonden:
- Nadat de verdachte vertrekt bij [bedrijf 3] en rechtsaf gaat, rijdt de medeverdachte [medeverdachte] ineens kort achter het voertuig van de verdachte. De medeverdachte rijdt de verdachte voorbij en doet dat meerdere keren;
- Ter hoogte van het bedrijf [bedrijf 4] (gelegen aan [adres 5] ) rijdt de medeverdachte ongeveer 9 seconden achter de verdachte. De medeverdachte rijdt op dat moment met een hogere snelheid dan de verdachte;
- Op het kruispunt van de [locatie 4] – [locatie 5] , het eerstvolgende kruispunt gelegen na het bedrijf [bedrijf 4] , rijdt de medeverdachte door het rode verkeerslicht, terwijl de verdachte op dat moment vlak voor hem rijdt;
- Ter hoogte van [tankstation] , gevestigd aan [adres 6] , rijdt de medeverdachte over de linker rijstrook. De verdachte rijdt één seconde later over het midden van de linker- en rechterrijstrook;
- Net na [bedrijf 5] , voorbij het [tankstation] , rijdt de verdachte voorop en wordt direct gevolgd door de medeverdachte. De voertuigen zitten kort op elkaar en rijden met hoge snelheid. De verdachte gaat vervolgens naar de rechterrijstrook. De medeverdachte probeert de verdachte in te halen. De verdachte probeert dit te verhinderen door het voertuig van de verdachte weg te drukken;
- Nadat de verdachte en medeverdachte het voertuig van getuige [getuige 3] hebben ingehaald, gaan zij naast elkaar rijden;
- Om 03:55:23 uur passeren zowel de verdachte als medeverdachte het rode verkeerslicht op het kruisingsvlak [locatie 1] met [locatie 2] . De verdachte rijdt op dat moment met een snelheid van minimaal 115 kilometer per uur en maximaal 127 kilometer per uur op de rechter rijstrook en de medeverdachte rijdt met snelheid van minimaal 141 kilometer per uur en maximaal 163 kilometer per uur op de linker rijstrook;
- Voorafgaand aan het passeren van het rode verkeerslicht remt de verdachte omdat hij het voertuig van het slachtoffer van rechts ziet komen. Het voertuig van de medeverdachte komt in botsing met het voertuig van het slachtoffer.
Het hof kan niet vaststellen dat de verdachte en de medeverdachte van te voren een afspraak hebben gemaakt om een snelheidswedstrijd te houden. Echter is de medeverdachte, kort nadat hij bij [bedrijf 3] was vertrokken, meteen dicht op de Mercedes van de verdachte gaan rijden en heeft een achtervolging op de verdachte ingezet door, nadat [verdachte] door groen licht was gereden bij de [locatie 4] , snelheid te vermeerderen en door rood te rijden teneinde [verdachte] bij te blijven. De verdachte is hierdoor harder gaan rijden. Er is meerdere keren ingehaald waarna de verdachte voor de medeverdachte kwam te rijden. Na het [tankstation] trachtte de verdachte te verhinderen dat medeverdachte hem zou inhalen en probeerde hem weg te drukken. Vlak voor de kruising [locatie 3] reden de beide Mercedessen naast elkaar terwijl de verkeerslichten voor het recht doorgaande verkeer op het moment van het passeren van de stopstreep al 85 seconden op rood stonden. De verdachte is gaan remmen omdat hij het voertuig van het slachtoffer zag naderen. Indien het slachtoffer de kruising niet was opgereden hadden beide voertuigen met hoge snelheid de kruising gepasseerd, waarbij de medeverdachte trachtte op dat moment de Mercedes van de verdachte in te halen.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen, waarbij hoge snelheden werden gereden, door de medeverdachte twee maal rood licht is genegeerd, sprake is van meerdere keren inhalen, derhalve sprake was van een onderlinge wisselwerking van verkeersgevaarlijke gedragingen tussen beide voertuigen, kan het hof niet anders dan concluderen dat de beide Mercedessen bezig waren met elkaar te racen op de weg. Daarmee is aan de vereisten voldaan zoals gesteld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat het traject waarover en het tijdsverloop waarin een en ander plaatsvond kort was doet daar niet aan af nu slechts het ongeval de race heeft beëindigd en indien dit niet was gebeurd de beide Mercedessen op volle snelheid waren doorgegaan.
Een snelheidswedstrijd, ook als die spontaan op de weg ontstaat, brengt een onderlinge dynamiek met zich waarbij, gegeven het competitieve element van die wedstrijd, de ene gevaarlijke verkeersgedraging (te hard rijden, door rood rijden, weer inhalen, proberen de ander weg te drukken) onlosmakelijk wordt gevolgd door een andere gevaarlijke verkeersgedraging. In die competitieve dynamiek ligt een bewuste en nauwe samenwerking besloten. Tevens valt in een dergelijke dynamiek redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval kan leiden met ernstige gevolgen. Nu sprake is van een wisselwerking tussen de verschillende gedragingen valt het plaatsvinden van het ongeval niet alleen toe te rekenen aan de medeverdachte maar ook aan de verdachte. Het hof merkt daarbij nog op dat het evengoed zo had kunnen zijn dat het voertuig van de verdachte in botsing zou zijn gekomen met het voertuig van het slachtoffer.
Tevens kan worden gesproken van het gezamenlijk en in vereniging plegen van de verschillende verkeersgedragingen, zodat verdachtes handelen kan worden gekwalificeerd als medeplegen van het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijk gevolg.
Het hof is concluderend van oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan een straatrace zoals bedoeld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 en dat hun gedragingen als roekeloos kunnen worden aangemerkt.
Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , dit laatste in het geval het hof de verklaring van [getuige 5] tot het bewijs bezigt.
Het hof wijst het horen van de getuige [getuige 1] af, nu het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk acht. Immers is de vriendin van de verdachte geen getuige geweest van het tenlastegelegde en gaat het hof uit van de verklaring van de verdachte dat hij zijn vriendin bij de [bedrijf 3] heeft afgezet en dat hij daar is weggereden zonder vooraf met de medeverdachte te hebben gesproken.
Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuige [getuige 2] behoeft geen bespreking, nu het hof de verklaring van de getuige [getuige 5] niet tot het bewijs bezigt.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en feit 2 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 29 augustus 2024. Voorts dient aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren te worden opgelegd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit bij de op te leggen straf rekening te houden met de (kleinere) rol van de verdachte ten opzichte van de rol van medeverdachte [medeverdachte] . Voorts heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte in de afgelopen twee jaren aan zichzelf heeft gewerkt, momenteel goed contact heeft met zijn zoontje van twee jaar en dat de verdachte voor werk zijn rijbewijs nodig heeft.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval waardoor het slachtoffer [slachtoffer] is komen te overlijden. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hielden kort voorafgaand aan het ongeval een straatrace en reden daarbij met zeer hoge snelheid door een rood uitstralend verkeerslicht. Het voertuig van medeverdachte [medeverdachte] is daardoor in botsing gekomen met het voertuig van het slachtoffer. De verdachten hebben door hun rijgedrag blijk gegeven van een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, alsmede van het ontbreken van enig besef van de gevaren die het op deze wijze besturen van een auto teweeg kunnen brengen voor anderen en de verkeersveiligheid in het algemeen.
Het onverantwoorde rijgedrag van de verdachten heeft een einde gemaakt aan het nog jonge leven van het slachtoffer. Hiermee is haar de kans ontnomen om te genieten van alles wat het leven haar nog te bieden had. De nabestaanden van het slachtoffer is hierdoor een onherstelbaar leed aangedaan en zij zijn voor het leven getekend door het ongeval en het verlies van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachten zeer aan dat zij hebben gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daarnaast volgt uit het reclasseringsadvies van 29 augustus 2024 dat de verdachte al vanaf zijn kinderjaren bekend is met het niet kunnen omgaan met prikkels en onrust en dat hij vanuit daar risico’s en grenzen opzoekt.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal heeft bepleit, ziet het hof geen aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen
Voorts acht het hof passend en geboden om – ter bescherming van de verkeersveiligheid – aan de verdachte de bevoegdheid te ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. In het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk ziet het hof – in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde – geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, nu het hof het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder vindt wegen dan het belang van de verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg met 5 dagen overschreden en in hoger beroep met 11 dagen.
Gelet op de geringe overschrijding van de redelijke termijn, ziet het hof geen reden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Het hof zal derhalve volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben in eerste aanleg ieder een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft daarnaast een bedrag van € 3.630,00 aan kosten gevorderd.
De rechtbank heeft de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Namens de benadeelde partijen is ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2026 te kennen gegeven dat aan de benadeelden reeds een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade is uitgekeerd en beide vorderingen derhalve worden verminderd tot een bedrag van € 2.500,00 aan affectieschade.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat aan ieder van de benadeelde partijen een bedrag van € 2.500,00 aan affectieschade kan worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde proceskosten door [benadeelde 2] heeft de raadsvrouw bepleit bij toewijzing aan te sluiten bij het liquidatietarief.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Aanspraak op vergoeding van affectieschade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. De wetgever heeft bepaald dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak mag maken op affectieschade. Tot deze kring behoort ingevolge artikel 6:108, lid 4 aanhef en onder c, BW degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is.
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen, zijnde de vader en moeder van het overleden slachtoffer, aldus tot de kring van gerechtigden behoren. Het meerderjarige slachtoffer was ten tijde van het verkeersongeval bovendien thuiswonend. In het Besluit vergoeding affectieschade is de affectieschade voor meerderjarige thuiswonende kinderen vastgesteld op een bedrag van € 20.000,00. Door de verdediging is het bestaan noch de hoogte van de vorderingen van genoemde personen betwist.
Nu aan de benadeelden reeds een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade is uitgekeerd, zal aan beide benadeelden het meergevorderde bedrag van € 2.500,00 aan affectieschade worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022. De schade wordt geacht op die dag te zijn geleden.
Proceskosten
Ten aanzien van [benadeelde 1]
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Ten aanzien van [benadeelde 2]
Ingevolge artikel 532 Sv dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in 'Liquidatietarief kanton’ of 'Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven'. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 RO, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (vgl. HR 28-05-2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Indien de proceskosten zouden worden begroot op het door de gemachtigde gevorderde bedrag zou dit tot een onredelijk hoge veroordeling in de proceskosten leiden. De proceskosten zijn slechts gevorderd door de benadeelde [benadeelde 2] , terwijl de gevorderde kosten betrekking hebben op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden voor de gehele familie terwijl bovendien een urenspecificatie ontbreekt.
Nu de onderhavige vordering van de benadeelde [benadeelde 2] bovendien van eenvoudige aard is, zal het hof de proceskosten berekenen volgens het liquidatietarief . Voor de berekening van de proceskosten in eerste aanleg zal worden uitgegaan van het kantontarief en in hoger beroep van het tarief dat bij de rechtbank wordt gehanteerd. Dit betekent dat de proceskosten in eerste aanleg worden begroot op een bedrag van € 408,- ('Liquidatietarief, kanton per 1 februari 2024, twee punten à € 204,-, zijnde 1 punt voor het indienen van het voegingsformulier en 1 punt voor de toelichting ter terechtzitting in eerste aanleg). De proceskosten in hoger beroep worden berekend op € 478,- (Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026, , tarief I, 1 punt à € 554,- voor de aanwezigheid van de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep). Dit betekent dat de proceskosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 962,-.
Hoofdelijke veroordeling
Tot vergoeding van de schade en de kosten is naast de verdachte ook de medeverdachte gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade en de kosten. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade en de kosten betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]
De benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , zussen van het slachtoffer, hebben in eerste aanleg ieder een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partijen hebben de vorderingen in hoger beroep gehandhaafd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de benadeelde partijen niet in aanmerking komen voor affectieschade via de hardheidsclausule.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals reeds hiervoor werd overwogen is affectieschade op grond van artikel 6:108 BW slechts toewijsbaar aan een beperkte kring van personen. In artikel 6:108, vierde lid, sub g BW is een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort, maar die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van artikel 6:108, derde lid, BW wordt gezien. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking wordt in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3 (MvT), p. 15) gegeven broers of zussen die langdurig samenwonen én voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. De wetgever heeft in de memorie van toelichting naast een concreet voorbeeld ook handvatten geboden in de vorm van wegingsfactoren om te beoordelen of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is daarbij beslissend, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Daarbij is relevant op welke wijze het overlijden van het slachtoffer een feitelijke ommezwaai in het leven van de nabestaande kan betekenen.
Het hof neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de memorie van toelichting en wetsgeschiedenis. De wetgever heeft broers en zussen bewust uitgesloten van de kring van gerechtigden. Dan past het de rechter niet om buiten de bedoeling van de wetgever om deze kring uit te breiden. De wetgever heeft, zoals hiervoor weergegeven, wel voorzien in een restcategorie, maar ook hier vallen de zussen van het slachtoffer in de gegeven omstandigheden niet onder.
Voor het hof is het volkomen helder dat zij een zeer hechte band hadden met het slachtoffer en dat zij pijn en verdriet ondervonden hebben en ondervinden door de dood van hun zus, maar van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de wetgever bij het maken van de restcategorie voor ogen heeft gestaan en op grond waarvan de zussen zouden verschillen van andere personen die hun broer of zus als gevolg van een misdrijf verliezen, is hier onvoldoende gebleken.
Derhalve zal het hof de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding.
Proceskosten
De benadeelde partijen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 september 2022;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte en de mededader hoofdelijk in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 962,00 (negenhonderdtweeënzestig euro);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 september 2026.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 6 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.