GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 oktober 2025
Zaaknummer: 200.352.064/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/387196 / FA RK 21-3108
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Cortet,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N. Wouters.
Als belanghebbende is aangemerkt:
Jeugdbescherming West, Regio Zeeland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland: hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat - in het kort - over het verzoek tot omgang tussen de vader en de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 5 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 maart 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de beslissing over de omgang en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot begeleide omgang, uit te voeren door een professionele hulpverlenende instantie, waarbij er zo mogelijk éénmaal per week omgang zal plaatsvinden. De vader verzoekt het verzoek voor het overige aan te houden in afwachting van de voortgang van het traject begeleide omgang, waarna namens de vader nog een aanvullend verzoek ter zake de invulling van de omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] aan het hof zal worden voorgelegd.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 mei 2025, heeft de moeder verzocht om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen.
De moeder heeft daarnaast incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing over de omgang en te bepalen dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] wordt ontzegd op grond van artikel 1:377a lid 3
sub a jo sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW), in ieder geval totdat [minderjarige] de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.
Bij verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 23 juni 2025, heeft de vader verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 mei 2025, heeft de GI verzocht om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
[vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;
-
[vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 20 september 2021;
-
het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 20 mei 2025 (proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 november 2024);
-
het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 21 augustus 2025 (raadsrapport van 13 februari 2023);
-
het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 8 september 2025 (productie 5);
-
het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 8 september 2025 (productie V t/m productie IX);
-
het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 11 september 2025 (productie X).
3 De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens die relatie is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] staat sinds 21 november 2022 (voorlopig) onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 17 november 2025.
Bij beschikking van 5 oktober 2021 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de vader en [minderjarige] met ingang van 30 september 2021 voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, gedurende elke donderdag van 09.30 uur tot 11.00 uur, met inachtneming
van de afspraken zoals onder rechtsoverweging 4.3 van die beschikking opgenomen.
Bij beschikking van 8 december 2022 heeft de rechtbank, onder wijziging van de beschikking van 5 oktober 2021, bepaald dat er in afwachting van de bevindingen van de raad en een nadere beslissing in de bodemprocedure van partijen geen omgang zal plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] .
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover voor deze procedure van belang, het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, afgewezen. Het verzoek van de moeder om de vader het contact met [minderjarige] te ontzeggen heeft de rechtbank eveneens afgewezen.
Zowel de vader als de moeder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan, ieder afzonderlijk, in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De vader voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.
De vader heeft sinds november 2021 geen contact meer met [minderjarige] . Hij ziet in dat [minderjarige] een zeer kwetsbaar meisje is dat kampt met ernstige gezondheidsproblemen, voor wie veel hulpverlening is betrokken. De gezondheid van [minderjarige] staat op de eerste plaats.
De vader heeft er wel moeite mee dat er nooit, onder professionele begeleiding, is gekeken in hoeverre de aanwezigheid en betrokkenheid van de vader een positieve uitwerking op [minderjarige] kan hebben. Het is namelijk niet ondenkbaar dat [minderjarige] een vaderfiguur mist in haar leven en daarom zou kunnen profiteren van de aanwezigheid van de vader. De vader begrijpt dat hulpverlening en begeleiding noodzakelijk zijn en dat wordt aangesloten bij de draagkracht en het tempo van [minderjarige] . Juist nu er zoveel professionele hulpverlening bij [minderjarige] betrokken is, kan het contactherstel op een veilige manier plaatsvinden. Zodra dit een negatief effect op [minderjarige] zou hebben, dan is de vader als eerste bereid om een stap terug te doen. Toen [minderjarige] in [instantie 1] verbleef was het een uitgelezen kans geweest om met het contactherstel te starten. De vader heeft in die tijd ook een kaartje voor de verjaardag van [minderjarige] gestuurd, maar dit kaartje is voor [minderjarige] achtergehouden.
Het kan niet zo zijn dat het contactherstel niet tot stand kan komen, omdat de moeder niet wil mee werken een verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de ouders.
Het is voor de vader niet duidelijk wat er concreet moet gebeuren voordat hij wel een plaats kan krijgen in het leven van [minderjarige] . De GI heeft ook geen serieuze poging gedaan om tot contactherstel te komen, terwijl dit een onderdeel is van de ondertoezichtstelling.
Het is voor een goede (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk dat zij contact heeft met beide ouders. Hoe langer er wordt gewacht met contactherstel, hoe moeilijker dit voor [minderjarige] wordt.
De bestreden beslissing is in strijd met het EVRM. Er rust op de rechter een inspannings-verplichting om ‘family life’ mogelijk te maken.
De moeder voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.
Het staat vast dat [minderjarige] ernstig ziek is. De vader geeft aan dat het contactherstel mogelijk ook een positieve uitwerking kan hebben op [minderjarige] . Het lijkt alsof hij de gezondheids-problemen gedeeltelijk toeschrijft aan het gebrek aan contact tussen [minderjarige] en de vader. Dit is niet het geval. [minderjarige] heeft ernstige kindeigen problematiek. De minste of geringste verstoring in haar leven heeft een negatief effect op haar welzijn. [minderjarige] staat stil in haar groei en heeft nog steeds problemen met eten. De behandeling van [instantie 1] is afgelopen, maar er zijn nog wel een kinderarts en diëtiste betrokken. Over twee maanden wordt gekeken of sondevoeding noodzakelijk is.
[instantie 1] geeft aan dat contactherstel op dit moment niet aan de orde kan zijn. Dit zal te veel spanningen opleveren. [minderjarige] dient eerst in staat te zijn om haar emoties te reguleren. Het is tot die tijd onverantwoord om tot contactherstel over te gaan, omdat de emoties van [minderjarige] dan zullen oplopen, wat zal leiden tot negatief gedrag en ontregeling. De behandeling van [instantie 2] , waarbij aan de emotieregulatieproblematiek van [minderjarige] zal worden gewerkt, kan nu niet starten, omdat er eerst stabiliteit moet komen. Vanwege de onderhavige procedure is er te veel onrust in het leven van [minderjarige] en de moeder. Op school gaat het redelijk goed, maar na school moet [minderjarige] thuis bijkomen van alle prikkels die zij heeft gehad. [minderjarige] staat de hele dag aan en is de hele dag alert.
De rechtbank heeft niet voor niets overwogen dat het belangrijk is dat de aandacht en energie van [minderjarige] kunnen uitgaan naar het op orde krijgen van haar gezondheid en ontwikkeling. Voor de rechtbank staat het voldoende vast dat [minderjarige] vanwege haar zorgelijke gezondheidssituatie het contactherstel met de vader niet aankan en dat zij ernstig ontregeld kan raken bij nieuwe situaties. Hieruit volgt voldoende dat sprake is van een wettelijke ontzeggingsgrond, te weten dat omgang kan leiden tot ernstig geestelijk en/of lichamelijk nadeel bij [minderjarige] . Dit wordt onderschreven door hulpverlening vanuit [instantie 3] en [instantie 4] .
De moeder is slachtoffer van psychisch en lichamelijk geweld binnen de relatie met de vader. [minderjarige] is hiervan getuige geweest. Hiervoor dient binnen het juridisch proces meer aandacht te zijn, aangezien niet alleen [minderjarige] , maar ook de moeder voor het leven is getekend. Het blootstellen van [minderjarige] aan contact met de vader kan daarom een averechts effect hebben op haar gezondheid. [minderjarige] vraagt op dit moment ook niet naar de vader. Wanneer ze met vragen komt, zal er opnieuw gekeken moeten worden wat mogelijk is.
De GI voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.
De GI handhaaft de bij de rechtbank ingenomen standpunten. Het gaat nog steeds niet goed met de gezondheid van [minderjarige] . Mogelijk heeft [minderjarige] , naast haar overige problematiek, ook te kampen met PTSS. Gezien de huidige ontwikkelingen op het gebied van voeding, onderwijs en toekomstige inzet van hulpverlening, is het niet in het belang van [minderjarige] om een start te maken met contactherstel. Er is al veel hulpverlening bij [minderjarige] betrokken en het is niet in haar belang om haar aan nog meer hulpverlening bloot te stellen. Er dient eerst verder te worden gewerkt aan de persoonlijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] , voordat ze sterk genoeg wordt geacht om met de spanning van het contactherstel om te kunnen gaan. De behandeling bij [instantie 2] is gericht op coregulatie en zelfregulatie, zodat [minderjarige] in staat wordt gesteld om haar emoties te reguleren. De behandeling kan nu niet starten, omdat er eerst meer rust in de thuissituatie moet komen. Vanuit [instantie 1] is geadviseerd om eerst alle prikkels rondom [minderjarige] weg te nemen. Het is daarom belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over het verzoek van de vader tot contactherstel.
De GI ziet een vader die contact met zijn dochter wil en die haar gezondheid op de eerste plaats stelt. Wanneer [minderjarige] daaraan toe is, dan kan dit in het verhaal voor haar worden meegenomen.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd. De situatie is heel gecompliceerd. [minderjarige] is vanaf haar geboorte al zeer kwetsbaar. Zij heeft een aandoening die grote gevolgen heeft voor haar gezondheid. Die gezondheid moet boven alles staan. Alles wat stress verhogend kan zijn, brengt risico’s mee en moet vermeden worden.
Mogelijk kan de vader op vaste momenten een kaartje aan [minderjarige] sturen en worden die kaartjes voor haar bewaard, eventueel met een foto van de vader erbij. Daar kan dan een boekje van worden gemaakt voor [minderjarige] . Zodra zij daar klaar voor is en vragen gaat stellen, kan dit haar worden aangereikt. Meer is op dit moment niet mogelijk.
Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast, dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van lid 3 sub a ontzegt de rechter het recht op omgang indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind.
De motivering van de beslissing
Het hof ziet geen aanleiding om een voorlopige beslissing te nemen en de definitieve beslissing aan te houden.
Het hof is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht van oordeel dat de vader het recht op omgang dient te worden ontzegd, aangezien voldoende is komen vast te staan dat omgang net de vader ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en/of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.
Er is sprake van een zorgelijke situatie. [minderjarige] kampt sinds haar geboorte met ernstige gezondheidsproblematiek. Zij is onder meer gediagnosticeerd met ARFID (Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder). Dit maakt dat eten en/of drinken problematisch is voor haar. [minderjarige] heeft al veel hulpverlening gehad. Zo heeft zij een intensief traject bij [instantie 1] doorlopen, waarbij zij samen met de moeder ook intern heeft verbleven. De behandeling bij [instantie 1] heeft nauwelijks effect gehad. Eten en drinken blijft een probleem. [minderjarige] krijgt nog steeds niet de noodzakelijke voedingsstoffen binnen en zij stagneert in haar lichamelijke en geestelijke ontwikkeling.
Bij [minderjarige] is verder gezien dat zij niet in staat is om met emoties en spanningen om te gaan, waardoor zij regelmatig ernstig ontregeld is en veel gedragsproblematiek laat zien. [minderjarige] heeft de neiging tot controle-drang. Er bestaat een sterk vermoeden dat [minderjarige] te kampen heeft met PTSS en dat deze problematiek eraan in de weg staat om een succesvolle behandeling voor ARFID te kunnen ondergaan. [minderjarige] zal daarom eerst behandeld moeten worden voor PTSS en emotieregulatieproblematiek. In het kader van die behandeling gaat er gewerkt gaat worden aan coregulatie, zodat [minderjarige] door de moeder gerustgesteld en gekalmeerd kan worden en [minderjarige] vervolgens stappen kan maken om te werken aan zelfregulatie, teneinde te leren omgaan met emoties en spanningen.
Alle deskundigen zijn het eens dat het herstel bij [minderjarige] pas kan worden ingezet, als er sprake is van een rustige, stabiele en veilige (thuis)situatie. Dit is een absolute voorwaarde voor een succesvolle behandeling. De verklaring daarvoor is dat het stresssysteem actief blijft, wanneer er onveiligheid wordt ervaren, hetgeen vervolgens een belemmering vormt voor het aanleren van nieuw gedrag. Aangezien [minderjarige] veel behoefte heeft aan voorspelbaarheid, dient iedere verandering in haar leven op dit moment vermeden te worden.
Een herstel van het contact met de vader levert voor [minderjarige] een verandering op en dit zal ongetwijfeld in meer of mindere mate met spanning gepaard gaan, zowel bij de moeder, als (direct of indirect) bij [minderjarige] .
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is dit onwenselijk voor [minderjarige] , omdat zij in dat geval geen begin kan maken met het herstel van haar meervoudige, complexe gezondheidsproblematiek.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er sprake is van een ontzeggingsgrond. In zoverre slaagt de grief van de moeder.
Het hof ziet geen aanleiding om de vader de omgang te ontzeggen totdat [minderjarige] de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, zoals door de moeder verzocht. Er valt op dit moment onvoldoende te zeggen over de duur van de behandeling van [minderjarige] . Het hof zal daarom geen termijn verbinden aan de ontzegging.
Voor zover de vader ten slotte heeft aangevoerd dat het afwijzen of ontzeggen van contact tussen hem en [minderjarige] in strijd is met het EVRM en het recht op ‘family life,’ kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Artikel 8 EVRM staat inperking van het recht op respect van het familie- en gezinsleven namelijk toe, als dit noodzakelijk is en als daarin in de wet is voorzien. Aan beide voorwaarden is voldaan.
Aangezien de rechtbank het verzoek tot omgang heeft afgewezen en het hof de vader het recht op omgang zal ontzeggen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en als volgt beslissen.
4 De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 5 december 2024, voor zover dit betreft de beslissing op de verzoeken over de omgang,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
ontzegt de vader het recht op omgang met [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.