Rolnummer: 22-002693-24
Parketnummer: 09-087483-21
Datum uitspraak: 30 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021 te Den Haag, in elk geval in Nederland, in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen,
althans eenmaal (telkens) voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en), van in totaal 640.970,12 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik van heeft gemaakt,
terwijl hij , verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij , verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 t/m 31 oktober 2019 te Den Haag, althans in Nederland,
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door
- een aanzienlijk aantal geldbedragen (contante stortingen en/of girale bijschrijvingen) te ontvangen zonder deze inkomende geldbedragen te melden en/of
- door vermogen (hoger dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande in de Participatiewet), in de vorm van een motorfiets niet melden.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewijsoverweging
Feit 1
Namens de verdachte is – op gronden zoals vermeld in de pleitnotities van de raadsvrouw – bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 tenlastegelegde.
Het hof overweegt – grotendeels met de rechtbank - te dien aanzien als volgt.
Op 1 juli 2019 is in de publieke ruimte van het stadsdeelkantoor Escamp in Den Haag een
betaalzuil geplaatst om burgers de mogelijkheid te bieden om de afgenomen diensten
desgewenst contant te betalen. De gemeente Den Haag heeft op 30 november 2020 aangifte gedaan van diefstal c.q. verduistering van een bedrag aan contanten uit (de kluis van) het stadsdeelkantoor. Dit geldbedrag van in totaal € 640.970,12 is berekend op basis van het negatieve kasverschil in de financiële administratie van de locatie Escamp (te weten het bedrag dat op basis van de grootboekhouding op dat moment aan contanten in de kluis en in de betaalzuil van het stadsdeelkantoor had moeten liggen minus het bedrag dat daar toen daadwerkelijk is aangetroffen). De contante geldstroom betrof met name de omzet uit de betaalzuil en het (wissel)geld dat in die periode door het stadsdeelkantoor was besteld bij dan wel was afgestort aan het bedrijf [bedrijfsnaam] .
De medeverdachte [medeverdachte] werkte sinds 2015 als ambtenaar bij dat stadsdeelkantoor. De verdachte en de medeverdachte hadden van 2011 tot en met 2021 een relatie. [medeverdachte] heeft bekend dat zij na de komst van de geldzuil meermalen contant geld uit de kluis in haar tas heeft gestopt en heeft meegenomen.
Uit het financieel onderzoek blijkt dat in de ten laste gelegde periode grote contante stortingen zijn gedaan op bankrekeningen van de verdachte, de medeverdachte en haar zus. Daarnaast is vastgesteld dat - mede op basis van de aangetroffen bonnetjes in de woning van de verdachte over de periode direct voorafgaand aan de arrestatie van de verdachte en de medeverdachte - door de verdachte veel contant betaalde aankopen zijn gedaan van luxe goederen, zoals schoenen, kleding en elektronica. Daarnaast blijkt uit het politieonderzoek dat door de verdachte en de medeverdachte meerdere voertuigen zijn aangeschaft.
De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de relatie ook cash geld ontving van de medeverdachte. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was en oordeelt dat dit het geval is.
De medeverdachte heeft verklaard dat zij de verdachte gedurende de relatie feitelijk financieel heeft onderhouden en dat het zijn idee was om geld van de gemeente te stelen.
Nadat zij de verdachte had verteld dat er wel eens storingen en mankementen met de geldzuil waren, zou de verdachte hebben gezegd dat zij dat geld dan toch gewoon kon pakken, zodat hij daar spullen van kon kopen. De medeverdachte heeft verklaard dat zij, alles bij elkaar, “tonnen" aan de verdachte heeft uitgegeven. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen uit het financieel onderzoek en door de luxe goederen en voertuigen die bij de verdachte zijn aangetroffen en waarvan voldoende aannemelijk is dat deze door de verdachte dan wel medeverdachte zijn betaald. Ook uit de chatgesprekken in het dossier tussen de medeverdachte en de verdachte blijkt dat de verdachte wist dat het geld dat de medeverdachte hem gaf een illegale herkomst had.
Voor zover de verdachte heeft gesteld dat hij veronderstelde dat de familie van de medeverdachte veel geld had en hij zich dus niet om de herkomst van het geld hoefde te bekommeren, heeft hij dit niet onderbouwd en biedt het dossier hiervoor ook geen enkel aanknopingspunt.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat het geld dat hij van de medeverdachte kreeg van misdrijf afkomstig was en dat was sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bestaande uit een gezamenlijke uitvoering.
Daarmee kan medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Voor wat betreft de hoogte van het door de verdachte witgewassen bedrag, neemt het hof de volgende bedragen in aanmerking:
-
contante stortingen op de bankrekening van de verdachte: € 92.755,00
-
girale overboekingen afkomstig van de medeverdachte [medeverdachte] : € 142.761,00
-
contant aangeschafte luxegoederen, in totaal: € 22.085,50
-
uitgaven aan voertuigen door de verdachte en medeverdachte (contant) en de medeverdachte (giraal), in totaal: € 116.398,00
In totaal betreft dit een bedrag van € 373.999,50.
Het hof acht – gelet op het voorgaande - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte een bedrag van € 373.999,50 heeft witgewassen door er onder meer voertuigen en luxe goederen mee te kopen. Het hof wijst daarbij ook op de omstandigheid dat het gestorte geld ten tijde van de aanhouding van de beide verdachten niet meer op hun bankrekeningen stond. Gelet op de frequentie van de gepleegde witwashandelingen en de ruime pleegperiode daarbij acht het hof gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De verdachte heeft ten aanzien van dit feit geen verklaring afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangegeven op dit punt geen verweer te voeren.
Het hof overweegt dat bij beschikking van 19 maart 2018 aan de verdachte is bekend gemaakt dat hem bijstand werd toegekend op grond van de Participatiewet. In deze beschikking is vermeld dat veranderingen in bijvoorbeeld de financiële situatie vaak gevolgen hebben voor de hoogte en duur van de uitkering en dienen te worden doorgegeven.
Het hof overweegt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode geldbedragen op zijn rekening heeft ontvangen zonder daarvan melding te doen. Daarnaast was de verdachte in het bezit van een motorfiets waarvan hij het bezit evenmin heeft gemeld. De bedragen die de verdachte ontving betroffen (deels) contante stortingen en girale overboekingen afkomstig van medeverdachte [medeverdachte] . In het voorgaande is overwogen dat de verdachte wist dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Gelet daarop en bij gebreke van een andersluidende verklaring van de verdachte is het hof van oordeel dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten de bedoelde gegevens te verstrekken terwijl hij wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op een uitkering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 6 januari 2021 te Den Haag, in elk geval in Nederland, in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen,
althans eenmaal (telkens) voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en), van in totaal 640.970,12 euro 373.999,50 euro, althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en/of gebruik van heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 t/m 31 oktober 2019 te Den Haag, althans in Nederland,
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een bijstandsuitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door
- een aanzienlijk aantal geldbedragen (contante stortingen en/of girale bijschrijvingen) te ontvangen zonder deze inkomende geldbedragen te melden en/of
- door vermogen (hoger dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande in de Participatiewet), in de vorm van een motorfiets niet melden.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een groot geldbedrag. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft bij de gemeente Den Haag een groot geldbedrag verduisterd en samen hebben zij een deel van dit geld witgewassen onder andere door het te gebruiken om luxe goederen zoals schoenen, kleding, horloges en voertuigen mee te kopen.
De verdachte heeft door het plegen van dit feit enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om het nadeel dat is ontstaan voor de gemeenschap. Door crimineel geld in het legale betalingsverkeer te brengen, werkte de verdachte mee aan verhulling van criminele activiteiten. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Daarnaast heeft de verdachte gedurende bijna een jaar zijn financiële positie verzwegen tegenover het UWV en zo ten onterechte een bijstandsuitkering ontvangen. Misbruik van sociale voorzieningen is maatschappelijk onverantwoord en dient bestraft te worden.
Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte geen enkel inzicht getoond in zijn eigen rol en in het laakbare van zijn handelen.
Voor deze genoemde feiten is naar het oordeel van het hof geen andere straf op zijn plaats dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten.
Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof neemt hierbij met name de lange duur van de behandeling in eerste aanleg in aanmerking, waarbij na de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 januari 2021 eerst op 1 augustus 2024 een eindvonnis is gewezen, zodat sprake is van een overschrijding met ongeveer 1 jaar en 8 maanden. Vervolgens is ook ten aanzien van de behandeling van het op 12 augustus 2024 ingestelde hoger beroep de redelijke termijn licht overschreden, nu eerst op 30 september 2026 door het hof arrest wordt gewezen. Gelet op deze overschrijdingen zal het hof – in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf - aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden opleggen.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Vordering tot schadevergoeding Gemeente Den Haag
In het onderhavige strafproces heeft de Gemeente Den Haag zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 640.970,12. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van tot een bedrag van € 315.915,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, onder meer door te betwisten dat [naam indiener] , als indiener van de vordering tot schadevergoeding, daartoe gemachtigd was. Daarnaast is namens de verdachte aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f Sv.
Machtiging
Het hof stelt vast dat blijkens de -via openbare bronnen te raadplegen - Mandaatregeling hoofdstuk 1.2 Den Haag 2022 (hierna: Mandaatregeling) van de gemeente Den Haag door Burgemeester en wethouders mandaat is verleend aan de algemeen directeur, voor de bevoegdheden die betrekking hebben op het taakgebied van hun eigen dienst. Dit behelst onder andere, blijkens artikel 3 uit de Mandaatregeling het voeren van procedures krachtens artikel 160 Gemeentewet waaronder – kort gezegd – het voeren van rechtsgedingen. Van een andersluidend besluit van de raad in de zin van art. 3 Mandaatregeling is niet gebleken. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard als zodanig door de algemeen directeur te zijn gemachtigd tot het indienen van de onderhavige vordering tot schadevergoeding. Dit leidt tot het oordeel dat de Gemeente Den Haag als benadeelde partij kan worden ontvangen in de in deze zaak ingediende vordering tot schadevergoeding.
Schade rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij in voldoende mate aangetoond dat tot een bedrag van € 373.999,50 de gestelde materiële schade is geleden en dat deze een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De door de benadeelde partij geleden schade staat namelijk in een zodanig nauw verband met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte – onder andere blijkens de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken – dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in art. 361, tweede lid, onder b, Sv en art. 51f, eerste lid, Sv.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf
12 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat niet is komen vast te staan dat deze materiële schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Gemeente Den Haag
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 373.999,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Gemeente Den Haag.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Gemeente Den Haag ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 373.999,50 (driehonderddrieënzeventigduizend negenhonderdnegenennegentig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Gemeente Den Haag, ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 373.999,50 (driehonderddrieënzeventigduizend negenhonderdnegenennegentig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 november 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter,
mr. K. Versteeg en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 september 2026.