Artikel 51f Wetboek van Strafvordering
Lid 1
Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
Lid 2
Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
Lid 3
De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun vordering voegen.
Lid 4
Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig het eerste lid te voegen, in het strafproces de bijstand of vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de kantonrechter, als bedoeld in artikel 349, lid 1, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende bijstand of vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.
Lid 5
Indien de officier van justitie een vervolging instelt of voortzet, doet hij de benadeelde partij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling. Indien de zaak ter terechtzitting zal worden behandeld, deelt de officier van justitie de benadeelde partij zo spoedig mogelijk het tijdstip van behandeling mee.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 51f Sv is sinds 2004 in 855 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Rb. Overijssel en Rb. Amsterdam.
- ECLI:NL:HR:2026:147 — 03-02-2026 Hoge Raad
Belaging (art. 285b.1 Sr) en smaadschrift (art. 261.2 Sr). Motivering oplegging schadevergoedingsmaatregel t.a.v. vergoeding van immateriële schade, art. 36f Sr en art. 6:106.b BW. Heeft hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit zijn overwegingen niet kan worden afgeleid… - ECLI:NL:HR:2026:78 — 20-01-2026 Hoge Raad
Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten gebruik van geldbedragen en opzet. Kon hof oordelen dat sprake is van “witwassen” a.b.i. art. 420bis Sr? 2. Vordering benadeelde partijen, rechtstreekse schade. Kunnen door beleggers… - ECLI:NL:HR:2026:73 — 20-01-2026 Hoge Raad
Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. 1. Schriftuur benadeelde partij. Kan b.p. zich met vordering tot vergoeding van immateriële schade in strafproces voegen zonder opgave van concreet bedrag? 2. Kon hof schadevergoedingsmaatregel… - ECLI:NL:HR:2025:1844 — 09-12-2025 Hoge Raad
Poging tot doodslag door in 2020 in Amsterdam een willekeurige wandelaar met vuurwapen in buik te schieten (art. 287 Sr), bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht (art. 285.1 Sr) en voorhanden hebben van vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM). TBS met dwangverpleging… - ECLI:NL:HR:2025:1681 — 25-11-2025 Hoge Raad
Belaging (meermalen gepleegd), art. 285b.1 Sr. Vorderingen benadeelde partijen en oplegging schadevergoedingsmaatregelen, vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als materiële schade. Moeten kosten van rechtsbijstand worden aangemerkt als proceskosten…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.