afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000317-26
datum uitspraak: 3 september 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2026 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-258858-25 (zaak A) en 13-090410-25 (zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft verzocht een taakstraf op te leggen, in combinatie met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte en aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf deze ontwikkelingen zou doorkruisen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan twee diefstallen met braak van motoren en twee pogingen tot diefstal met braak van elektrische bakfietsen. Daarmee heeft de verdachte financiële schade en overlast bezorgd aan de eigenaren van deze vervoersmiddelen. Daarbij heeft hij er blijk van gegeven dat hij geen respect had voor andermans eigendommen.
In beginsel acht het hof de door de politierechter opgelegde straf passend en geboden. Het hof ziet echter in de proceshouding van de verdachte in hoger beroep en zijn persoonlijke omstandigheden aanleiding om hiervan af te wijken. De verdachte heeft in hoger beroep een bekennende verklaring afgelegd en is schuldbewust. Ook heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij zijn leven inmiddels beter op orde heeft. Zo heeft hij een woning en werk. Uit zijn justitiële documentatie blijkt bovendien dat hij sinds eind 2024 niet meer voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking komt. Daarnaast is hij recent betrokken geweest bij een motorongeluk, waarvan hij nog herstellende is.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 150 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden. Het hof zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van 3 jaren verbinden, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem te stimuleren de ingezette positieve ontwikkelingen voort te zetten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 865,87 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de stallingskosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het rechtstreekse verband met het bewezenverklaarde ontbreekt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde stallingskosten ten bedrage van € 64,- is onvoldoende gebleken dat deze rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partij kan daarom in zoverre in de vordering niet worden ontvangen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-258858-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 801,87 (achthonderdéén euro en zevenentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-258858-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 801,87 (achthonderdéén euro en zevenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 december 2023.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. C.A. Boom en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2026.
Mr. P.K. van Riemsdijk en mr. D.A.C. Koster zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.