vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/167832-26 (A), 09/070976-26 (B) en 09/109089-26 (C) (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummer vordering tul: 96/192515-23
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd in [P.I.]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
22 september 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Jeltes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.J. van Rinsum, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat [naam 1] namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren heeft gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is –kort gezegd– ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A:
het medeplegen van diefstal met braak en/of verbreking en/of inklimming uit de woning van [slachtoffer] van een kluis, meerdere documenten, armbanden, paspoortkopieën en/of contant geld (Turkse Lira), op 10 april 2026 in Amstelveen;
Zaak B:
het medeplegen van diefstal met braak en/of verbreking en/of inklimming van cassettes uit een of meerdere kassa’s uit het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1] op 8 november 2025 in ’s-Gravenhage;
Zaak C:
diefstal met braak en/of verbreking en/of inklimming van cassettes uit een of meerdere kassa’s en/of geld uit het bedrijfspand van de [bedrijfsnaam 2] op 6 oktober 2025 in Noordwijkerhout.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak voor alle feiten bepleit. De mogelijkheid van secundaire overdracht brengt mee dat het DNA-bewijs in alle drie de zaken onvoldoende is voor een bewezenverklaring. De overige bewijsmiddelen bieden daarin geen uitkomst. Over zaak A heeft hij in het bijzonder aangevoerd dat een herkenning op basis van een postuur en boller gezicht onvoldoende toereikend is. Over de zaken B en C heeft hij aangevoerd dat de modus operandi niet onderscheidend genoeg is om als schakelbewijs te dienen, omdat inbraken vaak gepleegd worden met een putdeksel. Tot slot heeft de raadsman overwogen dat het zwijgen van een verdachte hem enkel kan worden tegengeworpen als het bewijs om een verklaring schreeuwt en dat is evident niet van toepassing op zaken waar alleen DNA-bewijs aan de orde is.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat ze op 10 april 2026 haar woning aan de [adres 2] in Amstelveen had afgesloten en de ramen dicht had gedaan en dat daarna, op 10 april 2026, uit haar woning een kluis is weggenomen met daarin meerdere documenten, armbanden, paspoortkopieën en Turkse Lira met een waarde van ongeveer € 100, -.
Bij onderzoek ter plaatse hebben verbalisanten gezien dat aan de voorzijde van de woning het openstaande keukenraam was opengebroken en dat onder het opengebroken keukenraam een houten tuinbank stond, welke daar vermoedelijk geplaatst was door de verdachte(n). In de gehele sluitnaad aan de rechterzijde van het keukenraam waren diverse in/en tegendruk sporen zichtbaar, vermoedelijk gezet met een breekijzer. Er zat bloed op de vensterbank en op de binnen- en buitenzijde van het rechter raamkozijn. In het bloed op de buitenzijde van het rechter raamkozijn werd een fragment van een handschoenprofiel waargenomen. Verbalisanten hebben de bloedvlekken aan de binnen- en buitenzijde van het rechter raamkozijn bemonsterd en veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Het Maastricht Forensic Institute heeft DNA-onderzoek verricht aan deze sporen en uit de bemonstering van beide bloedsporen is telkens een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren verkregen, waaruit in beide gevallen een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit kleiner is dan één op de één miljard. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte een van de donoren is van de onderzochte bloedsporen.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de plaatsen waar de onderzochte bloedsporen zijn aangetroffen en het feit dat de bloedsporen zeer kort na de ontdekking van de inbraak zijn aangetroffen, in beginsel dadersporen zijn, tenzij aannemelijk wordt dat deze sporen geen relatie hebben met die inbraak. Verdachte heeft niets willen verklaren en er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit dit laatste zou blijken. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de bloedsporen daar terecht zijn gekomen op een andere manier en/of op een ander tijdstip dan door (een van) de dader(s) van de inbraak. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het niet anders kan dan dat verdachte als dader bij de inbraak betrokken is geweest.
De betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dat feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met één of meer anderen.
Ten tijde van de inbraak heeft een deurbelcamera in de buurt van de woning opnamen gemaakt. De verbalisant die deze camerabeelden heeft uitgekeken heeft daarop waargenomen dat ten tijde van de inbraak op die beelden twee personen te zien waren, NN1 en NN2. Zij omschrijft dat NN1 en NN2 samen vanaf de rechterkant in het beeld van de camera kwamen lopen en dat NN1 een grote blauwe boodschappentas vasthield waar een voorwerp in zat. Daarna ziet zij dat NN1 en NN2 van links samen terugkwamen lopen in beeld, NN1 met een blauwe boodschappentas onder zijn rechterarm, NN2 met een groot, vierkant en donker voorwerp in zijn armen. NN1 droeg handschoenen. De verbalisant vermoedt dat het een zwaar voorwerp betrof, omdat zij zag dat NN2 het voorwerp een keer op zijn been liet rusten om het opnieuw vast te kunnen pakken. Vervolgens ziet zij dat NN1 en NN2 rennende bewegingen maakten. De rechtbank concludeert dat NN1 en NN2 met de buitgemaakte kluis weglopen. Verbalisanten zien dat het postuur van verdachte overeenkomt met het postuur van NN1 op een foto uit voornoemde camerabeelden. Verdachte beroept zich na confrontatie met deze beelden op zijn zwijgrecht. De camerabeelden zijn ten tijde van de inbraak gemaakt en afkomstig van een woning gelegen vlak naast de woning waar de inbraak heeft plaatsgevonden. De beelden ondersteunen daarnaast de aangifte op essentiële punten. De rechtbank stelt daarom vast dat op de beelden verdachte en zijn mededader te zien zijn.
Gelet op het aangetroffen DNA van verdachte op binnen- en buitenkant van het opengebroken keukenraam en de camerabeelden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en minimaal één medeverdachte, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Zaak B
Aangever [benadeelde partij 2] heeft aangifte gedaan van een bedrijfsinbraak, gepleegd op 7 november 2025 in Coffeeshop [bedrijfsnaam 1] in ’s-Gravenhage. Hij heeft verklaard dat er daarbij meerdere cassettes uit de kassa’s zijn weggenomen.
De forensische opsporing heeft dezelfde dag nog onderzoek ter plaatse uitgevoerd. Verbalisanten hebben geconstateerd dat de ruit van de toegangsdeur was verbroken. Een putdeksel dat buiten voor de deur werd aangetroffen is bemonsterd voor DNA-onderzoek en daarbij is epitheel veiliggesteld. [bedrijfsnaam 1] heeft een gesloten kassasysteem en de verbalisanten zagen dat de kassa’s (contant geldmachines) in het looppad van het bestelloket stonden, dat het plastic deurtje van de eerste kassa was verwijderd en dat de cassettes niet meer in de kassa’s aanwezig waren. Op de voorzijde, de linkerzijkant, de achterkant en de bovenkant van de eerste kassa troffen zij een bloedspoor aan. De bloedsporen zijn bemonsterd voor DNA-onderzoek. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft DNA-onderzoek verricht aan dit materiaal. Uit de bemonstering van het epitheel en de bloedsporen is een DNA-profiel bepaald dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat het DNA afkomstig is van verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker is dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de plaatsen waar het epitheel en de bloedsporen zijn aangetroffen en het feit dat de bloedsporen kort na de ontdekking van de inbraak zijn aangetroffen, sprake is van dadersporen, tenzij aannemelijk wordt dat deze sporen geen relatie hebben met die inbraak. Verdachte heeft niets willen verklaren en er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit dit laatste zou blijken. De rechtbank stelt dan ook vast dat het DNA van verdachte is aangetroffen in dadersporen, die binnen in het bedrijfspand zijn achtergelaten.
Op de door aangever aangeleverde camerabeelden wordt door de verbalisant waargenomen dat ten tijde van de inbraak twee personen op de plaats van de inbraak waren: NN1 en NN2. Zij ziet dat NN1 met de putdeksel de ruit van de voordeur inslaat en dat NN2 met een voorwerp glasscherven uit de voordeur weghaalt. Zij ziet dat NN1 en NN2 zich door het gat in de ruit naar binnen werken en zich naar het kassasysteem begeven, waar NN2 het kassasysteem vasthoudt en NN1 op zijn hurken gaat om de kassa eruit te trekken.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en minimaal één medeverdachte, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht zij het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Zaak C
Aangever [naam 2] heeft namens [benadeelde partij 1] aangifte gedaan van een bedrijfsinbraak, gepleegd op 6 oktober 2025 in het [bedrijfsnaam 2] -filiaal aan de [adres 3] in Noordwijkerhout, waarbij meerdere cassettes uit de kassa’s zijn weggenomen.
Een verbalisant die ter plaatse kwam constateerde dat het raam van de rechterschuifdeur kapot was en dat er een groot gat in het raam zat. Voor het gat in het raam lagen veel glasscherven op de bestrating. In het glas zag hij een rode druppel die hij herkende als bloed. Hij heeft een mondkapje voorgedaan en twee paar latex handschoenen aangedaan en de bloeddruppel veiliggesteld door met een servet in het bloed te deppen. Het servet met het bloed heeft hij vervolgens in een ademende sealbag gedaan, de sealbag afgesloten en deze aangeboden aan forensische opsporing. Bij forensische opsporing is met behulp van een tetrabase-bariumperoxide-test een indicatie verkregen op de aanwezigheid van bloed in de vlekjes op het servet/de tissue. Het aangetroffen bloedspoor is bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal. Het bloedspoor is veiliggesteld en gewaarmerkt. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft vervolgens DNA-onderzoek verricht aan dit materiaal. Uit de bemonstering van het bloedspoor is een DNA-profiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans dat het DNA afkomstig is van verdachte meer dan één miljard keer waarschijnlijker is dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
Op de door verbalisant bekeken camerabeelden is te zien dat NN1 bij een automatische schuifdeur staat waarvan het glas kapot is. NN1 trapt vijf keer tegen het glas aan. Vervolgens kruipt hij op handen en voeten door het gat in het glas van de automatische schuifdeur. NN1 staat op en loopt de winkel in, richting kassa’s. Hij heeft een voorwerp in zijn linkerhand dat lijkt op een schroevendraaier en wrikt de klep van de behuizing van de geldwisselautomaat open en pakt een geldcassette uit de geldwisselautomaat. Vervolgens loopt hij met een zwart vierkant voorwerp in zijn hand naar het glas, staat bij het gat in het glas en bukt naar beneden. Hierna stopt het beeld.
De rechtbank is van oordeel dat de plaats waar het bloedspoor is aangetroffen (vlak voor het gat in de schuifdeur op straat, tussen glasscherven), het feit dat het bloedspoor kort na de ontdekking van de inbraak is aangetroffen en de wijze waarop volgens de beelden de inbraak heeft plaatsgevonden, wijzen op dadersporen, tenzij aannemelijk wordt dat deze sporen geen relatie hebben met die inbraak. Verdachte heeft niets willen verklaren en er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit dit laatste zou blijken. De rechtbank stelt vast dat het spoor waarin het DNA van verdachte is aangetroffen derhalve een daderspoor is en het verdachte was die de inbraak heeft gepleegd en op de camerabeelden te zien is.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak A:
op 10 april 2026 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen in een woning, te weten de woning gelegen aan [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een kluis,
- meerdere documenten,
- armbanden,
- paspoortkopieën en
- contant geld (Turkse lira),
die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak;
Zaak B:
op 8 november 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen cassettes uit een of meerdere kassa's, in elk geval enig goed, dat geheel aan " [bedrijfsnaam 1] ", toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
Zaak C:
op 6 oktober 2025 te Noordwijkerhout, cassettes uit een of meerdere kassa's en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] (" [bedrijfsnaam 2] "), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat aan het opleggen van een gevangenisstraf in het algemeen bezwaren kleven en dat detentie het risico op crimineel gedrag vergroot.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Uitgangspunt
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak in vereniging, een bedrijfsinbraak in vereniging en een bedrijfsinbraak. De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor een meerderjarige verdachte, waarbij sprake is van recidive. Een woninginbraak waarbij sprake is van recidive heeft als oriëntatiepunt voor een straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Als oriëntatiepunt voor een bedrijfsinbraak met recidive geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien weken.
Ernst van het feit
Het gaat om zeer ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die, met name als het gaat om een woninginbraak, voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Verdachte heeft met zijn handelen er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte twee keer eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij bovendien in een proeftijd liep ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor deze feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een rapport van de Reclassering Nederland van 24 april 2026, opgemaakt ten behoeve van de voorgeleiding aan de rechter-commissaris in een zaak betreffende de verdenking van een diefstal in vereniging door middel van braak, gepleegd op 20 april 2026 te Beekbergen. De Reclassering rapporteert onder meer:
“Wij zien een zorgelijk patroon van vermogensdelicten en overtredingen van de Wegenverkeerswet, bij een jongeman die al op jonge leeftijd (14 jaar oud) startte met het plegen van delicten. De heer [verdachte] liep tussen 04-11-2021 en 31-03-2025 in toezicht bij de Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Betrokkene hield zich aan de bijzondere voorwaarden en het toezicht werd positief afgerond. Desondanks kwam hij in korte tijd weer opnieuw in beeld bij politie in justitie. Wij hebben zorgen over betrokkene, gezien zijn delictverleden, zijn jonge leeftijd en zijn houding richting politie en de reclassering.”
De rechtbank gaat gelet op hetgeen bekend is over de persoon van verdachte uit van de aanwezigheid van recidivegevaar.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding bestaat bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding af te wijken van de strafmodaliteit die in de oriëntatiepunten wordt genoemd en acht een gevangenisstraf passend.
De rechtbank zal echter een kortere gevangenisstraf opleggen dan gevorderd. Dit heeft met name te maken met de jonge kalenderleeftijd van verdachte (hij was ten tijde van het plegen van de feiten 20 en 21 jaar oud) en het gegeven dat de recidive voor soortgelijke feiten ziet op veroordelingen door de kinderrechter van bijna vijf jaar geleden.
De rechtbank heeft onderzocht of er aanleiding is een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde het recidivegevaar in te perken. Verdachte heeft ter terechtzitting consequent gezwegen in antwoord op vragen, ook op vragen over zijn persoonlijke omstandigheden. De reclassering heeft in deze zaak niet kunnen rapporteren over verdachte omdat hij niet op uitnodigingen heeft gereageerd. Uit het hierboven al aangehaalde rapport van de reclassering van 24 april 2026 (betreffende een andere zaak) blijkt dat verdachte niet met hen in gesprek wilde gaan. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
9 De vorderingen van de benadeelde partijen
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert vergoeding van materiële schade van
€ 4.482,92 voor de reparatie van het raam en € 543,01 voor de noodafdichting van het raam. Zij vordert daarnaast vergoeding van immateriële schade van € 1.000, -. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank de gevorderde materiële schade toe te wijzen, omdat die schade rechtstreeks verband houdt met het feit en degelijk is onderbouwd. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de gevorderde immateriële schade af te wijzen, omdat hiervoor geen wettelijke grond bestaat en de vordering niet nader is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, omdat hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair betwist de raadsman de gevorderde materiële schade. De offerte van € 4.482,92 voor de reparatie van het raam is niet ondertekend en het is onbekend wat de verzekering heeft uitbetaald. De vordering is niet voldoende onderbouwd. Hij verzoekt de gevorderde immateriële schade af te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de kosten voor de noodafdichting van het raam zijn niet betwist. Voor de kosten voor de reparatie van het raam geldt dat de rechtbank ingevolge artikel 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Gelet op de beschrijving van de werkzaamheden in de offerte zal de rechtbank het bedrag van de reparatie van het raam begroten op € 4.482,92. De rechtbank gaat ervan uit dat deze schade niet vergoed is door een verzekeraar, omdat de benadeelde partij in het schadevergoedingsformulier heeft ingevuld dat geen schade is vergoed.
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000, - aan immateriële schade. De rechtbank begrijpt dat de vordering is gebaseerd op artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is onder meer mogelijk als de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Daarvan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Volgens vaste rechtspraak is voor het vaststellen van geestelijk letsel vereist dat daar een (medische) onderbouwing aan ten grondslag ligt door een huisarts, psycholoog of behandelaar. De benadeelde partij heeft gesteld gevoelens van onveiligheid en angstklachten te ervaren, maar heeft dit niet met medische stukken onderbouwd. Evenmin is komen vast te staan dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij gevoelens van onveiligheid ervaart, wordt de hoge drempel voor het aannemen van een aantasting in de persoon in dit geval niet gehaald. Daarbij weegt mee dat de benadeelde partij tijdens de woningbraak niet in de woning was.
De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal daarom worden afgewezen.
De vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.025,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering (12 augustus 2026), omdat de kosten op verschillende data na de inbraak zijn gemaakt.
Ook zal de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) worden opgelegd als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij.
De rechtbank bepaalt dat de verplichting tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag hoofdelijk wordt opgelegd, aangezien sprake is van medeplegen.
De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij vordert € 4.115,46 aan materiële schade: € 1.497,50 aan omzetderving, € 366,93 voor de noodreparatie van het glas, € 1.669,80 voor twee nieuwe kluisjes, € 336,23 voor de reparatie aan het Cikam-kussen en € 245, - voor drie-en-een-half uur aan administratie. Hij vordert daarnaast vergoeding van proceskosten van € 140, -. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat niet uit de stukken blijkt dat [benadeelde partij 2] , [bedrijfsnaam 1] mag vertegenwoordigen. Bovendien wordt een andere bedrijfsnaam, [bedrijfsnaam 3] , genoemd in de vordering tot schadevergoeding. Tot slot is de vordering tot schadevergoeding ondertekend door een gemachtigde die niet uitdrukkelijk gemachtigd is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Hij verzoekt dit primair omdat hij vrijspraak heeft bepleit en subsidiair op dezelfde gronden als de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat niet uit de stukken blijkt dat de vordering is ingediend door iemand die bevoegd is om namens [bedrijfsnaam 1] de vordering in te dienen. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte dragen ieder de eigen kosten.
Ten aanzien van de benadeelde partij [naam 1]
De benadeelde partij heeft gesteld dat hij € 7.671,85 aan materiële schade heeft geleden door deze inbraak: € 906,13 voor het herstellen van het cassettesysteem, € 450, - aan buitgemaakte contanten, € 5.100, - voor het vervangen van de schuifdeur, € 815,72 voor de noodreparatie van de deur en € 200, - voor het uurloon van de medewerkers. Op dit totaalbedrag heeft hij € 3301,22 in mindering gebracht, omdat dat reeds vergoed is door de verzekeraar en waardoor het gevorderde bedrag neerkomt op € 4.370,63. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank de vordering tot schadevergoeding volledig toe te wijzen. Uit uittreksels uit het register van de Kamer van Koophandel volgt dat [naam 1] bevoegd is [benadeelde partij 1] te vertegenwoordigen en de kosten zijn nader onderbouwd met stukken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman beroept zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat hij vrijspraak heeft bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De hoogte van de vordering is niet betwist.
De rechtbank merkt op dat de aangevoerde personeelskosten geen kosten zijn ter vaststelling van de schade en zal de vordering tot schadevergoeding voor dat gedeelte afwijzen.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.170,63 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de terechtzitting (22 september 2026), omdat de gevorderde kosten op verschillende data na de inbraak zijn gemaakt en ingediend.
Ook zal de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) worden opgelegd als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij.
De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
10. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 18 augustus 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 96/192515-23. Deze zaak betreft een onherroepelijk geworden uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2024, waarbij aan verdachte onder meer een week hechtenis is opgelegd. Daarbij is bevolen dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling gevorderd. De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf, te weten een week hechtenis, te gelasten.
11 Toepasselijke wettelijke voorschriften
12 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van zaak B:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van zaak C:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 5.025,93 (vijfduizendvijfentwintig euro en drieënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.025,93 (vijfduizendvijfentwintig euro en drieënnegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 augustus 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening ,behalve voor zover de betaling al door of namens zijn mededaders is voldaan. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] toe tot een bedrag van € 4.370,63 (vierduizend driehonderdzeventig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 4.370,63 (vierduizend driehonderdzeventig euro en drieënzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 43 (drieënveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:
Gelast de tenuitvoerlegging van het bij genoemd vonnis van 25 september 2024 (96-192515-23) door de kantonrechter in Amsterdam opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een week hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.D. de Vries, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.
[....]
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
[....] [....]
[....] [....] [....] [....] [....] [....] [....]
|
[....] |
[....] |
[....] |
[....] |
|
[....] |
[....] |
[....] |
[....] |