ECLI:NL:RBAMS:2026:7900

Datum uitspraak
04-08-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
13/068290-24 (zaak A), 15/236726-25 (zaak B) en 13/294554-25 (zaak C) (ter zitting gevoegd)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en aan diefstal van oudere mensen door middel van babbeltrucs, waarbij bankpassen, pincodes en sieraden afhandig werden gemaakt. Zij deden zich voor als bankmedewerkers, zeiden telefonisch tegen de slachtoffers dat er iets vreemds aan de hand was met hun bankrekening en dat iemand gestuurd zou worden om de bankpassen en waardevolle spullen veilig te stellen. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling van 8 maanden gevangenisstraf toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummers: 13/068290-24 (zaak A), 15/236726-25 (zaak B) en

13/294554-25 (zaak C) (ter zitting gevoegd)

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 08/109805-23

Datum uitspraak: 4 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, M.T.A. de Ridder en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.C. Kanhai, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

zaak A, feit 1

medeplegen van oplichting van [slachtoffer 1] op 9 april 2022 in Duivendrecht

zaak A, feit 2

medeplegen van diefstal van geld van [slachtoffer 1] door middel van een valse sleutel op 9 april 2022 in Duivendrecht

zaak B, feit 1

medeplegen van oplichting van [slachtoffer 2] op 6 mei 2022 in Beverwijk

zaak B, feit 2

diefstal van geld van [slachtoffer 2] door middel van een valse sleutel op 6 mei 2022 in Beverwijk

zaak B, feit 3

medeplegen van een poging tot oplichting van [slachtoffer 3] op 7 mei 2022 in Heemskerk

zaak B, feit 4

medeplegen van oplichting van [slachtoffer 4] op 7 mei 2022 in Velsen-Noord

zaak B, feit 5

diefstal van geld van [slachtoffer 4] door middel van een valse sleutel op 7 mei 2022 in Beverwijk.

zaak C, feit 1

medeplegen van oplichting van [slachtoffer 5] op 8 april 2025 in Amsterdam

zaak C, feit 2

medeplegen diefstal van een kluis met inhoud en geld van [slachtoffer 5] door middel van een valse naam en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenweefsel van verdichtsels op 8 april 2025 in Amsterdam.

De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in zaak A, zaak B en zaak C, feit 2 geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs. Voor zaak C feit 1 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van hetgeen onder de eerste vier gedachtestreepjes ten laste is gelegd. Verdachte ontkent deze handelingen te hebben verricht en dat hij die handelingen zou hebben verricht blijkt ook niet uit het dossier.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle in zaak A, zaak B en zaak C tenlastegelegde feiten zijn bewezen.

In zaak C, feit 1 volgt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw niet. Verdachte heeft bekend dat hij in de woning is geweest en heeft meegeholpen om de kluis uit de woning te krijgen. Uit het dossier volgt, en dit is ook niet betwist door de verdediging, dat sprake is van medeplegen; tussen de verdachte en de mededader was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de oplichting en de diefstal. Voor de bewezenverklaring is het dan niet noodzakelijk dat verdachte alle tenlastegelegde handelingen zelf moet hebben verricht.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting, bewezen dat:

zaak A, feit 1

hij op 9 april 2022 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten tot afgifte van een pinpas en de bijbehorende pincode en diverse sieraden (waaronder ringen en een gouden horloge en kettingen en broches en armbanden), door

- die [slachtoffer 1] te bellen en zich voor te doen als bankmedewerker van de Rabobank en

- die [slachtoffer 1] te vertellen dat er geld was opgenomen van haar rekening en dat hij uit

veiligheidsredenen haar pas en waardevolle spullen uit de woning wilde veiligstellen en

- die [slachtoffer 1] te vertellen dat een bankmedewerkers haar pinpas en sieraden zouden komen ophalen en

- telefonisch om de pincode van die [slachtoffer 1] te vragen, waarna [slachtoffer 1] haar pincode heeft gegeven en

- zich naar de woning van die [slachtoffer 1] te begeven en

- zich aan de deur voor te doen als bankmedewerker, waarna [slachtoffer 1] haar pinpas en sieraden heeft meegegeven;

zaak A, feit 2

hij op 9 april 2022 te Duivendrecht een geldbedrag van 1200 euro dat aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door dat geldbedrag met een weggenomen pinpas te pinnen;

zaak B, feit 1

hij op 6 mei 2022 te Beverwijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een geldbedrag en een bankpas en een RABO scanner en meerdere sieraden door:

- contact op te (laten) nemen met die [slachtoffer 2] , daarbij gebruikmakend van een valse hoedanigheid van medewerker van de bank en in deze gesprekken die [slachtoffer 2] voor te houden dat er een geldbedrag van haar rekening is afgehaald en dat er veel fraude wordt gepleegd in de directe woonomgeving van die [slachtoffer 2] en

- bij de woning van die [slachtoffer 2] naar binnen te gaan, daarbij gebruikmakend van een valse hoedanigheid van medewerker van de bank;

zaak B, feit 2

hij op 6 mei 2022 te Beverwijk geldbedragen, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 2] (met bijhorende pincode), tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet gerechtigd was;

zaak B, feit 3

hij op 7 mei 2022 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [slachtoffer 3] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een bankpas door

- contact op te (laten) nemen met die [slachtoffer 3] , daarbij gebruikmakend van een valse hoedanigheid en

- bij de woning van die [slachtoffer 3] naar binnen te gaan

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B, feit 4

hij op 7 mei 2022 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten meerdere sieraden door:

- contact op te (laten) nemen met die [slachtoffer 4] , daarbij gebruikmakend van een valse hoedanigheid van medewerker van de bank en in deze gesprekken die [slachtoffer 4] voor te houden dat er twee zwarte mensen op straat zijn opgepakt omdat zij inbrekerswerktuigen bij zich hadden en

- bij de woning van die [slachtoffer 4] naar binnen te gaan;

zaak B, feit 5

hij op 7 mei 2022 te Beverwijk meerdere geldbedragen, die aan [slachtoffer 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 4] (met bijhorende pincode), tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet gerechtigd was;

zaak C, feit 1

hij op 8 april 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een kluis met inhoud en een contant geldbedrag (€ 350), door:

- zich onder een valse naam voor te doen als iemand van de politie en Marechaussee, en

- die [slachtoffer 5] te vertellen dat zij op de hot item list staat voor inbraken, en

- bij de woning van die [slachtoffer 5] langs te gaan en zich voor te doen als iemand van de politie, en

- bij de woning van die [slachtoffer 5] om afgifte van voornoemde spullen te vragen en planken rondom de kluis te verwijderen zodat deze gemakkelijker kan worden weggenomen, en

- met de kluis met inhoud en het contante geldbedrag de woning te verlaten;

zaak C, feit 2

hij op 8 april 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, een kluis met inhoud en een contant geldbedrag (€ 350), die aan [slachtoffer 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, het aannemen een valse hoedanigheid, en door een samenweefsel van verdichtsels door,

- zich onder een valse naam voor te doen als iemand van de Marechaussee, en

- die [slachtoffer 5] te vertellen dat zij op de hot item list staat voor inbraken, en

-

- bij de woning van die [slachtoffer 5] langs te gaan en zich voor te doen als iemand van de politie, en

- bij de woning van die [slachtoffer 5] om afgifte van voornoemde spullen te vragen en planken rondom de kluis te verwijderen zodat deze gemakkelijker kan worden weggenomen, en

- met de kluis met inhoud en het contante geldbedrag de woning te verlaten.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft zij gevorderd hieraan als bijzondere voorwaarden te verbinden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan schuldhulpverlening.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte primair verzocht een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Subsidiair heeft zij verzocht een fors lagere gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en aan diefstal. Verdachte en zijn medeverdachten bedienden zich hierbij van doortrapte babbeltrucs. Verdachte en de medeverdachten hebben slachtoffers onder meer hun bankpassen, pincodes, contant geld en sieraden afhandig gemaakt. De slachtoffers werden telkens telefonisch benaderd door een van de daders waarbij deze zich voordeed als medewerker van een bank. Aan de slachtoffers werd voorgehouden dat er iets vreemds met hun bankrekening aan de hand was en iemand gestuurd zou worden om de bankpassen en waardevolle spullen veilig te stellen. Tijdens het telefoongesprek werd de pincode ontfutseld. Slachtoffers werden ook bang gemaakt door te onder meer te zeggen dat er aanhoudingen in de buurt waren verricht en dat er wel eens ingebroken zou kunnen worden. Verdachte en de medeverdachten hebben op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zij van de slachtoffers, steeds personen op leeftijd, wisten te winnen. De slachtoffers werden vervolgens thuis opgezocht door verdachte die door de bank zou zijn gestuurd om de genoemde goederen op te halen. Met de buitgemaakte pinpassen werd vervolgens gepind. Bankhelpdeskfraude is een ernstige vorm van criminaliteit die, naast financiële schade, ook gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt. Daarbij komt dat in deze zaak mensen ook bewust nog bang zijn gemaakt en geïntimideerd in hun eigen woning. Het is extra kwalijk dat juist oudere mensen doelbewust tot slachtoffer zijn gemaakt, vanwege hun grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van de slachtoffers. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 juli 2026 blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor oplichting. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de feiten in zaak C in een proeftijd en hing hem een forse voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd van 8 maanden. Het is zeer zorgelijk dat zelfs een forse voorwaardelijke straf verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden wederom zeer ernstige, soortgelijke feiten te plegen.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 30 september 2025 en 14 juli 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat sprake is van een patroon ten aanzien van het plegen van delicten vanuit financieel motief. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan schuldhulpverlening. Er zijn problemen op het gebied van financiën, psychische gezondheid en middelengebruik. Tevens behoeft de beslisvaardigheid van verdachte en het inzicht in oorzaak en gevolg aandacht binnen een meldplicht en een behandeling. De ambivalente houding van verdachte bemoeilijkt het contact met de behandelaar en reclassering. Desondanks ziet de reclassering mede op basis van het strafblad van verdachte, zijn psychische gezondheid en jonge leeftijd meerwaarde in een behandel- en begeleidingstraject. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt als gemiddeld ingeschat. Hoewel het laatste reclasseringstoezicht positief is afgesloten, verliep de start en het eerste jaar van het toezicht moeizaam. Ook in de behandeling komt verdachte afspraken wisselend na.

Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij zijn woonplek bij Vast & Verder niet wil kwijtraken, dat hij openstaat voor begeleiding door de reclassering en zal meewerken aan de bijzondere voorwaarden.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waarbij de rechtbank ook de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging betrekt, inhoudende dat verdachte een gevangenisstraf van 8 maanden zal moeten uitzitten, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. Als bijzondere voorwaarden zullen hieraan worden verbonden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan aflossing van schulden.

Bij het bepalen van de straf is rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Het eerste verhoor van verdachte heeft plaatsgevonden op 11 februari 2023 in zaak A, op 29 juli 2025 in zaak B en op 23 juli 2025 in zaak C. Dit betekent dat de redelijke termijn in zaak A is overschreden met 1 jaar en 5 maanden. In de zaken B en C is geen sprake van termijnoverschrijding.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank overweegt dat in dit geval kan worden volstaan met een constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding is beperkt ten opzichte van de hoeveelheid gepleegde strafbare feiten en de lange periode waarin de feiten zijn gepleegd.

De rechtbank houdt rekening met de tussenliggende veroordelingen van verdachte op 21 september 2022, 22 december 2023, 12 september 2024 en 4 mei 2026. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing. De rechtbank weegt deze omstandigheid in matigende zin mee.

De rechtbank legt, alles afwegende, aan de verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Zaak B, feit 1 en feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 10.072,85,- aan vergoeding van materiële schade en € 600,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten; € 10.050,- contant geld dat is weggenomen, € 14,95 voor de aanschaf van een nieuwe Raboscanner en € 7,90 kosten voor het aanvragen van een nieuwe bankpas. In het verzoek tot schadevergoeding staat een bedrag van € 10.500,- vermeld voor het weggenomen contante geld. Op de zitting heeft de advocaat van de benadeelde partij dit bedrag gecorrigeerd naar € 10.050,-.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Zaak C, feit 1 en feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 6.506,- aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten; € 6.156,- voor de weggenomen sieraden en € 350,- voor het weggenomen contante geld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vordering van de materiële schade is onvoldoende onderbouwd en niet is aangetoond dat de sieraden waarvan de facturen zijn overgelegd van de benadeelde partij waren en in de weggenomen kluis zaten. Voor de immateriële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag moet worden gematigd naar € 600,-, gelijk aan het bedrag dat door de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zaak B, feit 1 en feit 2 is gevorderd. Verder heeft zij verzocht het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding hoofdelijk op te leggen.

De rechtsbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel kan worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 6.506,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft verklaard dat er sieraden in de weggenomen kluis zaten en facturen overgelegd van de sieraden die volgens de benadeelde partij in de kluis zaten. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen hiervan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is in haar woning onder druk gezet om geld en waardevolle goederen af te geven. Verder is de kluis is losgemaakt en meegenomen. Gelet op deze gang van zaken is aannemelijk dat de situatie voor de benadeelde partij dusdanig beangstigend is geweest dat zij ook na het voorval daarvan nog nadelige gevolgen ondervindt. Dat sprake is van nadelige gevolgen wordt bevestigd door de brief van de huisarts die bij het verzoek tot schadevergoeding is gevoegd. De huisarts vermeldt hierin dat het opvallend is dat de benadeelde partij zeer achterdochtig en sneller boos is. Sinds het incident heeft zij nachtmerries en huilbuien.

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast (dan lichamelijk letsel of geschaad in eer of goede naam). Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 700,- billijk is en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Aangezien verdachte deze feiten met een ander heeft gepleegd ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de betalingsverplichting hoofdelijk wordt opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 10 juli 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 08/109805-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 22 december 2023 van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De raadsvrouw heeft verzocht primair de proeftijd te verlengen met een jaar, subsidiair de vordering af te wijzen, zodat verdachte zich kan richten op zijn toekomst.

De rechtbank overweegt dat is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis (zaak C). De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te bevelen. Verdachte heeft immers welbewust de in zaak C bewezenverklaarde feiten gepleegd die soortgelijk zijn aan de feiten waarvoor hij op 22 december 2023 was veroordeeld.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A feit 1, zaak B feit1 en feit 4, zaak C, feit 1

telkens: medeplegen van oplichting

zaak A feit 2, zaak B feit 2 en feit 5

telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

zaak B, feit 3

medeplegen van een poging tot oplichting

zaak C, feit 2

medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse order en het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Zijlweg 148c, 2015 BJ Haarlem. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Tevens is veroordeelde verplicht zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft.

Ambulante behandeling

Veroordeelde werkt mee aan de aanmeld- en intakeprocedure bij Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Er zal in eerste instantie worden ingezet op diagnostisch onderzoek. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een aanmelding bij de Materiële Juridische Dienstverlening van Fivoor, ten behoeve van ondersteuning op het gebied van zijn financiën en zijn schuldenproblematiek. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Vordering benadeelde partij in zaak B, feit 1 en feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 10.672,85 (tienduizend zeshonderd tweeënzeventig euro en tweeëntachtig eurocent)

aan vergoeding van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 6 mei 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voornoemd bedrag bestaat voor € 10.072,85 (tienduizend tweeënzeventig euro en tweeëntachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 600,- (zeshonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten; € 10.050,- (contant geld), € 14,95 (Raboscanner) en € 7,90 (nieuwe bankpas).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 10.672,85 (tienduizend zeshonderd tweeënzeventig euro en tweeëntachtig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 6 mei 2022, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 78 (achtenzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij in zaak C, feit 1 en feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 7.206,- (zevenduizend tweehonderd zes euro) aan vergoeding van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voornoemd bedrag bestaat voor € 6.506,- (zesduizend vijfhonderd zes euro) aan vergoeding van materiële schade en € 700,- (zevenhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten; € 6.156,- (sieraden) en € 350,- (contant geld).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 7.206,- (zevenduizend tweehonderd zes euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 8 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 61 (eenenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijk veroordeling 08-109805-23

Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 22 december 2023, namelijk een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.O. Rutten en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »