Hoofdstuk 11. Voorschriften betreffende de vestiging van en het toezicht op kredietbemiddelaars en aangestelde vertegenwoordigers
Artikel 29
Toelating van kredietbemiddelaars
Kredietbemiddelaars worden door een bevoegde autoriteit in hun land van herkomst toegelaten tot het, al dan niet geheel of gedeeltelijk, verrichten van de in artikel 4, punt 5, genoemde kredietbemiddelingsactiviteiten of tot het verstrekken van adviesdiensten. Indien een lidstaat aangestelde vertegenwoordigers uit hoofde van artikel 31 toestaat, is het niet nodig dat een dergelijke aangestelde vertegenwoordiger eveneens als kredietbemiddelaar moet zijn toegelaten.
De lidstaten zorgen ervoor dat de toelating van kredietbemiddelaars wordt onderworpen aan de vervulling van de volgende professionele vereisten, in aanvulling op de vereisten voorzien in artikel 9:
de kredietbemiddelaar is tegen beroepsaansprakelijkheid verzekerd voor het gehele grondgebied waar hij diensten aanbiedt, of heeft een vergelijkbare garantie voor aansprakelijkheid wegens beroepsnalatigheid gesteld. Ten aanzien van een verbonden kredietbemiddelaar mag de lidstaat van herkomst echter bepalen dat de verzekering kan worden afgesloten of de garantie kan worden gesteld door een kredietgever voor wie de kredietbemiddelaar bevoegd is op te treden.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend tot vaststelling en wijziging van technische reguleringsnormen, waarbij het minimumbedrag van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of vergelijkbare garantie als bedoeld in de eerste alinea van dit punt, wordt bepaald. Deze technische reguleringsnormen worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
De EBA stelt een ontwerp van technische reguleringsnormen tot bepaling van het minimumbedrag van de in de eerste alinea van dit punt bedoelde beroepsaansprakelijkheidsverzekering of vergelijkbare garantie op, dat vóór 21 september 2014 aan de Commissie wordt voorgelegd. EBA herziet, en indien nodig, stelt ontwerp technische reguleringsnormen op om het minimumgeldbedrag van de in de eerste alinea bedoelde beroepsaansprakelijkheidsverzekering of vergelijkbare garantie te wijzigen, ter voorlegging aan de Commissie voor het eerst vóór 21 maart 2018 en vervolgens om de twee jaar;
een als kredietbemiddelaar gevestigde natuurlijke persoon, de leden van het bestuur van een als rechtspersoon gevestigde kredietbemiddelaar en de natuurlijke personen die gelijkwaardige taken verrichten bij een kredietbemiddelaar die een rechtspersoon zonder bestuursraad is, staan als betrouwbaar bekend. Zij beschikken ten minste over een blanco strafblad of een soortgelijk nationaal bewijs dat zij zich niet schuldig hebben gemaakt aan ernstige vermogens- of met financiële activiteiten verband houdende delicten; zij mogen niet reeds failliet zijn verklaard, tenzij zij overeenkomstig het nationale recht zijn gerehabiliteerd;
een als kredietbemiddelaar gevestigde natuurlijke persoon, de leden van het bestuur van een als rechtspersoon gevestigde kredietbemiddelaar en de natuurlijke personen die gelijkwaardige taken verrichten bij een kredietbemiddelaar die een rechtspersoon zonder bestuursraad is, beschikken over voldoende kennis en bekwaamheid ter zake van kredietovereenkomsten. Wat onder voldoende kennis en bekwaamheid wordt verstaan, wordt door de lidstaat van herkomst op grond van de in bijlage III vervatte beginselen bepaald.
De lidstaten zorgen ervoor dat de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of de personeelsleden van de kredietbemiddelaar of van de kredietgever aan de beroepsvereisten voldoen, openbaar worden gemaakt.
De lidstaten zorgen ervoor dat elke toegelaten kredietbemiddelaar, ongeacht of hij als natuurlijke of als rechtspersoon is gevestigd, wordt geregistreerd bij een bevoegde autoriteit in de lidstaat van herkomst. De lidstaten zorgen ervoor dat het register van kredietbemiddelaars en aangestelde vertegenwoordigers wordt bijgehouden en online voor het publiek beschikbaar is.
In het register van kredietbemiddelaars wordt ten minste vermeld:
wat de namen zijn van de tot de bedrijfsleiding behorende personen die voor de bemiddeling verantwoordelijk zijn. De lidstaten kunnen de registratie opleggen van alle natuurlijke personen die in een onderneming die aan kredietbemiddeling doet, een functie uitoefenen waarbij zij contact hebben met cliënten;
in welke lidstaten de kredietbemiddelaar op grond van de vrijheid van vestiging of van de vrijheid van dienstverrichting werkzaam is en waarvan de kredietbemiddelaar kennis heeft gegeven aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, overeenkomstig artikel 32, lid 3;
of de kredietbemiddelaar al dan niet verbonden is.
Lidstaten die van de in artikel 30 bedoelde mogelijkheid gebruikmaken, zorgen ervoor dat in het register vermeld wordt namens welke kredietgever de verbonden kredietbemiddelaar optreedt.
De lidstaten die van de in artikel 31 bedoelde mogelijkheid gebruikmaken, zorgen ervoor dat in het register wordt vermeld namens welke kredietbemiddelaar of, in het geval van een aangestelde vertegenwoordiger van een verbonden kredietbemiddelaar, namens welke kredietgever de aangestelde vertegenwoordiger optreedt.
De lidstaten zorgen ervoor dat:
de kredietbemiddelaar die een rechtspersoon is, zijn hoofdkantoor heeft in de lidstaat waar zijn statutaire zetel is gevestigd, indien hij volgens zijn nationale recht een statutaire zetel heeft;
de kredietbemiddelaar die geen rechtspersoon is of die een rechtspersoon is welke volgens zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, zijn hoofdkantoor heeft in de lidstaat waar hij zijn voornaamste activiteit daadwerkelijk uitoefent.
Elke lidstaat richt één informatieloket op, dat een vlotte en snelle openbare toegang tot informatie uit het nationale, elektronisch beschikbare en steeds bijgehouden register bewerkstelligt. Dit informatieloket verschaft de identificatiegegevens van de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat.
De EBA plaatst op zijn website verwijzingen of hyperlinks naar dat informatieloket.
De lidstaat van herkomst draagt er zorg voor dat de toegelaten kredietbemiddelaar en de aangestelde vertegenwoordiger steeds aan de in lid 2 gestelde vereisten voldoen. Dit lid laat het bepaalde in de artikelen 30 en 31 onverlet.
De lidstaten kunnen beslissen dit artikel niet toe te passen op personen die de in artikel 4, punt 5, vermelde kredietbemiddelingsactiviteiten incidenteel verrichten in het kader van een beroepswerkzaamheid welke onderworpen is aan wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften of aan een beroepscode op grond waarvan het verrichten van die dienst niet is uitgesloten.
Dit lid is niet van toepassing op kredietinstellingen aan welke een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, noch op andere financiële instellingen die krachtens de nationale wetgeving aan een gelijkwaardige vergunning- en toezichtregeling zijn onderworpen.
Artikel 30
Met slechts één kredietgever verbonden kredietbemiddelaar
Onverminderd artikel 31, lid 1, kunnen de lidstaten toestaan dat een verbonden kredietbemiddelaar in de zin van artikel 4, punt 7, onder a), door de bevoegde autoriteiten wordt toegelaten door de kredietgever namens welke hij uitsluitend optreedt.
De kredietgever blijft in dat geval geheel en onvoorwaardelijk aansprakelijk voor elk handelen of nalaten door de verbonden kredietbemiddelaar die namens de kredietgever in het kader van deze richtlijn optreedt. De lidstaten verplichten de kredietgever er zorg voor te dragen dat de verbonden kredietbemiddelaar ten minste aan de in artikel 29, lid 2, gestelde professionele vereisten voldoet.
Onverminderd het bepaalde in artikel 34 houdt de kredietgever toezicht op de activiteiten van de verbonden kredietbemiddelaar bedoeld in artikel 4, punt 7, onder a), teneinde ervoor te zorgen dat deze kredietbemiddelaar steeds aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. In het bijzonder dient de kredietgever erop toe te zien dat de verbonden kredietbemiddelaar en zijn personeelsleden aan de kennis- en bekwaamheidseisen voldoen.
Artikel 31
Aangestelde vertegenwoordigers
De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietbemiddelaar aangestelde vertegenwoordigers mag aanwijzen.
Indien de aangestelde vertegenwoordiger is aangesteld door een verbonden kredietbemiddelaar als omschreven in artikel 4, punt 7, onder a), blijft de kredietgever geheel en onvoorwaardelijk aansprakelijk voor elk handelen of nalaten aan de zijde van de aangestelde vertegenwoordiger die namens die verbonden kredietbemiddelaar in het kader van deze richtlijn handelt. De kredietbemiddelaar blijft in andere gevallen geheel en onvoorwaardelijk aansprakelijk voor elk handelen of nalaten door de aangestelde vertegenwoordiger die namens hem in het kader van deze richtlijn handelt.
De kredietbemiddelaars dragen er zorg voor dat de aangestelde vertegenwoordigers ten minste aan de in artikel 29, lid 2, gestelde beroepsvereisten voldoen. De lidstaat van herkomst mag evenwel bepalen dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering kan worden afgesloten of een vergelijkbare garantie kan worden gesteld door een kredietbemiddelaar namens welke de aangestelde vertegenwoordiger gemachtigd is op te treden.
Onverminderd artikel 34 houden kredietbemiddelaars toezicht op de activiteiten van hun aangestelde vertegenwoordigers om ervoor te zorgen dat zij de voorschriften van deze richtlijn volledig naleven. De kredietbemiddelaars zijn in het bijzonder verantwoordelijk voor het controleren dat de aangestelde vertegenwoordigers en hun personeelsleden aan de kennis- en bekwaamheidsvereisten voldoen.
Lidstaten die toestaan dat een kredietbemiddelaar vertegenwoordigers mag aanwijzen, stellen een openbaar register in dat ten minste de in artikel 29, lid 4, bedoelde informatie bevat. Aangestelde vertegenwoordigers worden geregistreerd in het openbaar register van de lidstaat waar zij gevestigd zijn. Het register wordt regelmatig bijgewerkt. Het kan online door het publiek worden geraadpleegd.
Artikel 32
Vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting door kredietbemiddelaars
De toelating van een kredietbemiddelaar door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, als vervat in artikel 29, lid 1, geldt voor het gehele grondgebied van de Unie, zonder dat nadere toelating door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst vereist is voor het uitvoeren van de door de toelating gedekte activiteiten en verrichting van diensten mits de activiteiten die de kredietbemiddelaar voornemens is in de lidstaten van ontvangst te verrichten, onder de toelating vallen. Het is evenwel de kredietbemiddelaar niet toegestaan diensten te verrichten met betrekking tot kredietovereenkomsten die door niet-kredietinstellingen aan consumenten worden aangeboden in een lidstaat waar dergelijke niet-kredietinstellingen niet zijn toegelaten om werkzaam te zijn.
Het is aangestelde vertegenwoordigers die zijn aangesteld in een lidstaat welke gebruikmaakt van de bij artikel 31 geboden mogelijkheid, niet toegestaan alle of een deel van de in artikel 4, punt 5, genoemde kredietbemiddelingsactiviteiten te verrichten of adviesdiensten te verlenen in lidstaten waar dergelijke aangestelde vertegenwoordigers niet zijn toegelaten om werkzaam te zijn.
Een toegelaten kredietbemiddelaar die voornemens is voor het eerst in een of meer lidstaten zijn bedrijf uit te oefenen in het kader van vrije dienstverrichting, of die een bijkantoor opricht, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst op de hoogte.
Binnen een maand nadat deze bevoegde autoriteiten op de hoogte zijn gesteld, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis van het voornemen van de kredietbemiddelaar en brengen zij tegelijkertijd de kredietbemiddelaar van deze kennisgeving op de hoogte. Zij melden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of de lidstaten van ontvangst met welke kredietgevers de kredietbemiddelaar verbonden is, en of de kredietgevers geheel en onvoorwaardelijk aansprakelijk zijn voor de activiteiten van de kredietbemiddelaar. De lidstaat van ontvangst maakt gebruik van de van de lidstaat van herkomst ontvangen gegevens om de nodige informatie in te voeren.
De kredietbemiddelaar kan zijn werkzaamheden aanvangen een maand nadat hij van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst heeft vernomen dat zij de in de tweede alinea bedoelde kennisgeving hebben gedaan.
Voordat het bijkantoor van de kredietbemiddelaar zijn werkzaamheden aanvangt of binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 3, tweede alinea, bedoelde kennisgeving, treffen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst voorbereidingen voor het toezicht op de kredietbemiddelaar overeenkomstig artikel 34, en delen zij de kredietbemiddelaar indien nodig mee onder welke voorwaarden die werkzaamheden, op gebieden die niet onder het Unierecht zijn geharmoniseerd, in de lidstaat van ontvangst mogen worden verricht.
Artikel 33
Intrekking van de toelating van kredietbemiddelaars
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst kan de overeenkomstig artikel 29 verleende toelating intrekken indien een dergelijke kredietbemiddelaar:
uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik te zullen maken van de toelating of gedurende de voorafgaande zes maanden geen kredietbemiddelingsactiviteiten heeft uitgeoefend in de zin van artikel 4, punt 5, noch bemiddelingsdiensten heeft verleend, tenzij de betrokken lidstaat voorschrijft dat in die gevallen de toelating vervalt;
de toelating heeft verkregen door middel van onjuiste of misleidende verklaringen of door middel van elk ander onrechtmatig middel;
niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de toelating is verleend;
in een van de gevallen verkeert waarin de nationale wetgeving voor gevallen die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, intrekking voorschrijft;
de overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde voorschriften betreffende de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening door kredietbemiddelaars op grove of systematische wijze heeft geschonden.
Indien de toelating van een kredietbemiddelaar door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst wordt ingetrokken, stelt die lidstaat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen op passende wijze in kennis.
De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietbemiddelaar waarvan de toelating is ingetrokken, onverwijld uit het register wordt geschrapt.
Artikel 34
Toezicht op de kredietbemiddelaar en de aangestelde vertegenwoordiger
De lidstaten zorgen ervoor dat de activiteiten van de kredietbemiddelaar onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst staan.
De lidstaten van herkomst zorgen ervoor dat de verbonden kredietbemiddelaar aan toezicht is onderworpen, hetzij rechtstreeks, hetzij in het kader van het toezicht op de kredietgever namens welke hij optreedt, indien de kredietgever een kredietinstelling is die in het bezit is van een vergunning in de zin van Richtlijn 2013/36/EU, of een andere financiële instelling die krachtens nationale wetgeving aan een gelijkwaardige vergunning- en toezichtregeling is onderworpen. Indien de verbonden kredietbemiddelaar echter diensten in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst verricht, staat hij rechtstreeks onder toezicht.
De lidstaat van herkomst die de kredietbemiddelaar toestaat om in overeenstemming met artikel 31 vertegenwoordigers aan te wijzen, zorgt ervoor dat de aangestelde vertegenwoordigers onder toezicht staan, hetzij rechtstreeks, hetzij in het kader van het toezicht op de kredietbemiddelaar namens welke hij optreedt.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de kredietbemiddelaar een bijkantoor heeft, zien erop toe dat de door de kredietbemiddelaar op hun grondgebied verrichte diensten voldoen aan de vereisten van artikel 7, lid 1, en van de artikelen 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 20, 22 en 39, alsmede van de op grond daarvan vastgestelde maatregelen.
Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst constateren dat een kredietbemiddelaar met bijkantoor op hun grondgebied de in die lidstaat op grond van artikel 7, lid 1, en van de artikelen 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 20, 22 en 39 vastgestelde maatregelen overtreedt, eisen dat de kredietbemiddelaar een einde maakt aan de onrechtmatige situatie.
Indien de betrokken kredietbemiddelaar hieraan geen gevolg geeft, ondernemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst alle nodige acties om ervoor te zorgen dat de kredietbemiddelaar een einde maakt aan de onregelmatigheid. Van de aard van die actie wordt mededeling gedaan aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.
Indien de kredietbemiddelaar, in weerwil van de door de lidstaat van ontvangst ondernomen actie, de in de eerste alinea bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen, blijft overtreden, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende acties ondernemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen; zo nodig kan hij de kredietbemiddelaar beletten op zijn grondgebied nieuwe transacties te verrichten. De Commissie wordt onverwijld van dergelijke acties op de hoogte gesteld.
Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst dergelijke acties van de lidstaat van ontvangst niet aanvaardt, kan zij overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak verwijzen naar de EBA en haar om assistentie verzoeken. In dat geval kan de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel verleende bevoegdheden.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, kunnen de op het bijkantoor van toepassing zijnde regeling aan een onderzoek onderwerpen en zodanige wijzigingen verlangen als strikt noodzakelijk om aan de in lid 2 bedoelde verplichtingen te voldoen en om de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in staat te stellen de in artikel 7, leden 2, 3 en 4, bepaalde verplichtingen en ook de dienovereenkomstig vastgestelde maatregelen met betrekking tot de door het bijkantoor verrichte diensten te handhaven.
Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst duidelijke en aantoonbare redenen heeft om te concluderen dat een in die lidstaat op grond van de vrije dienstverrichting werkzame kredietbemiddelaar handelt in strijd met de verplichtingen die uit de krachtens deze richtlijn vastgestelde maatregelen voortvloeien, of dat een kredietbemiddelaar met bijkantoor op haar grondgebied handelt in strijd met andere dan de in lid 2 genoemde verplichtingen die uit de krachtens deze richtlijn vastgestelde maatregelen voortvloeien, brengt zij haar bevindingen ter kennis van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst die de nodige acties onderneemt.
Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst niet binnen één maand na ontvangst van de bevindingen acties onderneemt of indien, in weerwil van de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst ondernomen acties, een kredietbemiddelaar blijft handelen op een wijze die duidelijk afbreuk doet aan het belang van de consument in de lidstaat van ontvangst of aan het behoorlijk functioneren van de markt:
treft de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, de nodige acties om de consument te beschermen en de markt behoorlijk te laten functioneren, waaronder door de kredietbemiddelaar te beletten nieuwe transacties op haar grondgebied te verrichten. De Commissie en de EBA worden onverwijld van deze acties op de hoogte gesteld;
kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak naar de EBA verwijzen en haar om assistentie verzoeken. In dat geval kan de EBA handelen overeenkomstig de haar bij dat artikel verleende bevoegdheden.
Lidstaten dragen ervoor zorg dat in gevallen, waarin een in een andere lidstaat toegelaten kredietbemiddelaar een bijkantoor opricht op zijn grondgebied, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden en na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis te hebben gesteld, in het bijkantoor ter plaatse inspecties kunnen verrichten.
De bij dit artikel vastgestelde taakverdeling tussen de lidstaten laat de bevoegdheden die de lidstaten op gebieden welke niet onder deze richtlijn vallen, onverlet overeenkomstig hun verplichtingen onder het Unierecht.