Art. 7:971 Burgerlijk Wetboek Boek 7
Lid 1
Bij het vestigen van een pandrecht op uit een sommenverzekering voortvloeiende rechten mist artikel 239 van Boek 3 toepassing.
Lid 2
Indien het pandrecht rust op een recht op uitkering, treedt voor de toepassing van de artikelen 246 en 253 van Boek 3 en artikel 490b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de hoofdgerechtigde voor de pandgever in de plaats. Heeft een als hoofdgerechtigde aangewezen derde zijn aanwijzing nog niet aanvaard, dan stelt de pandhouder de derde daartoe in de gelegenheid.
Lid 3
In afwijking van lid 2 kan de pandhouder een overschot als bedoeld in artikel 253 lid 1, tweede zin, van Boek 3 ook afdragen aan de verzekeraar. De verzekeraar is het bedrag verschuldigd aan de hoofdgerechtigde.
Recente uitspraken
Art. 7:971 BW is sinds 2022 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam en Rb. Midden-Nederland.
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1565 — 24-05-2022 Hof Amsterdam
Tussenarrest. Onrechtmatige daad bank. Inhouding uitkering uit levensverzekering met beroep op een niet-gevestigd pandrecht. Hof wil verduidelijking over de gestelde schade. - ECLI:NL:RBMNE:2024:7514 — 31-12-2024 Rb. Midden-Nederland
Dit geschil gaat over de vraag of de verzekeraar mocht toelaten dat verzekeringnemer, de ex-partner van gedaagde, fondswisselingen van zijn levensverzekering deed terwijl er een maritaal derdenbeslag op de verzekering lag. De waarde van de levensverzekering is gedaald en daarom…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.