Art. 6:175 Burgerlijk Wetboek Boek 6
Lid 1
Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Onder degene die een bedrijf uitoefent, wordt mede begrepen elke rechtspersoon die de stof in de uitoefening van zijn taak gebruikt of onder zich heeft. Als bijzonder gevaar van ernstige aard geldt in elk geval dat de stof ontplofbaar, oxyderend, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, dan wel vergiftig of zeer vergiftig is indien de stof als zodanig is ingedeeld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en titel II van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353).
Lid 2
Bevindt de stof zich in de macht van een bewaarder die er zijn bedrijf van maakt zodanige stoffen te bewaren, dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste lid op deze. Met een zodanige bewaarder wordt gelijkgesteld de vervoerder, expediteur, stuwadoor, bewaarder of soortgelijke ondernemer, die de stof ten vervoer of uit hoofde van een met het vervoer samenhangende overeenkomst in ontvangst heeft genomen, zulks voor de periode waarin de stof zich in zijn macht bevindt zonder dat afdeling 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1 van titel 14 of 4 van titel 19 van Boek 8 van toepassing is.
Lid 3
Bevindt de stof zich in een leiding, dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste lid op de leidingbeheerder, behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dit gebouw of werk.
Lid 4
Is de schade een gevolg van verontreiniging met de stof van lucht, water of bodem, dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste lid op degene die bij de aanvang van de tot verontreiniging leidende gebeurtenis door dit artikel als aansprakelijke persoon werd aangewezen. Heeft de verontreiniging plaatsgevonden doordat de stof in verpakte toestand in water of bodem is gekomen of op de bodem is achtergelaten, dan wordt die gebeurtenis geacht op dit tijdstip reeds te zijn aangevangen.
Lid 5
Vormt de stof, al of niet tezamen met andere bestanddelen, een roerende zaak als bedoeld in artikel 173 lid 1, is zij in een zodanige zaak verpakt of is zij opgeslagen in een daartoe bestemd gebouw of werk als bedoeld in artikel 174, vierde lid, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173 en 174, voor wat betreft de schade die door verwezenlijking van het aan de stof verbonden gevaar is veroorzaakt, op dezelfde persoon als op wie krachtens de voorgaande leden aansprakelijkheid ter zake van de stof rust.
Lid 6
Een stof wordt geacht aan de omschrijving van de eerste zin van het eerste lid te voldoen, wanneer zij bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen. Een stof kan in elk geval worden aangewezen als zij is ingedeeld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 en titel II van verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU L 353). De aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren die aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin te omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt.
Recente uitspraken
Art. 6:175 BW is sinds 2003 in 51 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Rotterdam, Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof Arnhem.
- ECLI:NL:HR:2019:1278 — 19-07-2019 Hoge Raad
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Aardbevingsschade in Groningen. Gronden voor aansprakelijkheid. Verband tussen aansprakelijkheidsgrond en omvang schadevergoedingsverplichting (art. 6:177 BW; art. 6:162 BW; art. 6:98 BW). Exploitant als bedoeld in art. 6:177 lid 2 BW.… - ECLI:NL:HR:2011:BR5216 — 02-12-2011 Hoge Raad
Asbest. Aansprakelijkheid voor in verkeer brengen van asbestplaten. Verjaringstermijn. Vrijkomen asbeststof bij verzagen asbestplaten geen luchtverontreiniging in de zin van art. 3:310 lid 2 BW. Deze bepaling in onderhavig geval toch toepasselijk nu asbest bijzonder gevaar van… - ECLI:NL:HR:2011:BP0567 — 29-04-2011 Hoge Raad
Onrechtmatige daad; aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen. De in art. 6:175 lid 2 BW bewerkstelligde verlegging van de risicoaansprakelijkheid van de gebruiker naar de bewaarder staat niet eraan in de weg dat gebruiker wegens een in zijn eigen onrechtmatig handelen of nalaten… - ECLI:NL:GHSHE:2024:754 — 12-03-2024 Hof 's-Hertogenbosch
30 eisers stellen Nedtrain aansprakelijk voor gezondheidsschade wegens blootstelling aan chroom-6 tijdens werkzaamheden aan treinen in het kader van het project tROM in Tilburg. De vorderingen worden integraal afgewezen omdat niet is voldaan aan de stelplicht. Geïntimeerden… - ECLI:NL:GHDHA:2021:1547 — 17-08-2021 Hof Den Haag
risicoaansprakelijkheid gevaarlijke stoffen, oorzaak brand door ontvlammen van benzine(damp) voorshands bewezen, automonteur heeft de benzine in een ter reparatie aangeboden auto onder zich in de zin van artikel 6:175 BW.
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.