Art. 1:253d Burgerlijk Wetboek Boek 1
Lid 1
Indien de voorziening in het gezag over een kind, bedoeld in artikel 253b, eerste lid, komt te ontbreken, kunnen beide ouders voor zover zij tot het gezag bevoegd zijn – de rechtbank verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag te worden belast.
Lid 2
Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
Lid 3
Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het meeste in het belang van het kind oordeelt.
Lid 4
Indien, voordat over het verzoek van één ouder is beslist, de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
Recente uitspraken
Art. 1:253d BW is sinds 2018 in 2 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Den Haag en Rb. Oost-Brabant.
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4322 — 11-02-2026 Rb. Oost-Brabant
Op verzoek van de raad voor de kinderbescherming belast de rechtbank een moeder van 18 jaar met het gezag over haar kind. De rechtbank overweegt dat de raad bevoegd is om een dergelijk verzoek te doen op grond van artikel 1:241 BW. Uit artikel 1:253b BW, tweede lid, volgt niet… - ECLI:NL:RBDHA:2018:1974 — 16-02-2018 Rb. Den Haag
Voorlopige voorzieningen, gezag, IPR
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.