Hoofdstuk 6. Gebruik van bouwwerken
Artikel 6.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruik van bouwwerken.
Artikel 6.2
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van de brandveiligheid;
het beschermen van de gezondheid tegen schadelijke concentraties asbestvezels en formaldehyde; en
duurzaamheid, wat betreft:
de beschikbaarheid en kenbaarheid van het energielabel en de uitvoering van daaraan verbonden aanbevelingen; en
de keuring van airconditioningsystemen en stooktoestellen.
Artikel 6.3
Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk gebruikt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 6.4
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat:
brandgevaar wordt veroorzaakt;
bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt;
de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd;
het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd;
het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd; en
er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt.
Artikel 6.5
Lid 1
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 6.2 en artikel 6.4, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.
Lid 2
Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand.
Lid 3
Een maatwerkvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk gebruikt kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 6.2, onder a, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.
Lid 4
Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gesteld na een gebruiksmelding.
Lid 5
Een maatwerkvoorschrift over afdeling 6.2 kan alleen worden gewijzigd:
als een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, die bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maken; of
op verzoek van degene die de activiteit verricht.
Artikel 6.5a
Bij ministeriële regeling kunnen uitvoeringstechnische, administratieve en meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten waarop dit besluit van toepassing is, voor zover die regels zijn gesteld op grond van artikel 23.1 van de wet.
Artikel 6.6
De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.6 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.
Tabel 6.6gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
gebruiksmelding
gegevens en bescheiden
bij gebruiksmelding
gegevens en bescheiden na
gebruiksmelding
maatwerkregels gebruiksmelding
aanwezigheid
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
*
*
2
[personen]
1
Woonfunctie
a
voor kamergewijze verhuur
1
–
–
–
5
1
2
3
*
–
–
b
voor zorg
1
–
–
–
5
1
2
3
*
–
–
c
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderen jonger dan 12 jaar
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
10
b
voor personen met een fysieke of geestelijke beperking
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
10
c
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
5
1
2
3
*
–
50
3
Celfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
*
10
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
–
–
5
1
2
3
*
*
10
c
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
*
50
5
Industriefunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
150
6
Kantoorfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
150
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
–
–
5
1
2
3
*
*
10
b
andere logiesfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
50
8
Onderwijsfunctie
a
voor basisonderwijs
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
10
b
andere onderwijsfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
50
9
Sportfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
50
10
Winkelfunctie
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
50
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
1
2
3
4
5
1
2
3
*
–
50
b
voor het personenvervoer
1
2
–
4
5
1
2
3
*
–
50
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
voor het wegverkeer
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
–
–
5
1
2
3
*
–
50
Artikel 6.7
Lid 1
Het is verboden een bouwwerk te gebruiken zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden.
Lid 2
Het eerste lid is alleen van toepassing, als in het bouwwerk meer personen aanwezig zijn dan in tabel 6.6 is aangegeven.
Lid 3
Bij een nevengebruiksfunctie van een kantoor- of industriefunctie geldt in afwijking van tabel 6.6 een waarde van 150 personen.
Lid 4
Bij het bepalen van het in het tweede lid bedoelde aantal personen worden personen in een in artikel 4.79 bedoelde niet-besloten ruimte buiten beschouwing gelaten.
Lid 5
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bouwwerk ook verstaan een gedeelte daarvan dat is bestemd om afzonderlijk te worden gebruikt.
Artikel 6.8
Lid 1
Een gebruiksmelding wordt ondertekend en bevat de volgende gegevens en bescheiden:
de naam en het adres van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 6.1, verricht, en, als dat van toepassing is, van degene die is gemachtigd om te melden;
de dagtekening;
het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het bouwwerk; en
een situatieschets met noordpijl met een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000, en per bouwlaag een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner is dan 1:100 bij een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 10.000 m2 en niet kleiner dan 1:200 bij een grotere bruto-vloeroppervlakte. Op de plattegrondtekening of een bijlage daarvan is aangegeven:
schaalaanduiding;
per bouwlaag: hoogte van de vloer boven meetniveau, gebruiksoppervlakte, maximaal aantal personen;
per ruimte:
vloeroppervlakte;
gebruiksfunctie;
bij ruimten voor meer dan 25 personen, de hoogste bezetting van die ruimte; en
opstelling van inventaris en van inrichtingselementen als bedoeld in dit besluit;
met aanduidingen van de plaats van, voor zover deze aanwezig zijn:
brand- en/of rookwerende scheidingsconstructies;
vluchtroutes;
draairichting van deuren als bedoeld in artikel 3.121;
zelfsluitende deuren als bedoeld in artikel 3.123;
sluitwerk van deuren als bedoeld in de artikelen 3.122 en 6.21;
vluchtroute-aanduidingen;
noodverlichting;
oriëntatieverlichting als bedoeld in artikel 3.103;
brandmeldcentrale en brandmeldpaneel;
brandslanghaspels;
mobiele brandblusapparaten;
droge blusleidingen;
brandweeringang;
sleutelkluis of -buis; en
brandweerlift;
de aard en de plaats van de brandveiligheidsinstallaties. De aanduidingen zijn conform NEN 1413 voor zover deze norm daarin voorziet; en
bij toepassing van een gelijkwaardige maatregel bij de regels van afdeling 6.2 en paragraaf 6.5.1: gegevens en bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid aannemelijk wordt gemaakt.
Lid 2
Bij een gebruiksmelding voor tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door degene die de activiteit, bedoeld in artikel 6.1, verricht, aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een kalenderjaar het gebruik is beoogd.
Lid 3
Een gebruiksmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
Artikel 6.9
Als door het veranderen van het bouwwerk waarvoor eerder een gebruiksmelding is gedaan een afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en bescheiden, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden ten minste vier weken voor die verandering verstrekt.
Artikel 6.10
Een maatwerkregel kan worden gesteld over artikel 6.7. Met deze maatwerkregel kan alleen worden afgeweken van het in tabel 6.6 aangegeven aantal personen voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie en de logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw.
Artikel 6.11
De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.11 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.
Tabel 6.11gebruiksfunctie
leden van toepassing
verbod op roken en open vuur
vastzetten zelfsluitend constructieonderdeel
aankleding
brandveiligheid
inrichtingselementen
vluchtroute woongebouw
brandveilig gebruik grote
brandcompartimenten
behandeling constructieonderdeel
overgangsrecht: aankleding
artikel
6.15a
lid
1
2
*
1
2
3
4
5
1
2
3
1
2
3
*
*
*
1
Woonfunctie
1
–
*
1
2
–
4
5
1
2
3
1
2
3
*
*
–
2
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie voor het houden van dieren
1
2
*
–
–
3
4
–
1
2
–
–
–
–
*
*
*
b
andere industriefunctie
1
2
*
1
2
–
4
–
1
2
–
–
–
–
*
*
–
3
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
*
1
2
–
4
–
1
2
–
–
–
–
*
*
–
b
andere logiesfunctie
1
2
*
1
2
–
4
5
1
2
3
–
–
–
*
*
–
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
1
2
*
1
2
–
4
–
1
2
–
–
–
–
*
*
–
Artikel 6.12
Lid 1
Het is verboden te roken of open vuur te hebben:
in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof;
bij het verrichten van een handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken; en
bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.
Lid 2
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt goed zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een gestandaardiseerd symbool als bedoeld in NEN 3011.
Artikel 6.13
Een zelfsluitend constructieonderdeel als bedoeld in de artikelen 3.123, eerste lid, en 4.218, eerste lid, mag niet in geopende stand zijn vastgezet tenzij het constructieonderdeel bij brand en bij rook door brand automatisch wordt losgelaten.
Artikel 6.14
Lid 1
Aankleding in een besloten ruimte mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:
een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
voldoet aan brandklasse A1 bedoeld in NEN-EN 13501-1;
voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.2.7; of
een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.
Lid 2
Bij een besloten ruimte voor het verblijven of vluchten van meer dan 50 personen, of voor een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute of een beschermde route voert, is het eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, als de aankleding:
zich bevindt boven een gedeelte van de vloer waar zich personen kunnen bevinden;
de verticale vrije ruimte tussen de vloer en de aankleding minder dan 2,5 m is; en
niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht.
Lid 3
Aankleding in een besloten ruimte die niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan is aangebracht mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is in ieder geval niet aanwezig als de aankleding:
een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert;
onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1; of
voldoet aan de eisen voor constructieonderdelen, bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.2.7.
Lid 4
Aankleding ter plaatse van of nabij apparatuur en installaties die warmte ontwikkelen voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1, of is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:
op de aankleding een intensiteit van de warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of
in de aankleding een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
Lid 5
Het eerste, tweede en vierde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 6.15
Lid 1
In een voor publiek toegankelijke ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en daarmee vergelijkbare inrichtingselementen zijn brandveilig.
Lid 2
Aan het in het eerste lid gestelde is in ieder geval voldaan als een naar de lucht gekeerd onderdeel van het inrichtingselement:
onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064;
voldoet aan brandklasse A1, bedoeld in NEN-EN 13501-1;
een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan brandklasse D, bedoeld in NEN-EN 13501-1;
een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4, bedoeld in NEN 6065; of
een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel als bedoeld onder c of d.
Lid 3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 6.15a
Lid 1
In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen brandgevaarlijke objecten aanwezig. Onder brandgevaarlijke objecten worden in ieder geval verstaan:
meubilair;
fietsen en scootmobielen;
afvalstoffen en kratten; en
decoratie.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a en d, is meubilair en decoratie toegestaan als het:
van metaal, steenachtig materiaal of glas is;
materiaal dat onbrandbaar is volgens NEN 6064; of
materiaal dat voldoet aan brandklasse A1 als bedoeld in NEN-EN 13501-1.
Lid 3
Het is eerste lid is niet van toepassing op:
objecten voor bewegwijzering en informatie aan de bewoners;
een foto, een schilderij of een andere afbeelding met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning; en
een deurmat met een oppervlakte van ten hoogste 0,5 m2 bij de toegang van een woning.
Artikel 6.16
Als bij de toepassing van artikel 4.51, eerste lid, gebruik is gemaakt van de bepalingsmethoden van NEN 6060 of NEN 6079 wordt bij het gebruik van het bouwwerk rekening gehouden met de gebruiksvoorwaarden in die normbladen.
Artikel 6.17
Een constructieonderdeel waarvoor op grond van dit besluit een eis aan de sterkte bij brand of brand, brandvoortplanting, rookdichtheid, brandklasse of rookklasse geldt waaraan het constructieonderdeel alleen met een aanvullende behandeling kan blijven voldoen, wordt op adequate wijze onderhouden.
Artikel 6.18
Op aankleding die voor 1 april 2014 is aangebracht in een besloten ruimte van een lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren, maar niet rechtstreeks op de vloer, trap of hellingbaan, is artikel 7.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 van toepassing zoals dit luidde voor 1 april 2014.
Artikel 6.19
De regels in deze paragraaf zijn op een gebruiksfunctie van toepassing voor zover deze in tabel 6.19 voor die gebruiksfunctie zijn aangewezen.
Tabel 6.19gebruiksfunctie
leden van toepassing
ontruiming bij brand
deuren in vluchtroutes
opstelling zitplaatsen en verdere
inrichting
gangpaden
vluchtroute woongebouw
beperking van gevaar voor letsel
artikel
6.23a
lid
1
2
3
4
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
1
2
*
1
2
3
4
5
1
Woonfunctie
a.
voor zorg
1
2
3
–
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
1
2
3
4
–
b.
andere woonfunctie
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
1
2
3
4
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
3
Celfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
5
Industriefunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
6
Kantoorfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
7
Logiesfunctie
a.
in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking
1
–
3
4
1
2
–
4
–
–
–
–
–
–
1
2
–
1
2
3
–
5
b.
in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking
1
–
3
–
1
2
–
4
–
–
–
–
–
–
1
2
–
1
2
3
–
5
c.
andere logiesfunctie
1
–
–
–
1
2
–
4
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
a.
voor het basisonderwijs
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
b.
andere onderwijsfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
9
Sportfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
10
Winkelfunctie
1
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
3
–
1
2
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a.
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
1
–
–
–
5
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b.
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
1
–
–
–
–
1
2
3
4
5
1
2
–
1
2
3
–
–
Artikel 6.20
Lid 1
In een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 en in een bouwwerk waarvoor een gebruiksmelding als bedoeld in artikel 6.7 is gedaan, zijn voldoende personen aangewezen om de ontruiming bij brand voldoende snel te laten verlopen.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op een woonfunctie voor zorg met zorg op afspraak of met zorg op afroep.
Lid 3
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115 heeft een ontruimingsplan.
Lid 4
In een logiesfunctie met 24-uursbewaking is 24 uur per dag een functionaris aanwezig op het eigen perceel of op een loopafstand van ten hoogste 100 m vanaf een toegang van het logiesgebouw.
Artikel 6.21
Lid 1
Een deur op een vluchtroute is bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk alleen gesloten als die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een sleutel, onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden geopend.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen als bedoeld in de artikelen 3.122, derde lid, en 4.217, derde lid, tijdens het vluchten met een sleutel over de ten minste vereiste breedte worden geopend, mits de inrichting, het gebruik en de organisatie zodanig zijn dat het in artikel 6.2 beoogde brandveiligheidsniveau is gewaarborgd.
Lid 3
Het eerste lid geldt niet voor een niet-gemeenschappelijke vluchtroute.
Lid 4
Het eerste lid geldt niet voor een vluchtroute in een logiesverblijf.
Lid 5
In afwijking van het eerste lid kan een deur op een vluchtroute in een tunnel worden ontgrendeld met een automatische ontgrendeling.
Artikel 6.22
Lid 1
De inrichting van een ruimte is zodanig dat:
voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang; en
voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is als inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
Lid 2
In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.
Lid 3
Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Als in de rij tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte.
Lid 4
Een rij zitplaatsen die alleen aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan 8 zitplaatsen.
Lid 5
Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
16 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
32 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is; of
50 zitplaatsen als de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.
Artikel 6.23
Lid 1
Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.
Lid 2
Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
Artikel 6.23a
In een gemeenschappelijk verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert zijn geen objecten aanwezig die het vluchten belemmeren. Onder objecten die het vluchten belemmeren worden in ieder geval verstaan objecten waardoor de bouwkundige vrije breedte van de verkeersruimte wordt ingeperkt, tenzij er ten minste een beschikbare breedte van 0,85 m overblijft.
Artikel 6.24
Lid 1
Tegen of onder het plafond aangebracht glas is veiligheidsglas of glas voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m.
Lid 2
Textiel, folie of papier in horizontale toepassing is onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
Lid 3
Aankleding in een besloten ruimte mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een vloer bestemd voor gebruik door personen.
Lid 4
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor een niet-gemeenschappelijke ruimte.
Lid 5
Het eerste tot en met derde lid gelden niet in een logiesverblijf.
Artikel 6.25
De concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 2.000 vezels/m3, bepaald volgens NEN 2991.
Artikel 6.26
De concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een voor personen toegankelijke ruimte van een bouwwerk is niet groter dan 120 μg/m3, bepaald volgens NEN-EN-ISO 16000-2.
Artikel 6.27
Lid 1
Bij oplevering van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de verkoper van dat gebouw of gedeelte daarvan een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid zorgt de eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, voor de aanwezigheid van een geldig energielabel bij oplevering als dat gebouw of gedeelte is gebouwd in opdrachtgeverschap waarbij die eigenaar de volledige zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor de bouw.
Lid 3
Bij de verhuur van een gebouw of gedeelte daarvan stelt de eigenaar een afschrift van een geldig energielabel voor dat gebouw of gedeelte daarvan beschikbaar aan de nieuwe huurder.
Lid 4
Bij de verkoop van een gebouw of gedeelte daarvan, of van een deelnemings- of lidmaatschapsrecht dat recht geeft op het gebruik van dat gebouw of gedeelte, stelt de eigenaar een geldig energielabel beschikbaar aan de koper.
Lid 5
De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, heeft een geldig energielabel voor dat gebouw.
Artikel 6.28
Artikel 6.27 is niet van toepassing op:
een gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor geen energie wordt gebruikt om het binnenklimaat te regelen;
een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument;
een gebouw of gedeelte daarvan, dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten;
een industriefunctie;
een gebouw of gedeelte daarvan, dat ten hoogste twee jaar wordt gebruikt;
een gebouw of gedeelte daarvan, met een woonfunctie of logiesfunctie, dat minder dan vier maanden per jaar wordt gebruikt, en een verwacht energieverbruik heeft van minder dan 25% van het energieverbruik bij permanent gebruik;
een alleenstaand gebouw met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2; en
een gebouw of gedeelte daarvan, dat bij minnelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Onteigeningswet wordt verkregen en voor de uitvoering van het werk waarmee die verkrijging verband houdt zal worden gesloopt.
Artikel 6.29
Lid 1
Een energielabel bevat:
het resultaat van de berekening van de energieprestatie;
referentiewaarden waarmee de energieprestatie kan worden vergeleken en beoordeeld; en
aanbevelingen voor een kostenoptimale of kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie, tenzij er voor een dergelijke verbetering geen redelijk potentieel is ten opzichte van de geldende energieprestatie-eisen.
Lid 2
Deze aanbevelingen zijn technisch haalbaar voor het gebouw of gedeelte daarvan, waarvoor het energielabel is afgegeven en kunnen een raming bieden van de terugverdientijden of kostenvoordelen gedurende de economische levensduur. De aanbevelingen omvatten in ieder geval maatregelen over de ingrijpende renovatie van de bouwschil of technische bouwsystemen en maatregelen voor individuele onderdelen van dat gebouw of gedeelte zonder dat sprake is van een ingrijpende renovatie, en een vindplaats voor extra informatie.
Lid 3
Een energielabel bevat tenminste een numerieke energieprestatie-indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/m2.jr en een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie.
Lid 4
Een energielabel is tien jaar geldig gerekend vanaf de datum van opname van de gegevens voor de afgifte ervan.
Artikel 6.30
Lid 1
Degene die een gebouw of gedeelte daarvan te koop of te huur aanbiedt door middel van advertenties in commerciële media, vermeldt in die advertenties de energieprestatie-indicator van een geldig energielabel, bedoeld in artikel 6.29, derde lid, dat is afgegeven voor dat gebouw of het gedeelte daarvan, met uitzondering van gebouwen of gedeeltes daarvan waarop artikel 6.27 niet van toepassing is.
Lid 2
De eigenaar van een gebouw of gedeelte daarvan brengt het energielabel aan op een voor het publiek duidelijk zichtbare plaats in dat gebouw of gedeelte, als:
een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstantie en dat gebouw of gedeelte veelvuldig door het publiek wordt bezocht; of
voor dat gebouw of gedeelte een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 is afgegeven, het een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 heeft en veelvuldig door het publiek wordt bezocht.
Artikel 6.31
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2022/172.
Artikel 6.32
Lid 1
In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Lid 2
Een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
Lid 3
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.33
Lid 1
In de in bijlage II bedoelde gevallen heeft een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Lid 2
Een krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie wordt op adequate wijze beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
Lid 3
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van drie jaar. Als op grond van artikel 3.115 doormelding is verplicht, is de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.34
Een krachtens de wet voorgeschreven droge blusleiding en pompinstallatie worden eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594.
Artikel 6.35
Lid 1
Een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van dat blustoestel wordt gecontroleerd.
Lid 2
Een krachtens de wet voorgeschreven brandslanghaspel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze onderhouden, waarbij ook de goede werking van die brandslanghaspel wordt gecontroleerd.
Artikel 6.36
Lid 1
Een krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Lid 2
Een krachtens de wet voorgeschreven rookbeheersingsinstallatie is voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Lid 3
Een inspectiecertificaat heeft een geldigheidsduur van een jaar.
Artikel 6.37
Lid 1
De toegankelijke delen van een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditionings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW worden ten minste eenmaal per vijf jaar gekeurd.
Lid 2
De keuring:
bevat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van het airconditioningsysteem, gelet op de koelingsbehoeften van het gebouw; en
houdt rekening met het vermogen van het airconditioningsysteem of het gecombineerd airconditioning – en ventilatiesysteem om de prestaties onder typische of gemiddelde werkingsomstandigheden te optimaliseren.
Lid 3
De beoordeling van de dimensionering van het airconditioningsysteem kan achterwege blijven als er sinds de laatste keuring geen wijziging heeft plaatsgevonden van het airconditioningsysteem, het gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem of de koelingsbehoeften van het gebouw.
Lid 4
De keuring wordt op onafhankelijke wijze uitgevoerd door een gekwalificeerde deskundige, waarbij wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde regels over de kwaliteitseisen waar de keuring en de deskundige aan moeten voldoen.
Lid 5
Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring evenals aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde airconditioningsysteem of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesysteem bevat.
Lid 6
Dit artikel is niet van toepassing op:
een airconditioningsysteem of een gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem:
dat valt onder een overeengekomen energieprestatiecriterium of een contractuele regeling waarin een overeengekomen niveau van energie-efficiëntieverbetering is vermeld; of
dat wordt beheerd door een leverancier als bedoeld in de artikelen 1.1 van de Energiewet en 1, eerste lid, van de Warmtewet, een distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;
mits met de aanpak onder 1° of 2° hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de keuring, bedoeld in het eerste en tweede lid; of
een airconditioningsysteem in een gebouw met een systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 3.146.
Artikel 6.37a
Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de begripsomschrijvingen, bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing op de begrippen «stookinstallatie», «afgas», «dieselmotor», «gasmotor», «gasturbine», «aardgas», «rie-biomassa», «vergistingsgas», en «emissiegrenswaarde».
Artikel 6.38
Lid 1
Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van:
20 kW tot ten hoogste 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid; en
meer dan 100 kW, wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Lid 2
Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 100 kW wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Lid 3
Een keuring wordt voor de eerste keer uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname.
Lid 4
Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een stookinstallatie die onderdeel is van een technisch bouwsysteem.
Lid 5
Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op een niet-gemeenschappelijk stooktoestel met een nominaal vermogen van ten hoogste 100 kW van een woonfunctie.
Artikel 6.39
Lid 1
Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 omvat:
de afstelling voor de verbranding;
het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht;
de afvoer van verbrandingsgassen; en
voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW de meting van het gehalte koolmonoxide, uitgevoerd direct voorafgaand aan de afstelling van de verbranding, uitgedrukt in mg/Nm3 bij een zuurstofpercentage van 15% in afgas, als het gaat om een dieselmotor, een gasturbine of een gasmotor, 6% in afgas, als het gaat om een stookinstallatie voor vaste brandstoffen, of 3% in afgas, als het gaat om een andere stookinstallatie.
Lid 2
De meting van koolmonoxide, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt voor een stookinstallatie die in gebruik is genomen voor 20 december 2018 vanaf:
1 januari 2024, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW heeft; of
1 januari 2029, als deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 5 MW heeft.
Lid 3
Aan het eerste lid, onder d, wordt, voor een stookinstallatie die niet meer dan 500 uur per jaar in bedrijf is, in ieder geval voldaan, als een meetrapport van de fabrikant wordt overgelegd van een koolmonoxide-meting die is uitgevoerd aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, overeenkomstig de eisen, bedoeld in dat onderdeel.
Lid 4
Als uit de keuring blijkt dat de installatie onderhoud nodig heeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats.
Artikel 6.39a
Lid 1
Van de keuring, bedoeld in artikel 6.38, wordt een verslag gemaakt.
Lid 2
Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van ten minste 1 MW omvat het verslag:
de naam en het adres van de gebruiker;
het adres van de stookinstallatie;
een unieke identificatie van de stookinstallatie;
gegevens over het nominaal thermisch ingangsvermogen in MW van de stookinstallatie;
gegevens over het type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fualmotor, gasturbine, ketel, formuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;
gegevens over het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste rie-biomassa, houtpellets, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;
de datum waarop de stookinstallatie in gebruik is genomen;
het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens het gebruik;
de 4-cijferige NACE-code van de bedrijfstak waarvan de stookinstallatie deel uitmaakt;
de datum en meetresultaten van de laatst verrichte emissiemetingen van koolmonoxide en zuurstof en de emissieconcentratie van deze stoffen die tijdens de keuring is gemeten;
als het gaat om een stookinstallatie die niet meer dan 500 uren per jaar in bedrijf is, met uitzondering van een dieselmotor die wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit als het openbare net beschikbaar is en geen geplande bedrijfsnoodzakelijke test wordt verricht: een verklaring dat de stookinstallatie niet meer dan 500 uren in bedrijf is; en
wijzigingen aan de stookinstallatie of in de bedrijfsvoering die hebben geleid tot een verandering van de emissiegrenswaarde.
Lid 3
Voor het bepalen van het aantal uren dat een stookinstallatie als bedoeld in het tweede lid, onder k, niet meer dan 500 uren per jaar in bedrijf is, wordt het aantal uren dat de stookinstallatie in gebruik is maandelijks geregistreerd.
Artikel 6.40
Een keuring als bedoeld in artikel 6.38 wordt verricht door een onderneming met een certificaat voor de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel van de Certificatieregeling ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS, afgegeven door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens die Deelregeling.
Artikel 6.41
Lid 1
De volgende gegevens en documenten worden ten minste zes jaar bij de stookinstallatie bewaard:
het verslag van de keuring bedoeld in artikel 6.39a, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht;
een bewijs van uitvoering van onderhoud als bedoeld in artikel 6.39, vierde lid, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd;
de registratie van het aantal draaiuren, bedoeld in artikel 6.39a, derde lid;
de resultaten van de laatst verrichte metingen en andere gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden;
een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen;
een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; en
een overzicht van de gevallen van niet-voldoen aan de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.
Lid 2
Als een stookinstallatie bij de keuring of na het onderhoud, bedoeld in artikel 6.39, vierde lid, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, wordt deze afgemeld in het afmeldsysteem van de Stichting SCIOS.
Lid 3
De afmelding bevat de gegevens, genoemd in artikel 6.39a, tweede lid.
Artikel 6.42
Lid 1
De toegankelijke delen van een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 70 kW worden ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd.
Lid 2
De keuring:
bevat een beoordeling van het rendement en de dimensionering van de warmtegenerator, gelet op de verwarmingsbehoeften van het gebouw; en
houdt rekening met het vermogen van het verwarmingssysteem of het gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem om de prestaties onder typische of gemiddelde werkingsomstandigheden te optimaliseren.
Lid 3
In afwijking van het tweede lid, bevat de keuring geen beoordeling van de dimensionering van de warmtegenerator als er sinds de laatste keuring geen wijziging heeft plaatsgevonden van het verwarmingssysteem, het gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem of de verwarmingsbehoeften van het gebouw.
Lid 4
Degene die de keuring verricht beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de Deelregeling voor verwarmingssystemen, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS.
Lid 5
Na de keuring wordt aan de eigenaar of huurder van het gebouw een keuringsverslag verstrekt dat ten minste het resultaat van de verrichte keuring alsmede aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem bevat.
Lid 6
Dit artikel is niet van toepassing op:
een verwarmingssysteem of een gecombineerd verwarmings- en ventilatiesysteem:
dat valt onder een overeengekomen energieprestatiecriterium of een contractuele regeling waarin een overeengekomen niveau van energie-efficiëntieverbetering is vermeld; of
dat wordt beheerd door een leverancier als bedoeld in de artikelen 1.1 van de Energiewet en 1, eerste lid, van de Warmtewet, een distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;
mits met de aanpak onder 1° of 2° hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de keuring, bedoeld in het eerste en tweede lid; of
een verwarmingssysteem in een gebouw met een systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 3.146.
Artikel 6.43
Deze wijziging treedt niet meer in werking. De wijziging is ingetrokken door Stb. 2023/298.
Artikel 6.44
In deze paragraaf wordt verstaan onder certificaathouder:
natuurlijke persoon of rechtspersoon met een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor een op grond van artikel 3.37, eerste lid, van dat besluit afgegeven certificatieschema door een op grond van artikel 3.36, eerste lid, van dat besluit aangewezen certificatie-instelling.
Artikel 6.45
Lid 1
Aan de regels in dit artikel wordt voldaan door degene die de werkzaamheden uitvoert en degene die de werkzaamheden laat uitvoeren.
Lid 2
De volgende werkzaamheden aan een gebouwgebonden gasverbrandingstoestel en bijbehorende voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas worden verricht door een certificaathouder:
het installeren van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen;
het repareren van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen;
het onderhouden van gasverbrandingstoestellen, verbrandingsluchttoevoervoorzieningen of rookgasafvoervoorzieningen; en
het in bedrijf stellen en vrijgeven voor gebruik van een gasverbrandingstoestel na werkzaamheden als bedoeld onder a tot en met c.
Lid 3
Het tweede lid is niet van toepassing op:
stookinstallaties als bedoeld in artikel 6.38;
werkzaamheden die worden verricht voor het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving of een accreditatie als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, onder a, van dat besluit.
Lid 4
Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht met een certificaat dat is afgegeven door een certificatie-instelling waarvan de aanwijzing is ingetrokken, gedurende zes maanden na de intrekking of, als het certificaat op het moment van intrekking een kortere geldigheidsduur heeft dan zes maanden, gedurende die geldigheidsduur.
Artikel 6.46
Als een certificaathouder bij het verrichten van zijn werkzaamheden constateert dat een gasverbrandingsinstallatie een hogere concentratie koolmonoxide produceert dan een bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie en dat deze vrijkomt in een ruimte waarin zich personen kunnen bevinden, stelt hij onverwijld de bewoner of gebruiker en eigenaar van het gebouw, het bevoegd gezag en de certificatie-instelling hiervan op de hoogte.
Artikel 6.47
Lid 1
Een certificaathouder voert een bij ministeriële regeling vastgesteld beeldmerk.
Lid 2
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over het gebruik van het beeldmerk.
Artikel 6.48
Artikel 6.45 is niet van toepassing op werkzaamheden die aangevangen zijn voor het tijdstip waarop artikel II van het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties in werking is getreden.