Hoofdstuk 3. Bestaande bouw

Artikel 3.1

Dit hoofdstuk is van toepassing op het in stand houden van een bestaand bouwwerk.

Artikel 3.2

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid;

  2. het beschermen van de gezondheid; en

  3. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Artikel 3.3

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.4

In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 3.11, 3.30, 3.36, 3.42 en 3.114.

Artikel 3.5

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 3.6

De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht onderzoek te doen naar de staat van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken waarvan redelijkerwijs is komen vast te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren.

Artikel 3.6a

De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht periodiek een beoordeling te doen van de constructieve veiligheid van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken.

Artikel 3.7

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.5 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.7, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

Lid 2

Een maatwerkvoorschrift over de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 kan alleen inhouden het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen om de staat van een bouwwerk op een niveau te brengen dat hoger is dan het niveau van de regels in dit hoofdstuk, maar niet hoger dan het niveau van de regels in hoofdstuk 4. Het maatwerkvoorschrift wordt alleen gesteld als het treffen van die voorzieningen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 3.86, 3.130 en 3.132 alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

Artikel 3.8

Lid 1

Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.8

gebruiksfunctie

leden van toepassing

fundamentele

belastingscombinaties

bepalingsmethode niet-bezwijken

artikel

3.9

3.10

lid

*

1

2

1

Woonfunctie

a.

in een woongebouw

*

1

b.

andere woonfunctie

*

1

2

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw

*

1

b.

andere logiesfunctie

*

1

2

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

*

1

Artikel 3.9

Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.

Artikel 3.10

Lid 1

Het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, wordt bepaald volgens NEN 8700.

Lid 2

Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Artikel 3.11

Lid 1

Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.11

gebruiksfunctie

leden van toepassing

tijdsduur niet-bezwijken

bepalingsmethode niet-

bezwijken

artikel

3.12

3.13

lid

1

2

3

4

5

6

1

2

1

Woonfunctie

1

2

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

1

2

3

Celfunctie

1

4

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

4

1

2

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

3

1

2

5

Industriefunctie

1

3

1

2

6

Kantoorfunctie

1

3

1

2

7

Logiesfunctie

1

4

1

2

8

Onderwijsfunctie

1

3

1

2

9

Sportfunctie

1

3

1

2

10

Winkelfunctie

1

3

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het personenvervoer

1

3

1

2

b

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

5

1

2

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

6

1

2

Artikel 3.12

Lid 1

Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.

Lid 2

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

Tabel 3.12a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

Woonfunctie

tijdsduur in minuten

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

30

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

60

Lid 3

Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Lid 4

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Tabel 3.12b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

Andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie

tijdsduur in minuten

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

30

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

60

Lid 5

Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten, en voor zover deze onder open water ligt, niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.

Lid 6

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 3.13

Lid 1

Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie, bedoeld in artikel 3.12, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

Lid 2

De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens:

  1. NEN 8700; of

  2. NEN 6069.

Artikel 3.14

Lid 1

Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het door personen vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan, zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.14

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aanwezigheid afscheiding

hoogte afscheiding

openingen afscheiding

openingen afscheiding

artikel

3.15

3.16

3.17

3.17

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

4

1

2

1

[m]

1

Woonfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

0,2

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

4

5

1

2

3

4

1

2

0,1

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

4

2

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

1

2

3

4

5

1

2

3

4

2

Artikel 3.15

Lid 1

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Lid 2

Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

Lid 3

Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

Lid 4

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

  1. een trap; of

  2. een hellingbaan.

Lid 5

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

  1. een rand van een podium;

  2. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;

  3. een rand van een laadvloer;

  4. een rand van een perron; en

  5. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 3.16

Lid 1

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

Lid 4

Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 3.17

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 aangegeven waarde.

Lid 2

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m.

Artikel 3.18

Lid 1

Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.19

Lid 1

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor een hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein.

Lid 2

Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 3.20

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 voldoet aan de in tabel 3.20 aangegeven afmetingen.

Tabel 3.20 afmetingen van een trap

Minimum breedte van de trap

0,7 m

Minimum vrije hoogte boven de trap

1,9 m

Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,13 m

Maximum hoogte van een optrede

0,22 m

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,2 m

Artikel 3.21

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

Artikel 3.22

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

Artikel 3.23

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.

Artikel 3.24

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

Artikel 3.25

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.26

Lid 1

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

Artikel 3.27

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.28

Lid 1

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

  1. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of

  2. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

Lid 2

Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.29

Lid 1

Materiaal van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C:

  1. voldoet aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1; of

  2. is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062.

Artikel 3.30

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.30

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

zijde grenzend aan de

binnenlucht

buitenlucht

binnenoppervlak

buitenoppervlak

beloopbaar vlak

vrijgestelde oppervlakte

toepassing Euroklassen

extra beschermde vluchtroute

beschermde route

overig

extra beschermde vluchtroute

beschermde route

overig

artikel

3.31

3.32

3.33

3.34

3.35

3.31

3.32

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

1

2

3

1

2

*

1

1

[brandklasse]

[brandklasse]

1

Woonfunctie

a

in een woongebouw

1

2

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

2

4

2

2

4

b

andere woonfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

3

Celfunctie

1

3

4

5

1

2

3

1

2

3

1

*

1

1

4

1

1

4

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

2

4

2

4

4

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

5

Industriefunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

6

Kantoorfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

2

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

2

4

2

4

4

b

andere logiesfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

8

Onderwijsfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

9

Sportfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

10

Winkelfunctie

1

3

5

1

2

3

1

2

3

1

*

2

4

4

2

4

4

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

3

1

2

3

1

2

3

2

*

2

4

4

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

3

1

2

3

2

*

2

4

4

Artikel 3.31

Lid 1

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

Lid 5

In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:

  1. een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en

  2. een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte;

aan brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065.

Artikel 3.32

Lid 1

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan brandklasse 4.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 3.33

Lid 1

In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

Lid 2

In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.

Artikel 3.34

Lid 1

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Lid 2

Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.

Artikel 3.35

Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van:

  1. brandklasse 1, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  2. brandklasse 2, bepaald volgens NEN 6065, in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet-besloten ruimte van brandklasse C, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  3. brandklasse 3, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse C, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  4. brandklasse 4, bepaald volgens NEN 6065, worden uitgegaan van brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  5. brandklasse T1, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse Cfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  6. brandklasse T3, bepaald volgens NEN 1775, worden uitgegaan van brandklasse Dfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

  7. een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1 of 5,4 m-1, bepaald volgens NEN 6066, worden uitgegaan van rookklasse s2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.36

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

  1. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en

  2. geen gevaar oplevert voor het vluchten en hulpverlening bij brand.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.36

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

brandcompartiment:

ligging

brandcompartiment:

omvang

opvangcompartiment

wbdbo:

niveau van eisen

wbdbo:

bepalingsmethode

brandcompartiment:

omvang

artikel

3.37

3.38

3.39

3.40

3.41

3.38

lid

1

2

3

4

5

6

7

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

1

2

1

2

1

[m2]

1

Woonfunctie

a

woonwagen

1

2

2

1

2

b

andere woonfunctie

1

3

1

3

5

6

7

1

1

2

2.000

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

1

3

7

8

1

1

2

2.000

3

Celfunctie

1

3

1

3

7

1

1

1

2

2.000

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

3

1

3

7

2

1

1

2

2.000

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

3

1

3

7

1

1

2

2.000

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie voor het houden van dieren

1

3

4

5

6

7

1

3

7

1

1

2

3.000

b

andere lichte industriefunctie

1

3

4

5

6

7

1

3

1

1

2

3.000

c

andere industriefunctie

1

3

4

5

1

3

1

1

2

3.000

6

Kantoorfunctie

1

3

1

3

7

8

1

1

2

2.000

7

Logiesfunctie

1

3

1

3

7

1

1

2

1.000

8

Onderwijsfunctie

1

3

1

3

7

1

1

2

3.000

9

Sportfunctie

1

3

1

3

7

1

1

2

3.000

10

Winkelfunctie

1

3

1

3

7

8

1

1

2

2.000

11

Overige gebruiksfunctie

1

3

4

5

6

1

3

7

8

1

1

2

3.000

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

3

4

1

1

2

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.37

Lid 1

Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op:

  1. een toiletruimte;

  2. een badruimte;

  3. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1, of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

  4. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW.

Lid 2

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

Lid 4

Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

Lid 5

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 3.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Lid 6

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

Lid 7

Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 3.38

Lid 1

Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 aangegeven oppervlakte.

Lid 2

In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2.

Lid 3

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

Lid 4

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

Lid 5

In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

Lid 6

In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

Lid 7

Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

Lid 8

Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.

Artikel 3.39

Lid 1

In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

Lid 2

Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 3.40

Lid 1

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.

Lid 2

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

Artikel 3.41

Lid 1

De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

Lid 2

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

  1. een openbare weg;

  2. openbaar water;

  3. openbaar groen; of

  4. een perceel daarvan dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen;

vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

Artikel 3.42

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.42

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

subbrandcompartiment:

ligging

beschermd

subbrandcompartiment:

ligging

beschermd

subbrandcompartiment:

omvang

subbrandcompartiment:

weerstand tegen

rookdoorgang

beschermd

subbrandcompartiment:

wbdbo

beschermd

subbrandcompartiment:

omvang

artikel

3.43

3.44

3.45

3.46

3.47

3.45

lid

1

2

3

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

7

*

1

2

1

[m2]

1

Woonfunctie

a

voor zorg met een g.o. > 1.000 m2

1

2

3

1

1

2

*

1

200

b

woonwagen

1

2

*

c

andere woonfunctie

1

2

3

1

1

*

1

1.000

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

*

3

Celfunctie

1

2

3

3

3

*

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

3

2

4

5

*

1

2

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

3

*

5

Industriefunctie

1

2

3

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

*

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

1

6

7

*

1

1.000

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

*

9

Sportfunctie

1

2

3

*

10

Winkelfunctie

1

2

3

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

3

*

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.43

Lid 1

Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.

Lid 2

Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

  1. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 3.31 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert; en

  2. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert.

Artikel 3.44

Lid 1

Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 2

Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 3

Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 4

Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 3.45

Lid 1

Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 aangegeven oppervlakte.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

Lid 3

Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

Lid 4

Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

Lid 5

Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking.

Lid 6

Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

Lid 7

Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 3.46

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.47

Lid 1

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

Lid 2

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.

Artikel 3.48

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.48

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

vluchtroute

vluchten naar de uitgang van een

subbrandcompartiment

beschermde route

extra beschermde vluchtroute

veiligheidsroute

tweede vluchtroute

vluchten naar de uitgang van een

subbrandcompartiment

artikel

3.49

3.50

3.51

3.52

3.53

3.54

3.50

lid

1

2

3

4

1

2

3

1

2

1

2

3

1

2

1

2

3

1

[m]

1

Woonfunctie

1

1

1

1

1

1

2

3

45

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

60

3

Celfunctie

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

5

Industriefunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

6

Kantoorfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

7

Logiesfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

8

Onderwijsfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

60

9

Sportfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

10

Winkelfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

1

3

2

2

3

2

1

2

3

75

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

3

2

1

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

4

Artikel 3.49

Lid 1

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

Lid 2

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

Lid 3

Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

Lid 4

Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 3.50

Lid 1

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 aangegeven afstand.

Lid 2

De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

Lid 3

Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.

Artikel 3.51

Lid 1

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 2

Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.52

Lid 1

Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.

Lid 2

Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 3

Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 3.53

Lid 1

Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.

Lid 2

Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.54

Lid 1

Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

  1. de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment;

  2. de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren; en

  3. als de ruimte een besloten ruimte is, de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is en ten hoogste 70 m als de vluchtroutes in die ruimte beschermde routes zijn.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.

Artikel 3.55

Lid 1

Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.55

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

inrichting vluchtroute: weerstand

tegen rookdoorgang

inrichting vluchtroute: wbdbo

inrichting vluchtroute:

permanente vuurbelasting

inrichting vluchtroute:

vrije doorgang

inrichting vluchtroute: niet-

besloten ruimte

breedte

hoogte

artikel

3.56

3.57

3.58

3.59

3.60

3.59

lid

*

*

*

1

2

*

1

[m]

[m]

1

Woonfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

2

Bijeenkomstfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

3

Celfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

*

*

*

1

2

*

0,5

1,7

b

andere gezondheidszorgfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

5

Industriefunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

6

Kantoorfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

7

Logiesfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

8

Onderwijsfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

9

Sportfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

10

Winkelfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

11

Overige gebruiksfunctie

*

*

*

1

*

0,5

1,7

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

*

*

1

*

0,7

1,9

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

*

Artikel 3.56

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.57

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten.

Artikel 3.58

Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurlast en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.

Artikel 3.59

Lid 1

Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 aangegeven breedte en hoogte.

Lid 2

Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi.

Artikel 3.60

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

Artikel 3.61

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.62

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Artikel 3.63

Lid 1

Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.63 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.63

gebruiksfunctie

leden van toepassing

wering van vocht van

buiten

wateropname

artikel

3.64

3.65

lid

1

2

3

*

1

Woonfunctie

1

2

3

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

*

3

Celfunctie

1

2

3

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

*

5

Industriefunctie

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

*

7

Logiesfunctie

1

2

3

*

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

*

9

Sportfunctie

1

2

3

*

10

Winkelfunctie

1

2

3

*

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.64

Lid 1

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Lid 2

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Lid 3

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Artikel 3.65

Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

Artikel 3.66

Lid 1

Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.66

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

luchtverversing

verblijfsruimte,

toiletruimte en

badruimte

luchtverversing

overige ruimten

verdunning en plaats

van de opening

luchtkwaliteit: toevoer

van ventilatielucht

luchtkwaliteit: afvoer

van binnenlucht

luchtverversing

verblijfsruimte

artikel

3.67

3.68

3.69

3.70

3.71

3.67

lid

1

2

3

4

5

6

7

1

2

3

4

5

*

1

2

3

1

2

3

4

2

dm3/sec per persoon

1

Woonfunctie

1

3

4

5

6

1

2

3

1

2

1

2

4

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor kinderopvang

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

b.

voor alcoholgebruik

2

3

6

7

1

2

3

1

2

1

2

4

2,12

c.

overige bijeenkomstfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

2,12

3

Celfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

a.

verblijfsruimte van een celeenheid

6,40

b.

andere verblijfsruimte

3,44

4

Gezondheidszorgfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

5

Industriefunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

6

Kantoorfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

7

Logiesfunctie

2

3

4

6

1

2

3

1

2

1

2

4

6,40

8

Onderwijsfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

9

Sportfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

3,44

10

Winkelfunctie

2

3

6

1

2

3

1

2

1

2

4

2,12

11

Overige gebruiksfunctie

a.

voor het stallen van motorvoertuigen

6

1

2

4

*

1

2

1

2

4

b.

overig bouwwerk geen gebouw zijnde andere overige gebruiksfunctie

6

1

2

3

1

2

1

2

4

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

5

3

3

b.

andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

5

c.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

3

1

1

Artikel 3.67

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm3/s.

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon.

Lid 3

Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

Lid 4

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

Lid 5

Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

Lid 6

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:

  1. 7 dm3/s bij een toiletruimte; en

  2. 14 dm3/s bij een badruimte.

Lid 7

Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.

Artikel 3.68

Lid 1

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

Lid 2

Een liftschacht heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

Lid 3

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s als de ruimte groter is dan 10 m2.

Lid 4

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 5

Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  1. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

  2. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.

Artikel 3.70

Lid 1

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

Lid 2

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Lid 3

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 3.71

Lid 1

De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten of via de liftmachineruimte naar buiten plaats.

Lid 2

De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

  1. een toiletruimte;

  2. een badruimte; en

  3. een opslagruimte voor huishoudelijk afval.

Lid 3

De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Lid 4

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

Artikel 3.72

Lid 1

Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.72

gebruiksfunctie

leden van toepassing

capaciteit

spuivoorziening

artikel

3.73

lid

1

2

3

1

Woonfunctie

1

2

3

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

1

3

b

andere bijeenkomstfunctie

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.73

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

Lid 3

De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.74

Lid 1

Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.74

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid

capaciteit: afvoer van rookgas

capaciteit: toevoer van

verbrandingslucht

rookdoorlatendheid

artikel

3.75

3.76

3.77

3.78

lid

1

2

1

2

3

4

1

2

3

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

1

2

1

2

3

4

1

2

3

*

Artikel 3.75

Lid 1

Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel.

Lid 2

Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte.

Artikel 3.76

Lid 1

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

Lid 2

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

Lid 3

Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.

Lid 4

Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.77

Lid 1

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit.

Lid 2

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

Lid 3

De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.78

Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2.

Artikel 3.79

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.79

gebruiksfunctie

leden van toepassing

openingen

artikel

3.80

lid

1

2

1

Woonfunctie

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

Celfunctie

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

1

2

7

Logiesfunctie

1

2

8

Onderwijsfunctie

1

2

9

Sportfunctie

1

2

10

Winkelfunctie

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.80

Lid 1

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

  1. een voorziening voor luchtverversing;

  2. een afvoervoorziening voor rookgas; en

  3. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten.

Artikel 3.81

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.81

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

daglichtoppervlakte

daglichtoppervlakte

artikel

3.82

3.82

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

1

[m2]

1

Woonfunctie

1

2

8

0,5

2

Bijeenkomstfunctie

a

kinderopvang

1

2

3

4

8

0,5

b

andere bijeenkomstfunctie

3

Celfunctie

1

2

3

5

8

0,15

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

6

8

0,5

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

1

2

3

8

0,5

7

Logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

7

8

0,5

9

Sportfunctie

10

Winkelfunctie

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.82

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 aangegeven oppervlakte.

Lid 2

Bij het bepalen van het equivalente daglichtoppervlakte:

  1. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing;

  2. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen; en

  3. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

Lid 4

Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.

Lid 5

In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

Lid 6

Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte.

Lid 7

Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

Lid 8

Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met toepassing van artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte, kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast.

Artikel 3.83

Lid 1

Een bouwwerk is voldoende energiezuinig.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.83

gebruiksfunctie

leden van toepassing

maatregelen ter verduurzaming van

het energiegebruik

gegevens en bescheiden

maatregelen ter verduurzaming van het

energiegebruik

overgangsrecht maatregelen ter

verduurzaming van het

energiegebruik

uitvoering van aanbevelingen bij het

energielabel

afbakening maatwerkvoorschriften

maatregelen ter verduurzaming van

het energiegebruik

labelverplichting kantoorgebouw

uitzondering labelplicht

kantoorgebouw

artikel

3.84

3.84a

3.84b

3.85

3.86

3.87

3.87a

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

1

2

3

4

5

6

*

1

Woonfunctie

5

Industriefunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

1

2

3

4

5

6

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

*

*

*

Artikel 3.84

Lid 1

Aan een gebruiksfunctie worden alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar getroffen.

Lid 2

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden verstaan:

  1. energiebesparende maatregelen;

  2. maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie op of aan de gebruiksfunctie tot ten hoogste het jaarlijks energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie; en

  3. maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing als:

  1. het energiegebruik van de gebruiksfunctie in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten;

  2. artikel 6.28, aanhef en onder e, f, of h, van dit besluit van toepassing is; of

  3. voor de gebruiksfunctie alleen gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energie die wordt opgewekt op of aan de gebruiksfunctie, of deze hernieuwbare energie met overeenkomstige toepassing van NTA 8800 is toe te rekenen aan de gebruiksfunctie.

Lid 4

Het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in het derde lid, onder a, en het energiegebruik van de energiedrager van de gebruiksfunctie, bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten het totale energiegebruik van de milieubelastende activiteit waarop de regels over verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing zijn.

Lid 5

Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan als voor de gebruiksfunctie alle van toepassing zijnde bij ministeriële regeling vastgestelde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik zijn getroffen.

Lid 6

Op het berekenen van de terugverdientijd, de emissie van kooldioxide en de aardgasequivalenten zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Lid 7

Onder de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet verstaan maatregelen voor het gebruik van rie-biomassa, bedoeld in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de productie van elektriciteit en laagwaardige warmte tot en met 100 °C.

Lid 8

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hernieuwbare energie verstaan energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 3.84a

Lid 1

Uiterlijk op 1 december 2023 en daarna eenmaal per vier jaar worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  1. de adresgegevens van de gebruiksfunctie, bedoeld in artikel 3.84, eerste lid;

  2. de naam en het nummer van inschrijving in het handelsregister van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht, als diegene is ingeschreven bij het handelsregister;

  3. de contactgegevens van degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.1, verricht;

  4. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die zijn getroffen;

  5. een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, die niet van toepassing zijn omdat een of meer van de in de ministeriële regeling aangegeven randvoorwaarden niet van toepassing zijn;

  6. als niet alle van toepassing zijnde maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik als bedoeld in artikel 3.84, vijfde lid, zijn getroffen: een overzicht van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar die zijn getroffen; en

  7. het energiegebruik van de gebruiksfunctie, bedoeld in artikel 3.84, derde lid, uitgedrukt in kilowattuur elektriciteit en kubieke meters aardgasequivalent en gemeten over enig kalenderjaar.

Lid 2

De gegevens en bescheiden worden verstrekt met gebruikmaking van een elektronische voorziening en een formulier die door Onze Minister voor Klimaat en Energie beschikbaar worden gesteld.

Artikel 3.84b

Als voor de inwerkingtreding van dit besluit gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft artikel 2.15 van dat besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor zover gericht op de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.15, tweede, negende of tiende lid, en de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zijn gesteld, tot 1 december 2027 van toepassing.

Artikel 3.85

Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van het energielabel.

Artikel 3.86

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen.

Artikel 3.87

Lid 1

Het is verboden om een kantoorgebouw in gebruik te nemen of te gebruiken zonder een geldig energielabel als bedoeld in artikel 6.29 met een maximumwaarde voor primair fossiel energiegebruik van 225 kWh/m2.jr, bepaald volgens NTA 8800, of met een in een letter of lettercombinatie uitgedrukte weergave van de energieprestatie van C of beter, die daarin op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels is omgezet.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties kleiner dan 50% van de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m².

Lid 4

Het eerste lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 6.28.

Lid 5

Als de maatregelen die nodig zijn om de in het eerste lid bedoelde energieprestatie te realiseren een terugverdientijd hebben van meer dan 10 jaar, kan worden volstaan met het treffen van de maatregelen met een terugverdientijd tot en met 10 jaar en de daarbij behorende energieprestatie.

Lid 6

Op het berekenen van de terugverdientijd, bedoeld in het vijfde lid, zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

Artikel 3.87a

Artikel 3.87, eerste lid, is niet van toepassing op een kantoorgebouw met een geldig energielabel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit energieprestatie gebouwen zoals dat gold op 31 december 2020, met een energie-index van 1,3 of beter.

Artikel 3.87aa

Lid 1

Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.87b

Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan 20 parkeervakken, heeft tenminste een oplaadpunt.

Artikel 3.87c

Artikel 3.87b is niet van toepassing tot en met 31 december 2024.

Artikel 3.88

Lid 1

Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.89

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Artikel 3.90

Lid 1

In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m.

Lid 2

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.

Artikel 3.91

Lid 1

Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.92

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Artikel 3.93

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.

Artikel 3.94

Lid 1

Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.94

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid

opstelplaatsen

afmetingen opstelplaatsen

artikel

3.95

3.96

lid

*

1

2

1

Woonfunctie

a

voor zorg

b

andere woonfunctie

*

1

2

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.95

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.

Artikel 3.96

Lid 1

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

Lid 2

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

Artikel 3.97

Lid 1

Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.97 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.97

gebruiksfunctie

leden van toepassing

bereikbaarheid van een gebouw

artikel

3.98

*

1

Woonfunctie

a.

woonwagen

b.

andere woonfunctie

*

5

Industriefunctie

a.

lichte industriefunctie

b.

andere industriefunctie

*

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Alle niet hierboven genoemd gebruiksfuncties

*

Artikel 3.98

Een verhard pad waarover voor personen met een functiebeperking een route loopt tussen de openbare weg en een gebouw wordt in stand gehouden als dit pad is aangelegd om te voldoen aan de eisen voor de bereikbaarheid van het gebouw die golden bij de bouw van het gebouw.

Artikel 3.98a

Vervallen

Artikel 3.99

Lid 1

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.99

gebruiksfunctie

leden van toepassing

verlichting

noodverlichting

aansluiting op voorziening

voor elektriciteit

verduisterde ruimte

overgangsrecht: noodverlichting

artikel

3.100

3.101

3.102

3.103

3.104

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

*

*

*

1

Woonfunctie

4

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

3

Celfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

*

b

andere industriefunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

6

Kantoorfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

4

1

3

5

*

*

*

b

andere logiesfunctie

1

4

1

3

5

*

*

8

Onderwijsfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

9

Sportfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

10

Winkelfunctie

1

4

1

3

5

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het personenvervoer

2

3

4

2

3

5

*

*

*

b

voor het stallen van motorvoertuigen

2

4

2

3

5

*

*

*

c

andere overige gebruiksfunctie

4

*

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

4

5

3

4

5

*

*

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

4

3

5

*

*

*

Artikel 3.100

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 2

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 3

Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 4

Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 5

Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Artikel 3.101

Lid 1

Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

Lid 2

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.

Lid 3

Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.

Lid 4

Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

Lid 5

Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 3.102

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 3.104

Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen, blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.

Artikel 3.105

Lid 1

Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.106

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  1. NEN 1010 bij lage spanning; en

  2. de door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad V 1041 bij hoge spanning.

Artikel 3.107

Een voorziening voor gas voldoet aan:

  1. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en

  2. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

Artikel 3.108

Lid 1

Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.109

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.110

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.111

Lid 1

Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.111

gebruiksfunctie

leden van toepassing

afvoer van huishoudelijk

afvalwater

afvoer van hemelwater

artikel

3.112

3.113

lid

1

2

*

1

Woonfunctie

1

2

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

*

3

Celfunctie

1

2

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

*

5

Industriefunctie

1

2

6

Kantoorfunctie

1

2

*

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

2

*

b

andere logiesfunctie

1

2

8

Onderwijsfunctie

1

2

*

9

Sportfunctie

1

2

*

10

Winkelfunctie

1

2

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

Artikel 3.112

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

Lid 2

Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 3.113

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

Artikel 3.114

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.114

gebruiksfunctie

leden van toepassing

brandmeldinstallatie

melding en doormelding

rookmelders

artikel

3.115

3.116

3.117

lid

1

2

3

4

1

2

1

2

3

4

5

6

1

Woonfunctie

a.

zorgclusterwoning in een woongebouw

1

2

1

2

b.

zorgclusterwoning niet in een woongebouw

1

2

c.

groepszorgwoning voor 24-uurs zorg

1

2

1

2

d.

groepszorgwoning niet voor 24-uurs zorg

1

2

1

e.

voor kamergewijze verhuur

2

3

5

f.

andere woonfunctie

1

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor het aanschouwen van sport

3

b

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

4

2

4

5

c

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

3

Celfunctie

1

2

3

2

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

2

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

1

2

3

6

Kantoorfunctie

1

2

3

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

1

2

3

4

5

6

b.

in een logiesgebouw zonder 24-uurs bewaking

1

2

3

2

4

5

c.

andere logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

9

Sportfunctie

1

2

3

10

Winkelfunctie

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het stallen van motorvoertuigen

1

2

3

b

voor het personenvervoer

1

2

3

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.115

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:

  1. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage genoemde waarde;

  2. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage genoemde hoogte; of

  3. die bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een hoogte als hierboven bedoeld.

Lid 2

Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

Lid 3

Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, en verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenst, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

  1. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;

  2. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is; of

  3. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.

Lid 4

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 3.116

Lid 1

Een in artikel 3.115 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

  1. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep; en

  2. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.

Lid 2

Een doormelding als bedoeld in artikel 3.115 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 3.117

Lid 1

Een woonfunctie heeft op iedere bouwlaag met een verblijfsruimte of met een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een rookmelder die voldoet aan EN 14604.

Lid 2

Bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

Lid 3

Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

Lid 4

Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

Lid 5

Het eerste, tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115.

Lid 6

In aanvulling op het vierde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 3.118

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.118 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.118

gebruiksfunctie

leden van toepassing

ontruimtingsalarminstallatie

vluchtrouteaanduiding

deuren in vluchtroutes:

draairichting

deuren in vluchtroutes:

weerstand bij het openen

zelfsluitende

constructieonderdelen

artikel

3.119

3.120

3.121

3.122

3.123

lid

1

2

3

1

2

3

4

5

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

1

Woonfunctie

a

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

4

5

6

1

2

3

b

andere woonfunctie voor zorg

1

4

5

1

2

3

c

voor kamergewijze verhuur

1

3

4

5

1

2

3

d

andere woonfunctie

4

5

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

3

Celfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

4

4

Gezondheidszorgfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

1

2

2

3

4

5

6

1

b

andere industriefunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

6

Kantoorfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw met 24-uursbewaking

1

3

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

b

in een ander logiesgebouw

1

2

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

c

andere logiesfunctie

1

1

2

2

3

4

5

6

1

8

Onderwijsfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

9

Sportfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

10

Winkelfunctie

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het stallen van motorvoertuigen

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

b

voor het personenvervoer

1

1

3

4

1

2

2

3

4

5

6

1

c

andere overige gebruiksfunctie

1

2

2

3

4

5

6

1

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

2

3

5

3

4

5

6

1

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

2

4

5

6

1

Artikel 3.119

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 3.115, eerste tot en met derde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

Lid 2

Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

Lid 3

In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 3.120

Lid 1

Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838.

Lid 2

Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6, van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen twee vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid.

Lid 3

Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste en tweede lid:

  1. is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats; en

  2. voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de in het eerste of tweede lid bedoelde zichtbaarheidseisen.

Lid 4

Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 3.101, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

Lid 5

Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde route als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 3.121

Lid 1

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 60 personen op die uitgang zijn aangewezen.

Lid 2

Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

Lid 3

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 3.122

Lid 1

Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

  1. door een lichte druk tegen de deur; of

  2. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of NEN-EN 1125.

Lid 2

Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen, kan worden geopend door:

  1. een lichte druk tegen de deur; of

  2. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.

Lid 3

Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

Lid 4

Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

Lid 5

Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

Lid 6

Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 3.123

Lid 1

Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

Lid 3

Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.

Lid 4

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

Artikel 3.124

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.124 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.124

gebruiksfunctie

leden van toepassing

droge blusleiding

bluswatervoorziening

wegtunnel

blustoestellen

artikel

3.125

3.126

3.127

lid

1

2

3

4

*

1

2

3

1

Woonfunctie

a

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

3

4

3

b

voor kamergewijze verhuur

1

3

4

1

3

c

andere woonfunctie

1

3

4

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

4

3

3

Celfunctie

1

3

4

3

4

Gezondheidszorgfunctie

1

3

4

3

5

Industriefunctie

1

3

4

3

6

Kantoorfunctie

1

3

4

3

7

Logiesfunctie

1

3

4

3

8

Onderwijsfunctie

1

3

4

3

9

Sportfunctie

1

3

4

3

10

Winkelfunctie

1

3

4

3

11

Overige gebruiksfunctie

1

3

4

3

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

2

4

*

2

3

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.125

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.

Lid 2

Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 3.126 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Lid 3

De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een in het eerste lid bedoelde droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 110 m.

Lid 4

De inrichting van een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594 voor:

  1. de drukbestendigheid;

  2. de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding;

  3. de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen;

  4. de aanduiding van de brandslangaansluitingen; en

  5. de aanduiding van de voedingsaansluitingen.

Artikel 3.126

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 3.127

Lid 1

Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 6.35, tweede lid.

Lid 2

Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een draagbaar brandblusapparaat.

Lid 3

Een blustoestel als bedoeld in het eerste en tweede lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 3.128

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.128 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 3.128

gebruiksfunctie

leden van toepassing

brandweeringang

afbakening maatwerkvoorschriften

brandweeringang

mobiele radiocommunicatie

hulpverleningsdiensten

afbakening maatwerkvoorschriften

mobiele radiocommunicatie

hulpverleningsdiensten

artikel

3.129

3.130

3.131

3.132

lid

1

2

*

1

2

*

1

Woonfunctie

1

2

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

*

1

*

3

Celfunctie

1

2

*

1

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

*

1

*

5

Industriefunctie

1

2

*

1

*

6

Kantoorfunctie

1

2

*

1

*

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

2

*

1

*

b

andere logiesfunctie

1

2

*

8

Onderwijsfunctie

1

2

*

1

*

9

Sportfunctie

1

2

*

1

*

10

Winkelfunctie

1

2

*

1

*

11

Overige gebruiksfunctie

*

1

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

2

*

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

*

1

*

Artikel 3.129

Lid 1

Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

Lid 2

In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 3.130

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.129 kan alleen inhouden:

  1. dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist; of

  2. het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.

Artikel 3.131

Lid 1

Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

Lid 2

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 3.132

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 3.131, eerste lid, kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

Artikel 3.133

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.134

Een hulppost als bedoeld in artikel 3.62 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 3.135

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 3.136

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 3.137

Lid 1

Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft eenzelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

Lid 2

In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

Lid 4

Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 3.138

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

  1. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute;

  2. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis; en

  3. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

Lid 2

Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 3.139

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel, die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

Artikel 3.140

Lid 1

Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.141

Lid 1

Een afsluitbare toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

Lid 2

Als een woonfunctie in een woongebouw alleen bereikbaar is via een afsluitbare gemeenschappelijke verkeersruimte, heeft ten minste een toegang van het woongebouw aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijke ruimte van die woonfunctie waarneembaar is.

Artikel 3.142

Lid 1

Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.143

Lid 1

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de jci1.3:c:BWBR0003549

Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.

Lid 2

De kooldioxidemeter:

  1. functioneert continu op:

    1. de gangbare elektrische netspanning, waarbij een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting de ingestelde signaalniveaus niet verstoort; of

    2. een elektrische voeding met een signaalfunctie als de capaciteit van die voeding een minimumniveau heeft bereikt;

  2. kalibreert zichzelf automatisch;

  3. heeft ten minste een CO2-meetfunctie met:

    1. een meetbereik van ten minste 300 tot 5.000 ppm;

    2. een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 °C;

    3. een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 °C:

      1. bij een CO2-waarde van 300–1.000 ppm: < 10% van meetwaarde; en

      2. bij een CO2-waarde van 1.000–5.000 ppm: < 100 ppm; en

    4. een resolutie van 1 ppm;

  4. waarschuwt tijdig voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie over de mate waarin de ruimte wordt geventileerd; en

  5. heeft drie signaalniveaus met een eigen kleurcode:

    1. een CO2-concentratie van minder dan 1.001 ppm;

    2. een CO2-concentratie van 1.001 tot en met 1.400 ppm; en

    3. een CO2-concentratie van meer dan 1.400 ppm.

Artikel 3.144

Vervallen

Artikel 3.145

Lid 1

Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.146

Het systeem voor gebouwautomatisering- en controle als bedoeld in artikel 3.145, eerste lid, is in staat:

  1. het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken;

  2. de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische installaties te informeren over de mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren; en

  3. communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken, en interoperabel te zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten eigendomstechnologieën, toestellen en fabrikanten.

Artikel 3.147

De artikelen 3.145 en 3.146 zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025.