Hoofdstuk 4. Nieuwbouw

Artikel 4.1

Lid 1

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het bouwen van nieuwe bouwwerken betreffen.

Lid 2

Met het bouwen van nieuwe bouwwerken wordt gelijkgesteld het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert.

Artikel 4.2

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  1. het waarborgen van de veiligheid;

  2. het beschermen van de gezondheid; en

  3. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Artikel 4.3

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die het bouwwerk bouwt. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.4

In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel. Dit geldt niet voor de artikelen 4.16, 4.49, 4.56, 4.83, 4.171 en 4.207.

Artikel 4.5

Lid 1

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet, kan worden gesteld over de afdelingen 4.2 tot en met 4.7, met uitzondering van artikel 4.245 anders dan voor de woonfunctie voor zorg en bepalingen over meet- of rekenmethoden.

Lid 2

Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde afdelingen, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 4.103a, 4.149a, 4.227 en 4.230 of een vergunningvoorschrift op grond van artikel 4.103a alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

Lid 4

Een maatwerkvoorschrift op initiatief van het bevoegd gezag wordt alleen gesteld over de artikelen 4.226 en 4.229.

Lid 5

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Artikel 4.6

Lid 1

In afwijking van artikel 4.5 kan een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift, als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de wet over het vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert, alleen versoepelen inhouden.

Lid 2

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift op aanvraag van degene die het bouwwerk bouwt, kan worden gesteld met het oog op andere belangen dan bedoeld in artikel 4.2, voor zover de in dat artikel bedoelde belangen zich daartegen niet verzetten.

Artikel 4.7

Een maatwerkregel kan worden gesteld over afdeling 4.5, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

Artikel 4.8

Lid 1

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de regels van de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 van toepassing, tenzij in de afdelingen 4.2 tot en met 4.7 anders is bepaald.

Lid 2

Als een als tijdelijk bouwwerk bedoeld bouwwerk na het verstrijken van de instandhoudingstermijn op de locatie aanwezig blijft, wordt dat bouwwerk voor het verstrijken van die termijn in overeenstemming gebracht met de regels van de afdelingen 4.2 tot en met 4.7.

Artikel 4.9

Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn afdeling 4.6 en de paragrafen 4.5.4, 4.5.5 en 4.5.6 niet van toepassing. Wat betreft de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van de paragrafen 3.2.3, 3.2.4, 3.3.6, 3.5.1 tot en met 3.5.3 voor een bestaand bouwwerk van toepassing. Wat betreft artikel 4.78, eerste lid, is artikel 3.59, eerste lid, voor een bestaand bouwwerk van toepassing.

Artikel 4.10

Lid 1

Op een drijvend bouwwerk zijn de paragrafen 4.5.4 tot en met 4.5.6 niet van toepassing. In plaats van de paragrafen 4.2.3, 4.2.4, 4.3.10, 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.7 zijn de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. Voor artikel 4.78, eerste lid, wordt artikel 3.59, eerste lid, gelezen.

Lid 2

In aanvulling op het eerste lid zijn op een drijvend bouwwerk zonder toegankelijkheidssector paragraaf 4.2.3, de artikelen 4.30 tot en met 4.32 en paragrafen 4.6.1 en 4.6.3 niet van toepassing.

Lid 3

Bij het bepalen van de afstand tot de perceelsgrens van een drijvend bouwwerk mag worden uitgegaan van een horizontaal gemeten afstand van 2,5 m vanuit de uitwendige scheidingsconstructie van het drijvende bouwwerk.

Lid 4

Bij toepassing van paragraaf 4.2.10 mag bij een drijvend bouwwerk voor het aansluitend terrein worden gelezen de steiger tussen het drijvende bouwwerk en de wal.

Artikel 4.10a

Het treffen van een gelijkwaardige maatregel is uitgesloten voor artikel 4.245.

Artikel 4.11

Lid 1

Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.11

gebruiksfunctie

leden van toepassing

Fundamentele

belastingscombinaties

Buitengewone

belastingscombinaties

bepalingsmethode niet

bezwijken

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.12

4.13

4.14

4.15

lid

*

1

2

1

2

3

1

2

1

Woonfunctie

a

in een woongebouw

*

1

2

1

2

1

2

b

andere woonfunctie

*

1

2

1

2

3

1

2

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

*

1

2

1

2

1

2

b

andere logiesfunctie

*

1

2

1

2

3

1

2

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

*

1

2

1

2

1

2

Artikel 4.12

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990.

Artikel 4.13

Lid 1

Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

Lid 2

Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.

Artikel 4.14

Lid 1

Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, wordt bepaald volgens:

  1. NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, als de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen;

  2. NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, als de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen;

  3. NEN-EN 1994, als de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm;

  4. NEN-EN 1995, als de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm;

  5. NEN 2608, als de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm; of

  6. NEN 6707, als de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm.

Lid 2

Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, bepaald volgens NEN-EN 1990.

Lid 3

Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

Artikel 4.15

Lid 1

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 en 4.14 van overeenkomstige toepassing.

Lid 2

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.15a

Lid 1

Een drijvend bouwwerk en een drijvend tijdelijk bouwwerk heeft voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte.

Lid 2

Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 m boven de waterlijn en niet gelegen in:

  1. een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen; of

  2. een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling;

wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.15b

Lid 1

De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt.

Lid 2

De loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, is bepaald volgens NEN 2778 ten minste:

  1. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1;

  2. 0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam zonder holle ruimte;

  3. 150 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een of meer holle ruimten.

Lid 3

Als de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm.

Lid 4

De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden.

Tabel 4.15b.1 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebied I (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd)

Waterdiepte (m)

Strijklengte (m)

30

50

75

100

150

200

500

700

1.000

1.500

2

250

310

370

420

490

490

630

680

730

780

2.5

250

310

370

420

490

560

680

740

800

870

3

250

310

370

420

490

560

700

780

850

940

3.5

250

310

370

420

490

560

820

810

890

990

4

250

310

370

420

490

560

820

830

920

1.030

4.5

250

310

370

420

490

560

820

940

950

1.060

5

250

310

370

420

490

560

820

940

1.090

1.090

5.5

250

310

370

420

490

560

820

940

1.090

1.110

6

250

310

370

420

490

560

820

940

1.090

1.300

6.5

250

310

370

420

490

560

820

940

1.090

1.300

Tabel 4.15b.2 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebieden II en III (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd)

Waterdiepte (m)

Strijklengte (m)

30

50

75

100

150

200

500

700

1.000

1.500

2

230

290

340

390

460

460

600

650

700

750

2.5

230

290

340

390

460

520

640

700

760

830

3

230

290

340

390

460

520

670

740

810

890

3.5

230

290

340

390

460

520

760

760

850

940

4

230

290

340

390

460

520

760

880

870

980

4.5

230

290

340

390

460

520

760

880

890

1.010

5

230

290

340

390

460

520

760

880

1.020

1.030

5.5

230

290

340

390

460

520

760

880

1.020

1.050

6

230

290

340

390

460

520

760

880

1.020

1.210

6.5

230

290

340

390

460

520

760

880

1.020

1.210

Artikel 4.15c

Lid 1

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, eerste lid, wordt bepaald op basis van:

  1. de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;

  2. de blijvende belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:

    1. scheidingswanden;

    2. permanent aanwezige installatie;

    3. het trimgewicht; en

  3. de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:

    1. geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer; en

    2. op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht.

Lid 2

De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, tweede en derde lid, wordt bepaald op basis van:

  1. de meest ongunstige belastingscombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;

  2. de blijvende belasting volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:

    1. scheidingswanden;

    2. permanent aanwezige installaties;

    3. het trimgewicht; en

  3. de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:

    1. de opgelegde belasting, als deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen;

    2. de opgelegde belasting, als deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd; en

    3. belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 4.15b.1 en 4.15b.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m.

Lid 3

De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als:

  1. de scheefstand van het drijvend bouwwerk bij oplevering niet groter is dan 0,5 graden;

  2. het een drijvend bouwwerk betreft met een drijflichaam met holle ruimte beschikt over een waterniveau-alarm; en

  3. het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft met een drijflichaam met holle ruimte, waarbij het drijflichaam bestaat uit ten minste twee gescheiden compartimenten en het drijvend bouwwerk beschikt over een automatische pomp die binnendringend water direct afvoert in ieder compartiment.

Artikel 4.15d

Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

  1. de belastingen die op het drijflichaam worden uitgeoefend als gevolg van de belastingcombinaties, bedoeld in artikel 4.15c, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a;

  2. de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de volgende belastingen, zonder rekening te houden met het gelijktijdig plaatsvinden van die belastingen, zijn meegenomen als veranderlijke belasting:

    1. de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997;

    2. voor zover het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft de verticale belasting door golven tegen de onderkant van het drijflichaam, uitgaande van golven met een significante golfhoogte die is bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, voor zover deze golven hoger zijn dan 0,5 m; en

  3. de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.13, waarbij het drijflichaam niet zodanig mag bezwijken dat het drijvend bouwwerk zinkt. Dit geldt niet voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 met niet meer dan twee bouwlagen.

Artikel 4.15e

Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

  1. de belastingen die op de aanmeerconstructies worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.15c, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a; en

  2. de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 is meegenomen als veranderlijke belasting.

Artikel 4.16

Lid 1

Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.16

gebruiksfunctie

leden van toepassing

tijdsduur

niet-bezwijken

bepalingsmethode

niet-bezwijken

artikel

4.17

4.18

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

1

Woonfunctie

1

2

3

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang met bedgebied

1

5

6

1

2

b

andere bijeenkomstfunctie

1

4

6

1

2

3

Celfunctie

1

5

6

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

5

6

1

2

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

4

6

1

2

5

Industriefunctie

1

4

6

1

2

6

Kantoorfunctie

1

4

6

1

2

7

Logiesfunctie

1

5

6

1

2

8

Onderwijsfunctie

1

4

6

1

2

9

Sportfunctie

1

4

6

1

2

10

Winkelfunctie

1

4

6

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor personenvervoer

1

4

6

1

2

b

voor het stallen van motorvoertuigen

1

4

6

1

2

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

7

1

2

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

8

1

2

Artikel 4.17

Lid 1

Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175.

Lid 2

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

Tabel 4.17a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

woonfunctie

tijdsduur in minuten

Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau

60

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

90

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

120

Lid 3

In afwijking van het tweede lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

Lid 4

Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Lid 5

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17b aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Tabel 4.17b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

gebruiksfunctie maar geen woonfunctie

tijdsduur in minuten

Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau

60

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

90

Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

120

Lid 6

In afwijking van het vierde en vijfde lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.

Lid 7

Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.

Lid 8

Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 4.18

Lid 1

Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.

Lid 2

De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:

  1. NEN-EN 1992;

  2. NEN-EN 1993;

  3. NEN-EN 1994;

  4. NEN-EN 1995;

  5. NEN-EN 1996;

  6. NEN-EN 1999; of

  7. NEN 6069.

Artikel 4.19

Lid 1

Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.19 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.19

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aanwezigheid

hoogte

openingen

voorkomen overklauteren

openingen

artikel

4.20

4.21

4.22

4.23

4.22

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

1

2

1

[m]

1

Woonfunctie

1

2

3

4

1

2

3

5

1

2

3

4

1

0,2

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

4

1

2

3

5

1

2

3

4

1

0,1

b

andere kinderopvang

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

1

0,2

c

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

3

Celfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,3

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

5

Industriefunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

3

4

0,5

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

8

Onderwijsfunctie

a

voor basisonderwijs

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

1

0,2

b

andere onderwijsfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

9

Sportfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

10

Winkelfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

4

5

1

2

3

5

1

2

3

4

5

1

2

0,5

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

voor langzaam verkeer

1

2

3

4

5

1

2

3

5

6

1

3

4

0,5

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

3

4

0,5

Artikel 4.20

Lid 1

Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet-beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Lid 2

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

Lid 3

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.

Lid 4

Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

  1. een trap; en

  2. een hellingbaan.

Lid 5

Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

  1. een rand van een podium;

  2. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;

  3. een rand van een laadvloer;

  4. een rand van een perron; en

  5. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 4.21

Lid 1

Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.

Lid 5

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Lid 6

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een vloer waarvan de vloerafscheiding direct is gelegen naast een pad of strook bedoeld voor langzaam verkeer, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,3 m, gemeten vanaf de vloer.

Artikel 4.22

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 4.19 aangegeven diameter.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer of een tredevlak geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.

Lid 3

De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 is niet groter dan 0,05 m.

Lid 4

De bovenregel van een in artikel 4.20 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.

Lid 5

Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Artikel 4.23

Lid 1

Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Artikel 4.24

Lid 1

Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.24

gebruiksfunctie

leden van toepassing

voorziening bij hoogteverschil

afmetingen trap

markering trap

trapbordes

leuning

regenwerend

afmetingen hellingbaan

hellinbaanbordes

geleiderand

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.25

4.26

4.26a

4.27

4.28

4.29

4.30

4.31

4.32

4.33

lid

1

2

1

2

*

*

1

2

*

*

*

*

*

1

Woonfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

1

2

*

1

*

*

*

*

b.

andere kinderopvang

1

1

2

*

1

*

*

*

*

c.

voor alcoholgebruik

1

1

2

*

*

1

2

*

*

*

*

d.

voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek, of voor theater

1

1

2

*

*

1

2

*

*

*

*

c.

andere bijeenkomstfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

3

Celfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

1

2

*

*

1

2

*

*

*

*

5

Industriefunctie

1

1

*

1

*

*

*

*

6

Kantoorfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

7

Logiesfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

a.

voor basisonderwijs

1

1

2

*

1

*

*

*

*

b.

andere onderwijsfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

9

Sportfunctie

1

1

2

*

1

*

*

*

*

10

Winkelfunctie

1

1

2

*

*

1

2

*

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

1

*

1

*

*

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

tunnel of tunnelvorming bouwwerk voor verkeer

1

2

1

*

1

*

*

*

*

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

1

*

1

*

*

*

*

Artikel 4.25

Lid 1

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:

  1. vloeren waarover een vluchtroute voert;

  2. vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten;

  3. vloeren voor bezoekers; en

  4. vloeren van een verkeersroute die deze vloeren met elkaar verbindt.

Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.

Lid 2

Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 4.26

Lid 1

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 aangegeven afmetingen.

Lid 2

Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.

Tabel 4.26 Afmetingen trap

reguliere trap

trap uitsluitend voor ontvluchten

woonfunctie

andere gebruiksfunctie

alle gebruiksfuncties

Minimum breedte van de trap

0,8 m

0,8 m

0,8 m

Minimum vrije hoogte boven de trap

2,3 m

2,1 m

2,1 m

Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,22 m

0,185 m

0,185 m

Maximum hoogte van een optrede

0,188 m

0,21 m

0,21 m

Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,05 m

0,05 m

0,05 m

Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,23 m

0,23 m

0,23 m

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,3 m

0,3 m

0,3 m

Artikel 4.26a

Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast.

Artikel 4.27

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.

Artikel 4.28

Lid 1

Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.

Lid 2

Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt.

Artikel 4.29

Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.

Artikel 4.30

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:

  1. 1 : 6 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,05 m;

  2. 1 : 10 als het hoogteverschil groter is dan 0,05 m, maar niet groter dan 0,10 m;

  3. 1 : 12 als het hoogteverschil groter is dan 0,10 m, maar niet groter dan 0,25 m;

  4. 1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m; en

  5. 1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.

Artikel 4.31

Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Dit geldt niet als het hoogteverschil van de hellingbaan kleiner is dan 0,03 m.

Artikel 4.32

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.

Artikel 4.33

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.

Artikel 4.34

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.35

Lid 1

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.

Lid 2

Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit is niet van toepassing op een nooddeur.

Lid 3

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

Artikel 4.36

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.35, tweede en derde lid, van toepassing.

Artikel 4.37

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.38

Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, als:

  1. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of

  2. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

Artikel 4.39

Lid 1

Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  1. een schacht die alleen is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert;

  2. ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde; en

  3. het materiaal van een constructie- of bouwwerkinstallatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.

Artikel 4.40

Een voorziening voor de afvoer van rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.

Artikel 4.41

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing.

Artikel 4.42

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.42

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

zijde grenzend aan de

bovenzijde

elektrische leidingen

pijpisolatie

binnenlucht

buitenlucht

binnenoppervlak

buitenoppervlak

beloopbaar vlak

kabels en pijpisolatie

vrijgesteld

dakoppervlak

tijdelijke bouw

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overig

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overig

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overig

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overige

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overige

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overige

extra beschermde vluchtroute

beschermde vluchtroute

overige

artikel

4.43

4.44

4.45

4.45a

4.46

4.47

4.48

4.43

4.44

4.45

4.45a

4.45a

4.45a

4.45a

lid

1

2

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

3

1

2

*

1 en 2

1

1 en 2

1b

3

2b

4

[brandklasse]

[brandklasse]

[brandklasse]

[brandklasse]

[brandklasse]

[brandklasse]

[brandklasse]

1

Woonfunctie

a

in een woongebouw

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

B

D

C

C

D

Cfl

Cfl

Dfl

B2ca

B2ca

Dca

B2ca

Cca

Dca

Bl

Bl

Dl

Cl

Cl

Dl

b

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

1

*

B

B

D

C

C

D

Cfl

Cfl

Dfl

B2ca

B2ca

Dca

B2ca

B2ca

Dca

Bl

Bl

Dl

Cl

Cl

Dl

c

andere woonfunctie

1

3

1

2

4

5

1

2

1

2

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

1

*

B

B

D

C

C

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

B2ca

Dca

B2ca

B2ca

Dca

Bl

Bl

Dl

Cl

Cl

Dl

b

andere bijeenkomstfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

3

Celfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

1

*

B

B

C

B

B

D

Cfl

Cfl

Cfl

B2ca

B2ca

Cca

B2ca

B2ca

Dca

Bl

Bl

Cl

Bl

Bl

Dl

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

1

*

B

B

D

C

C

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

B2ca

Dca

B2ca

B2ca

Dca

Bl

Bl

Dl

Cl

Cl

Dl

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

1

*

B

B

B

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

B2ca

B2ca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Bl

Bl

Cl

Dl

Dl

b

andere industriefunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

6

Kantoorfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

7

Logiesfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

B

D

C

C

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

B2ca

Dca

B2ca

B2ca

Dca

Bl

Bl

Dl

Cl

Cl

Dl

8

Onderwijsfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

9

Sportfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

10

Winkelfunctie

1

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

1

2

1

2

*

B

D

D

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Dl

Dl

Cl

Dl

Dl

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

1

3

1

2

4

5

1

2

1

2

3

4

3

1

2

*

B

B

B

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

B2ca

B2ca

B2ca

Dca

Dca

Bl

Bl

Bl

Cl

Dl

Dl

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

4

5

1

2

1

2

3

4

3

1

2

*

C

D

D

Cfl

Dfl

Dfl

B2ca

Dca

Dca

Cl

Dl

Dl

Artikel 4.43

Lid 1

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid geldt de eis aan de rookklasse alleen bij een beschermde vluchtroute.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:

  1. een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en

  2. een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte;

aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.44

Lid 1

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 3

Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 4

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Lid 5

In afwijking van het eerste tot en met derde lid voldoet een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.45

Lid 1

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl en de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

In afwijking van de artikel 4.44 geldt voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.45a

Lid 1

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht:

  1. in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(ca) en in overige ruimten rookklasse s2(ca), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-6; en

  2. de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6.

Lid 2

In afwijking van artikel 4.43 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht:

  1. in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(L) en in overige ruimten rookklasse s2(L), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

  2. de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 3

In afwijking van artikel 4.44 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6.

Lid 4

In afwijking van artikel 4.44 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 4.46

Lid 1

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Lid 2

Op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waardoor geen beschermde vluchtroute voert, zijn de in de artikelen 4.43 en 4.45a, eerste en tweede lid, bedoelde eisen aan de rookklasse niet van toepassing.

Lid 3

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Artikel 4.47

Lid 1

De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet als het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen. Als het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2.

Artikel 4.48

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.44, derde lid, en 4.47 van toepassing.

Artikel 4.49

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

  1. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en

  2. geen gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.49 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.49

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

brandcompartiment: ligging

brandcompartiment: omvang

opvangcompartiment

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode

tijdelijk bouwwerk

omvang

artikel

4.50

4.51

4.52

4.53

4.54

4.55

4.51

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

1

2

3

4

*

1

1

Woonfunctie

[m2]

a

woonwagen

1

2

4

2

8

9

1

2

3

4

b

andere woonfunctie

1

2

4

1

3

5

6

7

1

2

3

7

1

2

3

*

1.000

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

4

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

3

Celfunctie

1

2

4

1

3

7

1

1

1

2

3

*

1.000

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

4

1

3

7

2

1

1

2

3

*

1.000

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

4

1

3

7

1

4

7

1

2

3

*

1.000

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

1

2

4

5

6

7

8

1

3

1

4

5

7

1

2

3

*

2.500

b

lichte industriefunctie voor het houden van dieren

1

4

5

6

7

1

3

9

1

4

5

6

7

10

1

2

3

*

2.500

c

andere industriefunctie

1

2

4

5

6

1

3

1

4

5

7

1

2

3

*

2.500

6

Kantoorfunctie

1

2

4

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

7

Logiesfunctie

1

2

4

1

3

7

1

4

7

1

2

3

*

500

8

Onderwijsfunctie

1

2

4

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

9

Sportfunctie

1

2

4

1

3

7

1

4

7

1

2

3

*

1.000

10

Winkelfunctie

1

2

4

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het stallen van motorvoertuigen

1

2

4

5

7

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

b

andere overige gebruiksfunctie

1

2

4

5

6

7

1

3

7

8

1

4

7

1

2

3

*

1.000

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

Wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

3

4

4

1

1

2

3

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.50

Lid 1

Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.

Lid 2

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  1. een toiletruimte;

  2. een badruimte;

  3. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

  4. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.

Lid 3

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

Lid 5

Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

Lid 6

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Lid 7

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2. Deze uitzondering geldt niet als het bouwwerk aan een of meer andere bouwwerken grenst en de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2.

Lid 8

Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting niet groter dan 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 4.51

Lid 1

Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 4.49 aangegeven oppervlakte, of een grotere gebruiksoppervlakte als dat niet tot een lager veiligheidsniveau leidt, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079.

Lid 2

In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

Lid 3

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

Lid 4

Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

Lid 5

In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

Lid 6

In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

Lid 7

Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

Lid 8

Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

Lid 9

Een technische ruimte is een afzonderlijk brandcompartiment.

Artikel 4.52

Lid 1

De gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden is ten hoogste 500 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

Lid 2

Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 4.53

Lid 1

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet-besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift of van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw is ten minste 60 minuten.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert worden volstaan met 30 minuten.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

  1. de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2; en

  2. in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:

  1. de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde bouwwerkperceel liggen; en

  2. in het gebouw geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau.

Lid 5

Het vierde lid is niet van toepassing op een brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2.

Lid 6

Het vierde lid is niet van toepassing op een technische ruimte.

Lid 7

Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert.

Lid 8

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten.

Lid 9

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

Lid 10

In afwijking van het eerste lid geldt geen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.

Artikel 4.54

Lid 1

De in artikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

Lid 2

Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de bouwwerkperceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

  1. een openbare weg;

  2. openbaar water;

  3. openbaar groen; of

  4. een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen;

vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

Lid 3

In aanvulling op het tweede lid is het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw in de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet groter dan het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment.

Lid 4

Bij het bepalen van de in artikel 4.53, achtste lid, bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

Artikel 4.55

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 en 4.51 van toepassing en is artikel 4.53 van overeenkomstige toepassing waarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten is.

Artikel 4.56

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 4.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.56 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.56

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

subbrandcompartiment: ligging

beschermd

subbrandcompartiment:

ligging

beschermd subbrandcompartiment:

omvang

weerstand tegen branddoorslag

en brandoverslag

subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang

beschermd

subbrandcompartiment: weerstand

tegen rookdoorgang

tijdelijk bouwwerk

beschermd

subbrandcompartiment: omvang

artikel

4.57

4.58

4.59

4.60

4.61

4.62

4.63

4.59

lid

1

2

3

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

1

2

3

4

1

2

3

4

*

1

1

Woonfunctie

a

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

2

3

1

1

2

1

2

1

2

3

4

1

2

4

*

100

b

woonwagen

1

2

2

1

2

3

4

1

4

*

c

andere woonfunctie

1

2

3

1

1

1

2

1

2

3

4

1

3

4

*

500

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang met bedgebied

1

2

3

2

1

3

8

1

2

1

2

3

4

1

3

4

*

200

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

3

Celfunctie

1

2

3

3

1

4

1

2

1

2

3

4

1

2

4

*

500

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

3

2

5

6

1

2

1

2

3

4

1

2

4

*

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

5

Industriefunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

1

7

8

1

2

1

2

3

4

1

3

4

*

500

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

9

Sportfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

10

Winkelfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

3

2

1

2

3

4

1

4

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.57

Lid 1

Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Lid 2

Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

  1. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die de artikelen 4.43 en 4.45a, eerste en tweede lid, stellen aan constuctieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert; en

  2. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.

Artikel 4.58

Lid 1

Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 2

Een bedgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 3

Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Lid 4

Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 4.59

Lid 1

Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 4.56 aangegeven oppervlakte.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is een gezamenlijke verblijfsruimte een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

Lid 3

Een beschermd subbrandcompartiment met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied omvat niet meer dan die gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

Lid 4

Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

Lid 5

Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.

Lid 6

Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 zonder bewaking en ten hoogste 500 m2 bij permanente bewaking.

Lid 7

Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

Lid 8

Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 4.60

Lid 1

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 30 minuten.

Lid 2

De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid vande scheidende functie van een scheidingsconstructie alleen rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid van de afdichting.

Artikel 4.61

Lid 1

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.

Lid 2

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

Lid 3

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Lid 4

De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en naar een liftschacht als bedoeld in artikel 4.53, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.62

Lid 1

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Lid 2

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Lid 3

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.

Lid 4

De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.63

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.60, tweede lid, 4.61 en 4.62 van toepassing.

Artikel 4.64

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.64 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.64

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

vluchtroute

vluchten naar de uitgang van een

subbrandcompartiment

uitgang van een beschermd

subbrandcompartiment

beschermde vluchtroute

extra beschermde vluchtroute

veiligheidsvluchtroute

tweede vluchtroute

tijdelijk bouwwerk

vluchten naar de uitgang van een

subbrandcompartiment

extra beschermde vluchtroute

artikel

4.65

4.66

4.67

4.68

4.69

4.70

4.71

4.72

4.66

4.69

lid

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

7

*

1

2

3

1

2

3

4

5

6

7

1

2

1

2

3

4

5

*

1 en 2

6

[m]

[m]

1

Woonfunctie

a

woonwagen

1

1

*

30

b

andere woonfunctie

1

2

1

1

2

3

4

7

1

2

3

4

5

*

30

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang met bedgebied

1

2

1

2

6

1

6

7

1

1

2

3

4

*

30

5

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

1

2

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

3

Celfunctie

2

1

2

3

6

7

*

1

6

7

1

1

2

3

4

*

22,5

22,5

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

1

2

3

6

*

1

6

7

1

1

2

3

4

*

30

20

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

1

2

3

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

5

Industriefunctie

1

2

1

2

3

4

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

6

Kantoorfunctie

1

2

1

2

3

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

7

Logiesfunctie

1

2

1

2

6

7

1

6

7

1

2

1

2

3

4

*

30

20

8

Onderwijsfunctie

1

2

1

2

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

15

9

Sportfunctie

1

2

1

2

3

4

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

10

Winkelfunctie

1

2

1

2

3

4

6

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

1

2

3

4

7

1

2

5

6

7

1

1

2

3

4

*

30

30

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

3

5

3

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

4

Artikel 4.65

Lid 1

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

Lid 2

Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

Lid 3

Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

Lid 4

Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 4.66

Lid 1

De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 45 m.

Lid 4

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 30 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 60 m.

Lid 5

De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

Lid 6

Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.

Lid 7

Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 150 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt. De onderlinge afstand tussen de uitgangen is ten minste 5 m.

Artikel 4.67

Ten minste een uitgang van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 4.58, tweede en derde lid:

  1. is de uitgang van het subbrandcompartiment waarin het beschermde subbrandcompartiment ligt; of

  2. is een uitgang waarbij een vluchtroute begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een uitgang van het subbrandcompartiment voert.

Artikel 4.68

Lid 1

Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 2

Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een loopafstand niet groter dan 30 m vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.

Lid 3

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een andere wegtunnelbuis voert dan de wegtunnelbuis waar de vluchtroute begint.

Artikel 4.69

Lid 1

Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 2

De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.

Lid 3

De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet door een trappenhuis.

Lid 4

Het tweede en derde lid gelden niet als de route door een trappenhuis voert, de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties rechtstreeks aan het trappenhuis grenzen, op die route alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan zijn aangewezen, en de uitgang van het trappenhuis rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein en:

  1. er niet meer dan zes woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis en geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau; of

  2. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan die voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis:

    1. ten hoogste 800 m2 is;

    2. geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau; en

    3. geen van die woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2.

Lid 5

Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 6

In een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende terrein niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.

Lid 7

Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 4.70

Lid 1

Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Lid 2

Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een veiligheidsvluchtroute.

Artikel 4.71

Lid 1

Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 4.68, 4.69, eerste tot en met zesde lid, en 4.70 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

Lid 2

Buiten het brandcompartiment waarin de in het eerste lid bedoelde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

  1. die ruimte aan die uitgang van het subbrandcompartiment grenst;

  2. de vluchtroutes in die ruimte beschermde vluchtroutes en voor zover deze buiten een brandcompartiment liggen extra beschermde vluchtroutes zijn;

  3. de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is als de ruimte besloten is; en

  4. de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is.

Lid 5

De in het vierde lid bedoelde veiligheidsvluchtroute voert alleen door een trappenhuis.

Artikel 4.72

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.65 tot en met 4.71 van toepassing.

Artikel 4.73

Lid 1

Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.73 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.73

gebruiksfunctie

leden van toepassing

inrichting vluchtroute: rookdoorgang

wrd

inrichting vluchtroute:

wbdbo

inrichting vluchtroute:

permanente vuurlast

rooksluis

voorportaal lift

vrije doorgang

van een vluchtroute

vluchtroute door niet besloten ruimte

doorstroomcapaciteit

zonder opvangcapaciteit

doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.74

4.75

4.76

4.77

4.77a

4.78

4.79

4.80

4.81

4.82

lid

1

2

3

4

5

*

1

2

1

2

1

2

1

2

3

4

*

1

2

1

2

3

4

5

*

1

Woonfunctie

a

woonwagen

1

*

*

b

andere woonfunctie

1

2

3

4

5

*

1

2

1

2

1

2

1

3

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang met bedgebied

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

5

*

3

Celfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

3

4

5

*

2

1

1

4

*

1

1

2

3

4

*

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

5

Industriefunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

9

Sportfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

10

Winkelfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

4

5

*

2

1

1

*

1

1

2

3

4

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

*

1

2

*

2

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

*

2

Artikel 4.74

Lid 1

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

Lid 2

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Lid 3

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.

Lid 4

De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitend besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Lid 5

De weerstand tegen rookdoorgang tussen de twee ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.

Artikel 4.75

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.

Artikel 4.76

Lid 1

Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een beschermde of een extra beschermde vluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en het trappenhuis ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit is niet van toepassing op een trappenhuis als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid.

Lid 2

Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en de ruimte waardoor de veiligheidsvluchtroute voert ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068.

Artikel 4.77

Lid 1

Een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting alleen bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een loopafstand van ten minste 2 m.

Lid 2

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.

Artikel 4.77a

Lid 1

Een lifttoegang van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw grenst aan een extra beschermde vluchtroute.

Lid 2

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.

Artikel 4.78

Lid 1

Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute over een trap voert.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een beschermde vluchtroute, voor zover deze niet door een uitgang of over een trap voert, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m.

Lid 3

Als op een trap in totaal meer dan 600 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, is de breedte van de trap ten minste 1,2 m.

Lid 4

Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze route voert niet over een trap of via een liftkooi.

Artikel 4.79

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte bij brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

Artikel 4.80

Lid 1

De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:

  1. 45 personen per meter vrije breedte van een trap bij het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 m, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;

  2. 90 personen per meter vrije breedte van een ruimte;

  3. 90 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;

  4. 110 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden; en

  5. 135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.

Lid 2

De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.

Artikel 4.81

Lid 1

Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan van artikel 4.80 worden afgeweken als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen:

  1. 30 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is;

  2. 20 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een extra beschermde vluchtroute is die in de vluchtrichting alleen wordt bereikt door een afzonderlijke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert met een lengte van ten minste 2 m; of

  3. 15 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een andere vluchtroute is.

Lid 2

De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten kan worden verlaten.

Lid 3

De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat elke ruimte, maar geen trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment:

  1. binnen 3,5 minuten na aanvang van het vluchten kan worden verlaten; of

  2. binnen 6 minuten als:

    1. de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag of brandoverslag naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment ten minste 30 minuten is; en

    2. de volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment, of vanuit elke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert die in de vluchtrichting uitkomt in deze ruimte, R200 is.

Lid 4

Bij toepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten:

  1. berekeningen worden uitgevoerd in tijdstappen van 30 seconden;

  2. bij het begin van het vluchten wordt aangenomen dat alle personen in het subbrandcompartiment zich nabij de uitgangen van dat compartiment bevinden en tegelijkertijd beginnen te vluchten;

  3. vluchtroutes worden tijdens het vluchten alleen in een richting benut;

  4. door doorgangen en over trappen voeren de vluchtroutes niet in tegenovergestelde richting;

  5. bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit op de volgende wijze verdeeld:

    1. bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis. De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die bouwlaag tot het trappenhuis;

    2. bij samenkomst in een ruimte, maar geen trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte; en

    3. als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder 1° en 2° beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis;

  6. het hoogteverschil tussen bouwlagen in het trappenhuis is ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m;

  7. de daalsnelheid is 30 seconden per bouwlaag voor zover de vluchtroute over een trap of door een trappenhuis voert;

  8. de opvangcapaciteit van een trap is 0,5 persoon per trede, voor zover de breedte van de trap niet groter is dan 1,1 m;

  9. de opvangcapaciteit van een trap is 0,9 persoon per trede per m breedte van die trede, voor zover de breedte van de trap groter is dan 1,1 m en de breedte van het tredevlak groter is dan 0,17 m;

  10. de opvangcapaciteit van een vloer of hellingbaan is ten hoogste vier personen per m2 vrije vloeroppervlakte;

  11. het gestelde in artikel 4.80, waarbij voor «personen» wordt gelezen: personen per minuut;

  12. het gestelde in artikel 4.216, derde lid, waarbij voor «37 personen» wordt gelezen: 37 personen per minuut;

  13. in afwijking van onderdeel l geldt het gestelde in artikel 4.216, derde lid, onverkort als in de ruimte voor de deur tijdens een tijdstap meer dan 37 personen aanwezig zijn;

  14. brand ontstaat niet op twee of meer plaatsen tegelijk;

  15. in ieder subbrandcompartiment kan brand ontstaan; en

  16. de opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes die door het bedreigde subbrandcompartiment voeren blijven buiten beschouwing.

Lid 5

Bij toepassing van het vierde lid, onder j, geldt voor een bijeenkomstfunctie een opvangcapaciteit van ten hoogste twee personen per m2 vrije vloeroppervlakte als bij een tijdstap als bedoeld in het vierde lid, onder a, in een ruimte als bedoeld in het derde lid meer dan 200 personen aanwezig zijn en die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten kan worden verlaten.

Artikel 4.82

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.80 en 4.81 van toepassing.

Artikel 4.83

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.83

gebruiksfunctie

leden van toepassing

brandweerlift

loopafstand

hulppost

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.84

4.85

4.86

4.87

lid

1

2

1

2

*

*

1

Woonfunctie

1

2

1

2

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

1

2

*

3

Celfunctie

1

1

2

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

1

2

*

5

Industriefunctie

1

1

2

*

6

Kantoorfunctie

1

1

2

*

7

Logiesfunctie

1

1

2

*

8

Onderwijsfunctie

1

1

2

*

9

Sportfunctie

1

1

2

*

10

Winkelfunctie

1

1

2

*

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

*

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.84

Lid 1

Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute.

Lid 2

Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde extra beschermde vluchtroute voor zover die voert door een ruimte die rechtstreeks grenst aan de lifttoegang.

Artikel 4.85

Lid 1

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.

Lid 2

De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een lifttoegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.

Artikel 4.86

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

Artikel 4.87

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.84 en 4.85 van toepassing.

Artikel 4.88

Lid 1

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zodanig ingericht dat het bouwwerk brandveilig is.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.89

Lid 1

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt:

  1. is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12; of

  2. voldoet aan de SBRCURnet Handreiking – Brandveiligheid in hoge gebouwen.

Lid 2

Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12.

Artikel 4.90

Lid 1

Een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.90 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

tabel 4.90

gebruiksfunctie

leden van toepassing

brandwerendheid

brandklasse gevel en vloeren

brandklasse dak

Vluchtroute

Sterkte bij brand

scherfwerking

artikel

4.91

4.92

4.93

4.94

4.95

4.96

lid

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

1

Woonfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

3

Celfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

6

Kantoorfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

7

Logiesfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

8

Onderwijsfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

9

Sportfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

10

Winkelfunctie

*

1

2

3

4

1

2

1

2

3

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.91

Een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment heeft voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt een brandwerendheid van buiten naar binnen van ten minste 60 minuten, bepaald volgens NEN 6069. Bij het bepalen van de brandwerendheid wordt het in het brandvoorschriftengebied gelegen aansluitende terrein aangemerkt als een brandcompartiment en wordt uitgegaan van de in NEN-EN 13501-2 bedoelde buitenbrandkromme.

Artikel 4.92

Lid 1

Een aan de buitenlucht grenzende zijde van een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment voldoet, voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt, aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid voldoet een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 3

Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen in elk vlak van de uitwendige scheidingsconstructie met een afmeting van 3 m bij 3 m, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

Lid 4

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 4.93

Lid 1

Een dak van een brandcompartiment is, voor zover dat dak in een brandvoorschriftengebied ligt, bedekt met constructieonderdelen waarvan de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Lid 2

Op ten hoogste 5% van de oppervlakte van het dak is de eis van het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 4.94

Lid 1

In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een gedeeltelijk in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk is geen in het brandvoorschriftengebied gelegen doorgang waardoor een vluchtroute voert aanwezig.

Lid 2

In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een volledig in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voert een vluchtroute door een van het hart van het voorschriftengebied afgekeerde doorgang.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een in meer dan één brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voor elk brandvoorschriftengebied een vluchtroute door een uitgang van het bouwwerk die niet grenst aan een brandvoorschriftengebied of die is afgekeerd van het voorschriftengebied.

Artikel 4.95

Voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat is gelegen in een brandvoorschriftengebied, zijn de regels van paragraaf 4.2.2 van overeenkomstige toepassing waarbij een in een brandvoorschriftengebied gelegen buitenruimte een brandcompartiment is en wordt uitgegaan van een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.

Artikel 4.96

In een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing is zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen.

Artikel 4.97

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.98

Lid 1

Een buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnel voor twee rijrichtingen heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.

Lid 2

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.

Lid 3

Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.

Artikel 4.99

Lid 1

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie van een woonwagen, biedt weerstand tegen inbraak.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.100

Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm bedoelde weerstandsklasse 2.

Artikel 4.101

Lid 1

Een bouwwerk biedt in een verblijfsgebied bescherming tegen geluid van buiten.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.101 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.101

gebruiksfunctie

leden van toepassing

bescherming tegen geluid van

buiten

geluidwering bij weg-, spoorweg-

of industriegeluid of geluid door

activiteiten

afbakening

maatwerkvoorschriften

geluidwering

niet-geluidgevoelige gevel

overgangsrecht: Wet

geluidhinder

geluidwering bij luchtvaartlawaai

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.102

4.103

4.103a

4.103b

4.103c

4.104

4.105

lid

*

1

2

3

*

1

2

1

2

1

2

3

4

*

1

Woonfunctie

a

woonwagen

*

1

2

b

andere woonfunctie

*

1

2

3

*

1

2

1

2

1

2

3

4

*

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

*

1

2

3

*

1

2

1

2

1

2

3

4

*

b

andere bijeenkomstfunctie

3

Celfunctie

4

Gezondheidszorgfunctie

*

1

2

3

*

1

2

1

2

1

2

3

4

*

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

7

Logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

*

1

2

3

*

1

2

1

2

1

2

3

4

*

9

Sportfunctie

10

Winkelfunctie

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.102

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van ten minste 20 dB.

Artikel 4.103

Lid 1

De volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is:

  1. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 33 dB; en

  2. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegestane geluid door activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 35 dB(A), tenzij dit geluid is betrokken bij het bepalen van het gezamenlijke geluid, bedoeld onder a.

Lid 2

Op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en tweede lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en tweede lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.103a

Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.103, eerste lid, kan alleen inhouden dat het gezamenlijke geluid opnieuw wordt bepaald.

Artikel 4.103b

Lid 1

Bij een niet-geluidgevoelige gevel als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij de toepassing van artikel 4.103, eerste lid, aanhef en onder a, uitgegaan van het gezamenlijke geluid op die gevel, verhoogd met 3 dB.

Lid 2

Bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving:

  1. bevat de uitwendige scheidingsconstructie van die gevel geen te openen delen anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

  2. worden aan het gebouw zodanige bouwkundige maatregelen getroffen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte niet hoger is dan de grenswaarden, bedoeld in artikel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.103c

Lid 1

Als de regels voor het bouwwerk deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of voorschriften voor het bouwwerk zijn gesteld in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet, is artikel 4.103b, tweede lid, onder a, van overeenkomstige toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.

Lid 2

Als voor een bouwwerk in het geluidaandachtsgebied, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van een weg, spoorweg of industrieterrein het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 4.103, eerste lid, onder a, niet is bepaald in een van de in dat onderdeel genoemde besluiten, wordt het gezamenlijke geluid voor een verblijfsgebied berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels op basis van:

  1. de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting die op grond van artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de wet, waarbij voor wegen de gehanteerde aftrek op basis van artikel 110g van de Wet geluidhinder wordt opgeteld; of

  2. in gevallen, bedoeld in het eerste lid, de geluidbelasting die ten grondslag ligt aan het omgevingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in dat lid; en

  3. het geluid van luchtvaart, als dat is opgenomen in het geluidregister, bedoeld in artikel 11.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.104

Lid 1

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart vastgestelde Ke-geluidzone bij een militaire luchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die niet kleiner is dan het in tabel 4.104 aangegeven geluidniveau. Als de geluidbelasting ligt tussen de in de eerste kolom opgenomen Ke-waarden, wordt de te bereiken geluidwering bepaald door rechtevenredige interpolatie tussen de in de tweede kolom opgenomen dB-waarden.

Tabel 4.104 geluidwering bij luchtvaartlawaai

geluidbelasting in Ke

vereiste karakteristieke geluidwering in dB

36–40

30–33

41–45

33–36

46–50

36–40

meer dan 50

40

Lid 2

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied van een gebruiksfunctie in een voor de luchthaven Schiphol op de kaarten in bijlage 3B, nummer 4, van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol aangewezen gebied of een krachtens de Wet luchtvaart vastgesteld 56 dB(A) Lden beperkingengebied of een vastgestelde 35 Ke-geluidzone bij een burgerluchthaven heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering waarmee het karakteristiek geluidniveau in het verblijfsgebied ten hoogste 33 dB is. Daarbij wordt uitgegaan van de krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart bepaalde geluidbelasting op de uitwendige scheidingsconstructie.

Lid 3

Op een inwendige scheidingsconstructie van een gebied als bedoeld in het eerste en tweede lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste en tweede lid van toepassing zijn, zijn deze leden van overeenkomstige toepassing.

Lid 4

Een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de karakteristieke geluidwering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.

Artikel 4.105

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.102 tot en met 4.104 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB of dB(A) lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

Artikel 4.106

Lid 1

Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.106 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.106

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aangrenzend bouwwerkperceel

zelfde bouwwerkperceel

tijdelijk bouwwerk

zelfde bouwwerkperceel

artikel

4.107

4.108

4.109

4.108

lid

1

2

1

2

3

*

2

[dB]

1

Woonfunctie

1

2

1

2

3

*

30

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

1

1

2

*

35

b

andere bijeenkomstfunctie

1

1

*

3

Celfunctie

1

1

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

1

*

5

Industriefunctie

1

1

*

6

Kantoorfunctie

1

1

*

7

Logiesfunctie

1

1

*

8

Onderwijsfunctie

1

1

2

*

35

9

Sportfunctie

1

1

*

10

Winkelfunctie

1

1

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

1

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

1

1

Artikel 4.107

Lid 1

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen verblijfsgebied een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB. Dit is niet van toepassing op een op een aangrenzend perceel gelegen lichte industriefunctie of overige gebruiksfunctie.

Lid 2

Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een bouwwerkperceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.108

Lid 1

Een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor het verhogen van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.

Lid 2

Een mechanische voorziening voor luchtverversing of warmterugwinning, of een installatie voor warmte- of koudeopwekking veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste het in tabel 4.106 aangegeven geluidniveau.

Lid 3

Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt ter plaatse van een te openen raam of deur van een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde bouwwerkperceel gelegen woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, berekend volgens de bij ministeriële regeling gestelde regels.

Artikel 4.109

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

Artikel 4.110

Lid 1

Een woongebouw heeft in een gemeenschappelijke verkeersruimte een geluidsabsorptie, waarmee geluidhinder door galm wordt beperkt.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.111

Een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte voor het ontsluiten van een woonfunctie die grenst aan een niet-gemeenschappelijke ruimte van een woonfunctie, heeft een volgens NEN-EN 12354-6 bepaalde totale geluidsabsorptie met een getalswaarde, uitgedrukt in m2, die niet kleiner is dan 1/8 van de getalswaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m³, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1.000 en 2.000 Hz.

Artikel 4.112

Lid 1

Een bouwwerk biedt bescherming tegen geluidsoverlast tussen gebruiksfuncties en tussen ruimten in een woonfunctie voor zover in het bouwwerk een woonfunctie ligt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.112 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.112

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

ander bouwwerkperceel

verschillende gebruiksfuncties

op hetzelfde bouwwerkperceel

verblijfsruimten van

dezelfde woonfunctie

tijdelijk bouwwerk

ander bouwwerkperceel

verschillende gebruiksfuncties

op hetzelfde bouwwerkperceel

artikel

4.113

4.114

4.115

4.116

4.113

4.114

lid

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

3

*

3

4

3

4

[dB]

[dB]

1

Woonfunctie

a

woonwagen

b

in een woongebouw

1

2

3

4

1

2

3

4

6

7

8

1

2

3

*

54

59

54

59

c

andere woonfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

3

*

54

59

54

59

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

*

59

64

59

64

3

Celfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

*

59

64

59

64

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

*

59

64

59

64

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

*

59

64

59

64

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

59

64

59

64

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

59

64

59

64

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

*

59

64

59

64

9

Sportfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

59

64

59

64

10

Winkelfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

59

64

59

64

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

59

64

59

64

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.113

Lid 1

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

Lid 2

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

Lid 3

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

Lid 4

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

Artikel 4.114

Lid 1

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 52 dB.

Lid 2

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet kleiner dan 47 dB.

Lid 3

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

Lid 4

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op hetzelfde bouwwerkperceel is niet groter dan het in tabel 4.112 aangegeven geluidniveau.

Lid 5

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een nevengebruiksfunctie van een woonfunctie naar die woonfunctie.

Lid 6

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke ruimte naar een aangrenzende gemeenschappelijke ruimte.

Lid 7

Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een gemeenschappelijke verkeersruimte of op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte.

Lid 8

Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de geluidsoverdracht van een gemeenschappelijke verkeersruimte naar een aangrenzende woonfunctie voor bewoners die zijn ingeschreven aan een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 4.115

Lid 1

Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet kleiner dan 32 dB.

Lid 2

Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een verblijfsruimte naar een andere verblijfsruimte van dezelfde woonfunctie is niet groter dan 79 dB.

Lid 3

Het eerste en tweede lid gelden niet als de verblijfsruimten met elkaar in open verbinding staan of als de ene verblijfsruimte vanuit de andere rechtstreeks bereikbaar is door een deuropening.

Artikel 4.116

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.113 tot en met 4.115 van overeenkomstige toepassing, waarbij bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in die artikelen bedoelde niveau.

Artikel 4.117

Lid 1

Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.117 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.117

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

wering van vocht van

buiten

factor van de

temperatuur

wateropname

factor van de

temperatuur

artikel

4.118

4.119

4.120

4.119

lid

1

2

3

4

*

1

2

1

1

Woonfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,65

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

3

Celfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

5

Industriefunctie

*

1

2

0,5

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

7

Logiesfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

9

Sportfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

10

Winkelfunctie

1

2

3

4

*

1

2

0,5

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.118

Lid 1

Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Lid 2

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Lid 3

Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Lid 4

Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6m3 /(m2.s).

Artikel 4.119

Een scheidingsconstructie waarvoor een warmteweerstand als bedoeld in artikel 4.152 geldt, heeft aan de zijde die grenst aan een verblijfsgebied een volgens NEN 2778 bepaalde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte, die niet kleiner is dan de in tabel 4.117 aangegeven waarde.

Artikel 4.120

Lid 1

Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1,2 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

Lid 2

Een badruimte heeft in aanvulling op het eerste lid ter plaatse van de opstelplaats voor een bad of een douche een in het eerste lid bedoelde beperking aan de wateropname over een lengte van ten minste 3 m, tot een hoogte van 2,1 m boven de vloer van die ruimte.

Artikel 4.121

Lid 1

Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.121 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.121

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

Capaciteit

luchtverversing

verblijfsgebied,

verblijfsruimte,

toiletruimte en

badruimte

thermisch comfort

regelbaarheid en

uitschakelbaarheid

Luchtverversing

overige ruimten

plaats van de opening

Luchtkwaliteit

toevoer van

ventilatielucht

luchtkwaliteit: afvoer

van binnenlucht

tijdelijk bouwwerk

luchtverversing

artikel

4.122

4.123

4.124

4.125

4.126

4.127

4.128

4.129

4.122

lid

1

2

3

4

5

6

*

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

6

*

2

[dm3/s per persoon]

1

Woonfunctie

1

3

4

5

*

1

2

3

4

1

2

3

4

1

2

1

2

3

4

5

1

2

3

5

*

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor kinderopvang

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

*

6,5

b.

andere bijeenkomstfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

4

c.

voor alcoholgebruik

2

3

5

6

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

4

3

Celfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

a.

verblijfsgebied van celeenheid

12

b.

ander verblijfsgebied

6,5

4

Gezondheidszorgfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

a.

bedgebied

12

b.

ander verblijfsgebied

6,5

5

Industriefunctie

2

3

5

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

6,5

6

Kantoorfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

6,5

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

2

4

5

2

3

5

12

b.

andere logiesfunctie

2

3

4

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

2

4

5

2

3

5

12

8

Onderwijsfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

*

8,5

9

Sportfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

6,5

10

Winkelfunctie

2

3

5

*

1

2

3

4

2

3

4

1

2

1

4

5

2

3

5

4

11

Overige gebruiksfunctie

a. voor het stallen van motorvoertuigen

5

2

3

4

5

3

4

5

2

3

5

6

b. andere overige gebruiksfunctie

5

2

3

4

4

5

2

3

5

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

4

6

6

4

b

andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

6

c.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

2

4

4

5

2

3

Artikel 4.122

Lid 1

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

  1. 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s bij een verblijfsgebied; en

  2. 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s bij een verblijfsruimte.

Lid 2

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 4.121 aangegeven capaciteit per persoon.

Lid 3

Onverminderd het eerste en tweede lid hebben een verblijfsgebied en een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm3/s.

Lid 4

Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsgebied heeft een capaciteit die niet kleiner is dan de hoogste waarde die volgens het eerste en tweede lid geldt voor elk afzonderlijk verblijfsgebied. In aanvulling daarop is de capaciteit niet kleiner dan 70% van de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid gelden voor de op die voorziening aangewezen verblijfsgebieden.

Lid 5

Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste:

  1. 7 dm3/s bij een toiletruimte; en

  2. 14 dm3/s bij een badruimte.

Lid 6

Onverminderd het tweede lid heeft een verblijfsgebied of een verblijfsruimte een voorziening voor luchtverversing met een mechanische aan- of afvoer met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte.

Artikel 4.123

De toevoer van verse lucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.124

Lid 1

Een voorziening voor natuurlijke toevoer van verse lucht is regelbaar in het gebied van 0% tot 30% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft, bepaald volgens NEN 1087, naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste twee regelstanden in het regelgebied die onderling ten minste 10% in capaciteit verschillen.

Lid 2

Een voorziening voor mechanische toevoer van verse lucht heeft een dichtstand, is regelbaar in het gebied van 10% tot 100% van de capaciteit, bedoeld in artikel 4.122, en heeft naast een laagste stand van ten hoogste 10% van die capaciteit en een stand van 100% van die capaciteit, ten minste een regelstand in het regelgebied.

Lid 3

Een voorziening voor toevoer van verse lucht als bedoeld in het eerste en tweede lid mag zelfregelend zijn in het regelgebied.

Lid 4

Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.

Artikel 4.125

Lid 1

Een gemeenschappelijke verkeersruimte heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,5 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 2

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

Lid 3

Een liftschacht heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

Lid 4

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 5

Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

Lid 6

Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.126

Lid 1

De volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan 0,01. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

Lid 2

Een instroomopening en een uitmonding van een voorziening voor luchtverversing liggen op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Lid 3

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  1. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

  2. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.

Artikel 4.127

Lid 1

De toevoer van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid verse lucht naar een verblijfsgebied vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid mag, bij de toevoer van verse lucht naar een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied, ten hoogste 50% van de in artikel 4.122 bedoelde hoeveelheid via een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte van dezelfde gebruiksfunctie worden aangevoerd.

Lid 3

De toevoer van verse lucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Lid 4

De toevoer van verse lucht naar een liftschacht vindt rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte van buiten plaats.

Lid 5

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Lid 6

De toevoer van verse lucht naar een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 4.128

Lid 1

De afvoer van binnenlucht uit een gemeenschappelijke verkeersruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Lid 2

De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.

Lid 3

De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

  1. een toiletruimte;

  2. een badruimte; en

  3. een opslagruimte voor huishoudelijk afval.

Lid 4

Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaats.

Lid 5

Ten minste 21 dm3/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.122, derde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

Lid 6

De afvoer van binnenlucht uit een stallingruimte voor motorvoertuigen vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

Artikel 4.129

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.122 tot en met 4.128 van toepassing.

Artikel 4.130

Lid 1

Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.130 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.130

gebruiksfunctie

leden van toepassing

capaciteit

spuivoorziening

plaats van de opening

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.131

4.132

4.133

lid

1

2

3

*

*

1

Woonfunctie

1

2

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

1

2

3

*

*

b

andere bijeenkomstfunctie

3

Celfunctie

4

Gezondheidszorgfunctie

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

7

Logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

a

voor basisonderwijs

1

2

*

*

b

andere onderwijsfunctie

9

Sportfunctie

10

Winkelfunctie

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.131

Lid 1

Een verblijfsgebied heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 6 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van dat gebied. In een uitwendige scheidingsconstructie van dat gebied zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd.

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte. In een uitwendige scheidingsconstructie van die ruimte zijn beweegbare constructieonderdelen die op die capaciteit zijn afgestemd. Ten minste een van die beweegbare constructieonderdelen is een raam, of een deur die grenst aan een tot de woonfunctie behorende buitenruimte.

Lid 3

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de bedoelde capaciteit worden gerealiseerd met een in artikel 4.122 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

Artikel 4.132

Een opening van een spuivoorziening als bedoeld in artikel 4.131, eerste lid, ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Artikel 4.133

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.131 en 4.132 van toepassing.

Artikel 4.134

Lid 1

Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.134 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.134

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid

capaciteit:

afvoer van rookgas

capaciteit:

toevoer van verbrandingslucht

plaats van de uitmonding

plaats van de instroomopening

thermisch comfort

rookdoorlatendheid

tijdelijk bouwwerk

artikel

4.135

4.136

4.137

4.138

4.139

4.140

4.141

4.142

lid

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

1

Woonfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

3

Celfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

5

Industriefunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

6

Kantoorfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

7

Logiesfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

9

Sportfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

10

Winkelfunctie

1

2

1

2

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

3

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

1

2

1

3

1

2

3

4

5

6

2

3

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.135

Lid 1

Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Een kooktoestel met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW, gelegen in een verblijfsruimte, blijft hierbij buiten beschouwing.

Lid 2

Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of een badruimte.

Artikel 4.136

Lid 1

Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

Lid 2

Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.137

Lid 1

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde toevoercapaciteit.

Lid 2

Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

Lid 3

De volgens NEN 1087 bepaalde richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar het verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 4.138

Lid 1

De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan aangegeven in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen voorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

Tabel 4.138 Verdunningsfactoren

soort afvoer

verdunningsfactor

Afvoervoorziening voor rookgas bij gasgestookte toestellen

0,01

Afvoervoorziening voor rookgas bij toestellen met andere brandstoffen

0,0015

Afvoervoorziening voor luchtverversing

0,01

Lid 2

Een niet boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt:

  1. op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten langszij aan de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie; en

  2. op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie.

Lid 3

Een boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas voor een niet-gasgestookt verbrandingstoestel ligt op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens.

Lid 4

Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen ligt boven het dakvlak.

Lid 5

Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Lid 6

Een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.139

Lid 1

Bij toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied is de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing en van een afvoervoorziening voor rookgas, ter plaatse van een in de uitwendige scheidingsconstructie gelegen instroomopening voor verbrandingslucht, niet groter dan genoemd in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen afvoervoorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.

Lid 2

Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht ligt op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit is niet van toepassing op een in een dak gelegen instroomopening. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

Lid 3

Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

Artikel 4.140

De toevoer van verbrandingslucht veroorzaakt in de leefzone van een verblijfsgebied een volgens NEN 1087 bepaalde luchtsnelheid die niet groter is dan 0,2 m/s.

Artikel 4.141

Het inwendig oppervlak van een afvoervoorziening voor rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan de doorlatendheid, aangegeven in tabel 4.141.

Tabel 4.141 Rookdoorlatendheid

soort rookgasafvoer

toegestane doorlatendheid

Een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

0,006 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa

Een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa

Artikel 4.142

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.135 tot en met 4.141 van toepassing.

Artikel 4.143

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.143 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.143

gebruiksfunctie

leden van toepassing

openingen

rattenscherm

artikel

4.144

4.145

lid

1

2

3

1

2

3

1

Woonfunctie

a

woonwagen

1

2

3

b

andere woonfunctie

1

2

3

1

2

3

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

1

2

3

3

Celfunctie

1

2

3

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

1

2

3

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

1

2

3

1

2

3

7

Logiesfunctie

a

in een logiesbouw

1

2

3

1

2

3

b

andere logiesfunctie

1

2

3

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

1

2

3

9

Sportfunctie

1

2

3

1

2

3

10

Winkelfunctie

1

2

3

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.144

Lid 1

Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

  1. een afvoervoorziening voor luchtverversing;

  2. een afvoervoorziening voor rookgas; en

  3. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor op grond van afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschermde diersoorten.

Lid 3

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Artikel 4.145

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.

Lid 2

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Lid 3

Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een technische ruimte als zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid bevindt.

Artikel 4.146

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.146 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.146

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

daglichtoppervlakte

daglichtoppervlakte

artikel

4.147

4.147

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

1

2

[%]

[m2]

1

Woonfunctie

1

2

3

10

0,5

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

1

2

3

4

5

5

0,5

b

andere bijeenkomstfunctie

3

Celfunctie

1

2

3

4

6

3

0,2

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

7

5

0,5

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

2,5

0,5

7

Logiesfunctie

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

4

8

5

0,5

9

Sportfunctie

10

Winkelfunctie

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.147

Lid 1

Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m2 waarvan de getalswaarde niet kleiner is dan de getalswaarde van het in tabel 4.146 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m2 van dat verblijfsgebied.

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 4.146 aangegeven oppervlakte.

Lid 3

Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte:

  1. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing;

  2. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen; en

  3. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 20°.

Lid 4

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

Lid 5

Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bedgebied dat niet ook is bestemd voor spelactiviteiten.

Lid 6

In afwijking van het eerste lid en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

Lid 7

Het eerste en tweede lid gelden alleen voor een bedgebied.

Lid 8

Bij de bepaling van de in het eerste lid bedoelde vloeroppervlakte van een verblijfsgebied blijft een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2 buiten beschouwing. Op een dergelijke verblijfsruimte is het tweede lid niet van toepassing.

Artikel 4.148

Lid 1

Een bouwwerk is bijna energieneutraal.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in de tabellen 4.148A of 4.148B regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.148A

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

bijna energieneutraal

afbakening maatwerkvoorschriften minimumwaarde

aandeel hernieuwbare energie

bijna energieneutraal

artikel

4.149

4.149a

4.149b

4

lid

1

2

3

4

*

1

2

3

1

Energiebehoefte

Primair fossiel energiegebruik

Aandeel hernieuwbare energie

[kWh/m2/jr]

[kWh/m2/jr]

[%]

(1) geldt als Als/Ag ≤ 1,83

(2) geldt als Als/Ag > 1,83 en ≤ 3,0

(3) geldt als Als/Ag > 3,0

(4) geldt als Als/Ag ≤ 1,5

(5) geldt als Als/Ag > 1,5 en ≤ 3,0

(6) geldt als Als/Ag ≤ 1,8

(7) geldt als Als/Ag > 1,8

1

Woonfunctie

a

woongebouw

1

3

4

*

1

2

3

(1) 65

50

40

(2) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)

(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)

b

woonwagen

1

3

100 + 30 x (Als/Ag – 2,0)

60

50

c

drijvend bouwwerk na 2018

1

3

80 + 30 x (Als/Ag – 1,5)

50

50

gerealiseerde ligplaats

d

drijvend bouwwerk andere ligplaats

1

3

80 + 30 x (Als/Ag – 1,5)

70

50

e

andere woonfunctie

1

3

4

1

2

3

(4) 55

30

50

(5) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)

(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor kinderopvang

1

2

(6) 160

70

40

(7) 160 + 30 x (Als/Ag – 1,8)

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

(6) 90

60

30

(7) 90 + 30 x (Als/Ag – 1,8)

3

Celfunctie

1

2

(6) 160

120

30

(7) 160 + 35 x (Als/Ag – 1,8)

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

1

2

350

130

30

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

(6) 90

50

40

(7) 90 + 35 x (Als/Ag – 1,8)

5

Industriefunctie

6

Kantoorfunctie

1

2

(6) 90

40

30

(7) 90 + 30 x (Als/Ag – 1,8)

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

2

(6) 100

130

40

(7) 100 + 35 x (Als/Ag – 1,8)

b

andere logiesfunctie

1

2

4

(4) 55

40

50

(5) 55 + 30 x (Als/Ag – 1,5)

(3) 100 + 50 x (Als/Ag – 3,0)

8

Onderwijsfunctie

1

2

(6) 190

70

40

(7) 190 + 30 x (Als/Ag – 1,8)

9

Sportfunctie

1

2

(6) 40

90

30

(7) 40 + 15 x (Als/Ag – 1,8)

10

Winkelfunctie

1

2

(6) 70

60

30

(7) 70 + 30 x (Als/Ag – 1,8)

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Tabel 4.148B

gebruiksfunctie

waarden

thermische isolatie, warmteweerstand

thermische isolatie,

warmtedoorgangscoëfficiënt

luchtvolumestroom

gebruiksfunctie met een lage energievraag

tijdelijk bouwwerk

overgangsrecht: energiezuinigheid

thermische isolatie, warmteweerstand

thermische isolatie, warmteweerstand

thermische isolatie, warmtedoorgangscoëfficiënt

artikel

4.152

4.153

4.154

4.155

4.156

4.157

4.152

4.156

lid

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

1

2

1

2

*

1

2

3

*

1 en 8

3

5 en 6

1

2

[m2.K/W]

[m2.K/W]

[W/m2K]

1

Woonfunctie

a.

woonwagen

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

2,6

2,6

2,6

1,3

4,2

b.

andere woonfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

3

*

4,7

6,3

3,7

2,6

2,2

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

3

Celfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

4

Gezondheidszorgfunctie

a.

met bedgebied

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

b.

andere gezondheidszorgfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

5

Industriefunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

6

Kantoorfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

b.

andere logiesfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

9

Sportfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

10

Winkelfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

1

2

1

2

*

1

2

*

4,7

6,3

3,7

1,3

4,2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.149

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft, bepaald volgens NTA 8800, een energiebehoefte en een primair fossiel energiegebruik van ten hoogste de in tabel 4.148A aangegeven waarden en een aandeel hernieuwbare energie van tenminste de in die tabel aangegeven waarde.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid worden bij een gebouw of een gedeelte daarvan, dat op niet meer dan een perceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties niet van dezelfde soort, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, bepaald volgens NTA 8800, de waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en hernieuwbare energie naar gebruiksoppervlak gewogen. Bij het bepalen van die waarden wordt per gebruiksfunctie uitgegaan van de in tabel 4.148A aangegeven waarden.

Lid 3

Bij toepassing van dit artikel gelden voor een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie de eisen aan de woonfunctie.

Lid 4

Bij toepassing van dit artikel op een gebruiksfunctie in een gebouw of een gedeelte daarvan, met een naar gebruiksoppervlak gewogen gemiddelde specifieke interne warmtecapaciteit van 180 kJ/m2K of minder, bepaald volgens NTA 8800, worden de in tabel 4.148A aangegeven maximumwaarden voor energiebehoefte verhoogd met 5 kWh/m2.jr.

Artikel 4.149a

Een maatwerkvoorschrift over de minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie bij een woongebouw kan alleen inhouden dat als gevolg van locatiegebonden omstandigheden niet aan de minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie hoeft te worden voldaan, waarbij dat blijkt uit de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw).

Artikel 4.149b

Lid 1

Een woonfunctie heeft, bepaald volgens paragraaf 5.7 van NTA 8800, een waarde voor oververhitting van ten hoogste 1,20 voor iedere rekenzone en oriëntatie.

Lid 2

Als de hoogst berekende waarde voor oververhitting bij een niet in een woongebouw gelegen woonfunctie meer dan 1,20 is, wordt met een berekening aangetoond dat het totaal aantal gewogen overschrijdingsuren in elke verblijfsruimte van die woonfunctie op jaarbasis niet meer dan 450 is.

Lid 3

Als in een woongebouw bij een of meer woonfuncties binnen dat woongebouw de hoogst berekende waarde voor oververhitting meer dan 1,20 is, wordt bij de woonfunctie met de hoogst berekende waarde voor oververhitting met een berekening aangetoond dat het aantal gewogen overschrijdingsuren in elke verblijfsruimte van die woonfunctie op jaarbasis niet meer dan 450 is.

Artikel 4.150

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/426.

Artikel 4.151

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2019/501.

Artikel 4.152

Lid 1

Een onderdeel van een verticale uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende verticale uitwendige constructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid, tweede volzin, heeft de uitwendige scheidingsconstructie van een drijvend bouwwerk op een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een gemiddelde warmteweerstand van ten minste 3,7 m2•K/W.

Lid 3

Een onderdeel van een horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

Lid 4

In afwijking van het derde lid, tweede volzin, heeft de uitwendige scheidingsconstructie van een drijvend bouwwerk op een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een gemiddelde warmteweerstand van ten minste 4,5 m2•K/W.

Lid 5

Een onderdeel van een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende constructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde.

Lid 6

Een onderdeel van een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand, heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand van de onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende uitwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en de grond of het water, met inbegrip van de op die constructies aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de warmteweerstand is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B gegeven waarde.

Lid 7

In afwijking van het eerste, tweede en zesde lid heeft de uitwendige scheidingsconstructie van het drijflichaam van een drijvend bouwwerk een volgens NTA 8800 bepaalde gemiddelde warmteweerstand van ten minste 3,7m2•K/W en bij een op 1 januari 2018 bestaande ligplaatslocatie een warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W.

Lid 8

Een onderdeel van een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een ruimte die niet wordt verwarmd of die alleen wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van personen heeft een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste 2,6 m2•K/W. De gemiddelde warmteweerstand vande onderdelen van de van het bouwwerk deel uitmakende inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte en een ruimte die niet wordt verwarmd of die alleen wordt verwarmd voor een ander doel dan het verblijven van personen is een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand van ten minste de in tabel 4.148B gegeven waarde.

Lid 9

Het eerste tot en met achtste lid zijn niet van toepassing op een oppervlakte aan scheidingsconstructies waarvan de getalswaarde niet groter is dan 2% van de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie.

Lid 10

Het eerste, derde, vijfde, zesde, en het achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op scheidingsconstructies van een functiegebied.

Artikel 4.153

Lid 1

Ramen, deuren en kozijnen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NTA 8800 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 2,2 W/m2•K. De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt van de ramen, deuren en kozijnen in de in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructies van een bouwwerk is, bepaald volgens de in het derde lid gegeven methode, ten hoogste 1,65 W/m2•K.

Lid 2

Met ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen in een in artikel 4.152 bedoelde scheidingsconstructie hebben een volgens NTA 8800 bepaalde warmtedoorgangscoëfficiënt van ten hoogste 1,65 W/m2•K.

Lid 3

De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met de formule:

waarin wordt verstaan onder:

x: het aantal ramen, deuren en kozijnen van het bouwwerk;

Un: de warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NTA 8800;

An: het geprojecteerde oppervlak van een raam, deur of kozijn bepaald volgens NTA 8800; en

At: het totale geprojecteerde oppervlak van alle ramen, deuren en kozijnen van het bouwwerk.

Artikel 4.154

Lid 1

De volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie is niet groter dan 0,2 m3/s.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft een gebouw of een gedeelte daarvan dat op niet meer dan een bouwwerkperceel ligt, met meerdere gebruiksfuncties waarvoor volgens het eerste lid een eis aan de luchtvolumestroom geldt, een volgens NEN 2686 bepaalde luchtvolumestroom van het totaal aan verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van de gebruiksfuncties die niet groter is dan 0,2 m3/s.

Artikel 4.155

Lid 1

Op een gebruiksfunctie die niet is bestemd om te worden verwarmd of gekoeld voor personen zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing.

Lid 2

Op een gebruiksfunctie waarbij de in artikel 4.149, eerste lid, bedoelde waarde ten hoogste 1% bedraagt van de maximum waarde voor primair fossiel energiegebruik zijn de artikelen 4.149 tot en met 4.154 niet van toepassing.

Artikel 4.156

Lid 1

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.152 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, het derde lid, tweede volzin, het vijfde lid, tweede volzin, het zesde lid, tweede volzin, het zevende lid en het achtste lid, tweede volzin, en met dien verstande dat de warmteweerstand ten minste de in tabel 4.148B aangegeven waarde is.

Lid 2

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.153 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, tweede volzin, en met dien verstande dat de warmtedoorgangscoëfficiënt ten hoogste de in tabel 4.148B aangegeven waarde is.

Lid 3

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk dat bestemd is om te worden verwarmd is artikel 4.154 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.157

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2020/454.

Artikel 4.158

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig dat de belasting van het milieu door de in het bouwwerk toe te passen materialen wordt beperkt.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.158 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.158

gebruiksfunctie

leden van toepassing

milieuprestatie

artikel

4.159

lid

1

2

3

4

1

Woonfunctie

a.

woonwagen

b.

andere woonfunctie

1

6

Kantoorfunctie

2

3

4

Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 4.159

Lid 1

Een woonfunctie heeft een milieuprestatie van ten hoogste 0,8, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

Lid 2

Een kantoorgebouw heeft een milieuprestatie van ten hoogste 1, bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.

Lid 3

Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw als de totale gebruiksoppervlakte aan kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in het kantoorgebouw of in het gebouw waarvan het kantoorgebouw deel uitmaakt kleiner is dan 100 m2.

Lid 4

Het tweede lid is niet van toepassing op een kantoorgebouw dat deel uitmaakt van een gebouw met andere gebruiksfuncties dan de kantoorfunctie of nevengebruiksfuncties daarvan.

Artikel 4.160

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/426.

Artikel 4.160a

Lid 1

Een bouwwerk heeft voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.160b

Lid 1

Een woongebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan tien parkeervakken, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak.

Lid 2

Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan tien parkeervakken, heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeervakken.

Artikel 4.160c

Lid 1

Een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, met een verwarmingssysteem of gecombineerd ruimteverwarmings- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW of een airconditioningsysteem of gecombineerd airconditioning- en ventilatiesysteem met een nominaal vermogen van meer dan 290 kW heeft een systeem voor gebouwautomatisering en -controle.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.160d

Het systeem voor gebouwautomatisering en -controle als bedoeld in artikel 4.160c, eerste lid, is in staat:

  1. het energieverbruik permanent te controleren, bij te houden, te analyseren en de bijsturing ervan mogelijk te maken;

  2. de energie-efficiëntie van het gebouw te toetsen, rendementsverliezen van technische bouwsystemen op te sporen, en de beheerder van de voorzieningen of technische bouwsystemen te informeren over de mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren; en

  3. communicatie met verbonden technische bouwsystemen en andere apparaten in het gebouw mogelijk te maken, en interoperabel te zijn met technische bouwsystemen van verschillende soorten eigendomstechnologieën, toestellen en fabrikanten.

Artikel 4.160e

De artikelen 4.160c en 4.160d zijn niet van toepassing tot en met 31 december 2025.

Artikel 4.161

Met een maatwerkregel kunnen alleen gebieden of categorieën woonfuncties worden aangewezen waarbij kan worden afgeweken van een regel in deze afdeling, waarbij afwijken alleen versoepelen kan inhouden.

Artikel 4.162

Lid 1

Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.162 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.162

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aanwezigheid

afmetingen verblijfsgebied en

verblijfsruimte

aanwezigheid

afmetingen verblijfsgebied en

verblijfsruimte

artikel

4.163

4.164

4.163

4.164

lid

1

2

1

2

3

4

1

4

[m2]

[m]

1

Woonfunctie

a

woonwagen

1

2

1

2

3

4

18

2,2

b

voor studenten

1

2

1

2

3

4

15

2,6

c

andere woonfunctie

1

2

1

2

3

4

18

2,6

Artikel 4.163

Lid 1

Een woonfunctie heeft ten minste de in tabel 4.162 aangegeven vloeroppervlakte aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Lid 2

Ten minste 55% van de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie is verblijfsgebied.

Artikel 4.164

Lid 1

Een verblijfsgebied heeft een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2.

Lid 2

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben een breedte van ten minste 1,8 m.

Lid 3

In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 11 m2 en een breedte van ten minste 3 m.

Lid 4

Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben ten minste de in tabel 4.162 aangegeven hoogte boven de vloer.

Artikel 4.165

Lid 1

Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.165 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.165

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aanwezigheid

toiletruimte

afmetingen

toiletruimte

afmetingen

toiletruimte

artikel

4.166

4.167

4.167

lid

1

2

3

1

2

2

1

Woonfunctie

[m]

a

woonwagen

1

2

3

1

2

2,1

b

andere woonfunctie

1

2

3

1

2

2,3

Artikel 4.166

Lid 1

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Lid 2

Op een toiletruimte zijn niet meer dan vijf woonfuncties aangewezen.

Lid 3

Op een toiletruimte zijn alleen woonfuncties of een nevengebruiksfunctie daarvan aangewezen.

Artikel 4.167

Lid 1

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,9 m x 1,2 m.

Lid 2

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.165 aangegeven hoogte.

Artikel 4.168

Lid 1

Een woonfunctie heeft voldoende badruimte.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.168 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.168

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

aanwezigheid badruimte

Afmetingen

badruimte

afmetingen badruimte

artikel

4.169

4.170

4.170

lid

*

1

2

3

3

1

Woonfunctie

[m]

a

woonwagen

*

1

2

3

2,1

b

andere woonfunctie

*

1

2

3

2,3

Artikel 4.169

Een woonfunctie heeft een badruimte.

Artikel 4.170

Lid 1

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m2 en een breedte van ten minste 0,8 m.

Lid 2

Een badruimte als bedoeld in artikel 4.169 die is samengevoegd met een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.166 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m2 en een breedte van ten minste 0,9 m.

Lid 3

Een vloeroppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid heeft boven die vloer ten minste de in tabel 4.168 aangegeven hoogte.

Artikel 4.171

Lid 1

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een afsluitbare bergruimte om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.171 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.171

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen

regenwerend

artikel

4.172

4.173

lid

1

2

3

*

1

Woonfunctie

a

voor zorg

b

voor studenten

c

andere woonfunctie

1

2

3

*

Artikel 4.172

Lid 1

Een woonfunctie heeft als nevengebruiksfunctie een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 en een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2,3 m.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt.

Lid 3

Een bergruimte als bedoeld in dit artikel is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte. Een hoogteverschil groter dan 0,02 m op ten minste een route tussen de toegang van de bergruimte en het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte wordt overbrugd door een lift of een hellingbaan.

Artikel 4.173

De uitwendige scheidingsconstructie van een bergruimte als bedoeld in artikel 4.172 is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

Artikel 4.174

Lid 1

Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden, heeft een rechtstreeks bereikbare buitenruimte.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.174 regels zijn aangewezen, wordt voor die woonfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.174

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid

artikel

4.175

lid

1

2

1

Woonfunctie

a

voor studenten

b

andere woonfunctie

1

2

Artikel 4.175

Lid 1

Een woonfunctie heeft een niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m, die rechtstreeks bereikbaar is vanuit een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van die woonfunctie.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de buitenruimte gemeenschappelijk zijn als de vloeroppervlakte aan buitenruimte ten minste 1 m2 per op die buitenruimte aangewezen woonfunctie bedraagt, met een minimum van 4 m2 en een breedte van ten minste 1,3 m. De buitenruimte is rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar of via gemeenschappelijke ruimten.

Artikel 4.176

Lid 1

Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht, een kooktoestel, een verwarmingstoestel en een warmwatertoestel.

Lid 2

Als voor een woonfunctie in tabel 4.176 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.176

gebruiksfunctie

leden van toepassing

aanwezigheid

opstelplaats

afmetingen

opstelplaats

artikel

4.177

4.178

lid

1

2

3

1

2

1

Woonfunctie

a

voor zorg

2

3

b

andere woonfunctie

1

2

3

1

2

Artikel 4.177

Lid 1

Een woonfunctie heeft in ten minste een verblijfsgebied een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel.

Lid 2

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een verwarmingstoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor verwarming.

Lid 3

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een warmwatertoestel, waarvan de afmetingen zijn afgestemd op het te plaatsen toestel. Dit geldt niet als de gebruiksfunctie wordt aangesloten op een publieke voorziening voor warm water.

Artikel 4.178

Lid 1

Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 0,6 m.

Lid 2

Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 4.177, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,6 m x 0,6 m.

Artikel 4.179

Lid 1

Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende bereikbaar zijn.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.179 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.179

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

vrije doorgang: doorgang

vrije doorgang: verkeersroute

hoofdtoegang

overbrugging van hoogteverschillen

vrije doorgang: doorgang

vrije doorgang: verkeersroute

artikel

4.180

4.181

4.181a

4.182

4.180

4.181

lid

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

5

6

7

1 en 2

1

1

Woonfunctie

[m]

[m]

a.

woonwagen

1

2

1

2,1

2,1

b.

andere woonfunctie

1

2

1

2

3

4

5

1

2

1

2

3

4

5

6

2,3

2,3

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor alcoholgebruik

1

2

1

1

7

2,1

2,1

b.

voor het aanschouwen van sport, voor film,

1

2

1

1

7

2,1

2,1

voor muziek of voor theater

c.

andere bijeenkomstfunctie

1

2

1

2,1

2,1

3

Celfunctie

1

2

1

2,1

2,1

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

1

1

7

2,1

2,1

5

Industriefunctie

a.

lichte industriefunctie

b.

andere industriefunctie

1

2

1

2,1

2,1

6

Kantoorfunctie

1

2

1

2,1

2,1

7

Logiesfunctie

1

2

1

2,1

2,1

8

Onderwijsfunctie

1

2

1

2,1

2,1

9

Sportfunctie

1

2

1

2,1

2,1

10

Winkelfunctie

1

2

1

1

7

2,1

2,1

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.180

Lid 1

Een doorgang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt voor een doorgang naar:

  1. een verblijfsgebied;

  2. een verblijfsruimte;

  3. een toiletruimte als bedoeld in de artikelen 4.166 en 4.186;

  4. een badruimte als bedoeld in de artikelen 4.169 en 4.186;

  5. een bergruimte als bedoeld in artikel 4.171;

  6. een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.174; en

  7. een ruimte voor het bereiken van een lift als bedoeld in artikel 4.189.

Dit geldt ook voor een doorgang op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde ruimte.

Lid 2

Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte.

Artikel 4.181

Lid 1

Een verkeersroute die begint bij een doorgang als bedoeld in artikel 4.180 loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

Lid 2

Als de in het eerste lid bedoelde ruimte een gemeenschappelijke verkeersruimte is, is de vrije breedte ten minste 1,2 m. Dit geldt niet voor zover de verkeersroute over een trap voert.

Lid 3

Een hoofdtoegang van een woongebouw, ontsluit een gemeenschappelijke verkeersruimte die bij die toegang over een lengte van ten minste 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

Lid 4

Aan een doorgang van een liftschacht grenst een ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 1,5 m x 1,5 m.

Lid 5

In aanvulling op het tweede lid heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Dit geldt niet als een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

Artikel 4.181a

Lid 1

Ten minste een toegang van een gebruiksfunctie is een hoofdtoegang.

Lid 2

Ten minste een toegang van een woongebouw is een hoofdtoegang.

Artikel 4.182

Lid 1

Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een woongebouw zonder een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

Lid 2

Bij een hoofdtoegang van een woonfunctie is een hoogteverschil op de route tussen een niet-gemeenschappelijke vloer en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein of de gemeenschappelijke verkeersruimte is niet groter dan 1 m.

Lid 3

Bij ten minste een toegang van een niet-gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, eerste lid, is een hoogteverschil op de route tussen ten minste een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied en de aangrenzende vloer van de buitenruimte, groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan.

Lid 4

Bij ten minste een toegang van een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172 is een hoogteverschil op de route tussen de vloer van de buitenberging en de aangrenzende vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, groter dan 0,02 m, overbrugd door een hellingbaan.

Lid 5

Op ten minste een route tussen ten minste een uitgang van een woonfunctie en een gemeenschappelijke buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175, tweede lid, is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan.

Lid 6

Een woongebouw waarin de vloer ter plaatse van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift, met een liftkooi met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

Lid 7

Op ten minste een route tussen de vloer ter plaatse van een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie, gelegen in een gebouw zonder een toegankelijkheidssector, en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen die toegang en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

Artikel 4.183

Lid 1

Een bouwwerk heeft ruimten die voldoende toegankelijk zijn voor personen met een functiebeperking.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.183 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.183

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

toegankelijkheidssector:

aanwezigheid

toegankelijkheidssector:

vloeroppervlakte algemeen

toegankelijkheidssector:

aanwezigheid specifieke ruimten

toegankelijkheidssector:

vloeroppervlakte specifieke

ruimten

toegankelijkheidssector:

bereikbaarheid

toegankelijkheidssector:

hoogteverschillen

lift: afmetingen en loopafstand

toegankelijkheidssector:

aanwezigheid

toegankelijkheidssector:

vloeroppervlakte algemeen

toegankelijkheidssector:

aanwezigheid specifieke ruimten

artikel

4.184

4.185

4.186

4.187

4.188

4.189

4.190

4.184

4.185

4.186

lid

1

2

3

4

1

2

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

1

2

3

4

5

*

1

2

3

3

1

4

1

Woonfunctie

[m2]

[%]

[n]

a

woonwagen

b

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

2

1

3

6

2

3

4

1

2

3

4

5

*

1

2

3

c

andere woonfunctie

1

1

2

3

4

5

*

1

2

3

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor alcoholgebruik

3

4

1

3

2

1

2

3

*

1

250

80

b

voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek of voor theater.

3

4

1

3

2

1

2

3

*

1

250

40

c

andere bijeenkomstfunctie

3

1

2

3

2

1

2

3

*

1

250

80

3

Celfunctie

3

1

3

4

6

2

3

4

1

2

3

*

1

400

40

300

4

Gezondheidszorgfunctie

a

met bedgebied

3

1

3

4

5

2

3

4

1

2

3

*

1

250

80

300

b

andere gezondheidszorgfunctie

3

1

3

4

5

2

1

2

3

*

1

250

80

300

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

3

1

3

2

1

2

3

*

1

400

40

6

Kantoorfunctie

3

1

3

4

2

1

2

3

*

1

400

40

300

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

3

1

2

3

6

1

2

3

4

1

2

3

*

1

250

b

andere logiesfunctie

3

1

3

6

1

2

3

4

1

2

3

*

1

400

40

8

Onderwijsfunctie

3

1

3

4

2

1

2

3

*

1

400

100

1.050

9

Sportfunctie

3

1

3

2

1

2

3

*

1

400

40

10

Winkelfunctie

3

1

3

2

1

2

3

*

1

250

60

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.184

Lid 1

Een woongebouw heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als:

  1. de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau; of

  2. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3.500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

Lid 2

Een woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

Lid 3

Een gebruiksfunctie heeft een toegankelijkheidssector als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie, samen met de gebruiksoppervlakte van andere in hetzelfde gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor deze regel geldt, groter is dan de in tabel 4.183 aangegeven oppervlakte.

Lid 4

Een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.185

Lid 1

In een gebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste het in tabel 4.183 aangegeven percentage van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van de gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

Lid 2

Voor zover de in het eerste lid bedoelde gebruiksfunctie een nevengebruiksfunctie van een kantoor- of industriefunctie is, ligt, in afwijking van het eerste lid, ten minste 40% van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van die gebruiksfunctie in een toegankelijkheidssector.

Artikel 4.186

Lid 1

In een toegankelijkheidssector ligt een verblijfsgebied.

Lid 2

In een logiesgebouw met een toegankelijkheidssector ligt ten minste 5% van de logiesverblijven, op een geheel getal naar boven afgerond, in een toegankelijkheidssector.

Lid 3

In een toegankelijkheidssector ligt een integraal toegankelijke toiletruimte.

Lid 4

Op een in het derde lid bedoelde toiletruimte zijn niet meer personen aangewezen dan het in tabel 4.183 aangegeven aantal.

Lid 5

Een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied met toegankelijkheidssector heeft ten minste een integraal toegankelijke badruimte per 500 m2 vloeroppervlakte aan bedgebied, op een geheel getal naar boven afgerond.

Lid 6

Een gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector heeft een aantal integraal toegankelijke badruimten van ten minste de getalswaarde van het aantal aanwezige badruimten gedeeld door 20, op een geheel getal naar boven afgerond.

Artikel 4.187

Lid 1

In een in artikel 4.186, eerste lid, bedoeld verblijfsgebied is ten minste een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m.

Lid 2

Een integraal toegankelijke toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,65 m x 2,2 m.

Lid 3

Een integraal toegankelijke badruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,6 m x 1,8 m.

Lid 4

Een integraal toegankelijke badruimte die is samengevoegd met een toiletruimte heeft een vloeroppervlakte van ten minste 2,2 m x 2,2 m.

Artikel 4.188

Lid 1

Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een toegankelijkheidssector voert.

Lid 2

Ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitend terrein en is een hoofdtoegang van het gebouw.

Lid 3

Een verkeersroute in een toegankelijkheidssector loopt door een ruimte met een vrije breedte van ten minste 1,2 m en een vrije hoogte van ten minste 2,1 m.

Lid 4

Een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.

Lid 5

De toegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184, eerste lid, grenst aan een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector.

Artikel 4.189

Op ten minste een route tussen een punt in een toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is een hoogteverschil groter dan 0,02 m, gemeten vanaf de vloer met aankleding, overbrugd door een lift of een hellingbaan. Het hoogteverschil tussen een op die route gelegen hoofdtoegang van de toegankelijkheidssector en het aansluitende terrein is niet groter dan 1 m.

Artikel 4.190

Lid 1

De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.189 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.

Lid 2

In afwijking van het eerste lid heeft de kooi van een lift in een woongebouw met meer dan zes woonfuncties een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

Lid 3

De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en de toegang van ten minste een lift als bedoeld in artikel 4.189 is ten hoogste 90 m. Als het tweede lid van toepassing is, wordt de loopafstand bepaald tussen de toegang van de woonfunctie en de toegang van ten minste een in het tweede lid bedoelde lift.

Artikel 4.191

Lid 1

Een bouwwerk is vanaf de openbare weg voldoende toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.191 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.191

gebruiksfunctie

leden van toepassing

bereikbaarheid van een gebouw

artikel

4.192

lid

1

2

3

4

5

6

1

Woonfunctie

a.

woonwagen

b.

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

6

d

woonfunctie gelegen in woongebouw

1

2

6

c.

andere woonfunctie

3

6

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor alcoholgebruik

1

4

6

b.

voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek of voor theater

1

4

6

c.

andere bijeenkomstfunctie

1

6

3

Celfunctie

1

6

4

Gezondheidszorgfunctie

1

4

6

5

Industriefunctie

a.

lichte industriefunctie

b.

andere industriefunctie

1

6

6

Kantoorfunctie

1

6

7

Logiesfunctie

1

6

8

Onderwijsfunctie

1

6

9

Sportfunctie

1

6

10

Winkelfunctie

1

4

6

11

Overige gebruiksfunctie

5

6

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.192

Lid 1

Een hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad of steiger voert met:

  1. een breedte van ten minste 1,1 m; en

  2. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m:

    1. bij een verhard pad: een helling die voldoet aan artikel 4.30; en

    2. bij een steiger: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.

Lid 2

Een hoofdtoegang van een woongebouw zonder toegankelijkheidssector grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

  1. een breedte van ten minste 1,1 m; en

  2. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.

Lid 3

Een hoofdtoegang van een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, die niet gelegen is in een woongebouw, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

  1. een breedte van ten minste 0,85 m; en

  2. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.

Lid 4

Een hoofdtoegang van een gebruiksfunctie in een gebouw zonder toegankelijkheidssector, die rechtstreeks bereikbaar is vanaf het aansluitende terrein, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

  1. een breedte van ten minste 1,1 m; en

  2. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.

Lid 5

De toegang van een buitenberging of de toegang van de gemeenschappelijk verkeersruimte naar een buitenberging als bedoeld in artikel 4.172, derde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een verhard pad voert met:

  1. een breedte van ten minste 1,1 m; en

  2. bij een te overbruggen hoogteverschil op deze route van meer dan 0,02 m: een helling die voldoet aan artikel 4.30.

Lid 6

Een doorgang waardoor een in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde route voert, heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.

Artikel 4.193

Lid 1

Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.193 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.193

gebruiksfunctie

leden van toepassing

verlichting

noodverlichting

aansluiting op voorziening

voor elektriciteit

verduisterde ruimte

artikel

4.194

4.195

4.196

4.197

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

*

*

1

Woonfunctie

4

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

4

1

3

5

*

*

3

Celfunctie

1

4

1

3

5

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

4

1

3

5

*

*

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

4

*

b

andere industriefunctie

1

4

1

3

5

*

*

6

Kantoorfunctie

1

4

1

3

5

*

*

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

4

1

3

5

*

*

b

andere logiesfunctie

1

4

1

3

5

*

8

Onderwijsfunctie

1

4

1

3

5

*

*

9

Sportfunctie

1

4

1

3

5

*

*

10

Winkelfunctie

1

4

1

3

5

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het personenvervoer

2

3

4

2

3

5

*

*

b

voor het stallen van motorvoertuigen

2

4

2

3

5

*

*

c

andere overige gebruiksfunctie

4

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

4

5

3

4

5

*

b

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

4

3

5

*

*

Artikel 4.194

Lid 1

Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 2

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 3

Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 4

Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Lid 5

Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux en een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.

Artikel 4.195

Lid 1

Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

Lid 2

Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 4.194, tweede lid, heeft noodverlichting.

Lid 3

Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft noodverlichting.

Lid 4

Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

Lid 5

Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 4.196

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 4.194 en 4.195 is aangesloten op een in artikel 4.199 bedoelde voorziening voor elektriciteit.

Artikel 4.197

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 4.198

Lid 1

Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.199

Lid 1

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  1. NEN 1010 bij lage spanning; en

  2. NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522 bij hoge spanning.

Lid 2

In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, voldoen oplaadpunten voor elektrische voertuigen in een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010.

Artikel 4.200

Lid 1

Een voorziening voor gas voldoet aan:

  1. NEN 1078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en

  2. NEN-EN 15001-1 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

Lid 2

Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.

Artikel 4.201

Lid 1

Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.202

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 4.203

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 4.204

Lid 1

Een bouwwerk heeft een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater waarmee het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.204 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.204

gebruiksfunctie

leden van toepassing

afvoer van huishoudelijk

afvalwater

afvoer van hemelwater

artikel

4.205

4.206

lid

1

2

1

2

1

Woonfunctie

1

2

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

1

2

3

Celfunctie

1

2

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

1

2

5

Industriefunctie

1

2

6

Kantoorfunctie

1

2

1

2

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw

1

2

1

2

b

andere logiesfunctie

1

2

8

Onderwijsfunctie

1

2

1

2

9

Sportfunctie

1

2

1

2

10

Winkelfunctie

1

2

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

Artikel 4.205

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

Lid 2

Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater heeft een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 4.206

Lid 1

Een dak van een bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.

Lid 2

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

Artikel 4.207

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.207 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.207

Gebruiksfunctie

Leden van toepassing

brandmeldinstallatie

melding en doormelding

inspectiecertificaat

brandmeldinstallatie

rookmelders

Artikel

4.208

4.209

4.210

4.211

lid

1

2

3

4

1

2

*

1

2

3

4

5

1

Woonfunctie

a

zorgclusterwoning in een woongebouw

1

2

1

2

*

1

b

zorgclusterwoning niet in een woongebouw

1

2

1

c

groepszorgwoning voor 24-uurszorg

1

2

1

2

*

1

2

4

d

groepszorgwoning niet voor 24-uurszorg

1

2

1

*

1

2

4

e

voor kamergewijze verhuur

1

2

4

f

andere woonfunctie

1

2

Bijeenkomstfunctie

a

voor het aanschouwen van sport

3

b

voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

4

2

*

3

4

c

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

*

3

Celfunctie

1

2

3

2

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

3

2

*

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

1

2

3

*

6

Kantoorfunctie

1

2

3

*

7

Logiesfunctie

a

in een logiesgebouw met 24-uursbewaking

1

2

3

*

3

4

5

b

in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking

1

2

3

2

*

3

4

c

andere logiesfunctie

3

4

8

Onderwijsfunctie

1

2

3

*

9

Sportfunctie

1

2

3

*

10

Winkelfunctie

1

2

3

*

11

Overige gebruiksfunctie

a

voor het stallen van motorvoertuigen

1

2

3

*

b

voor het personenvervoer

1

2

3

*

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.208

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:

  1. de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw, voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage aangegeven waarde;

  2. de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage aangegeven hoogte; of

  3. deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een gebruiksoppervlakte of hoogte als bedoeld onder a of b.

Lid 2

Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.

Lid 3

Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenzen, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:

  1. de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;

  2. de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is; of

  3. het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.

Lid 4

Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.

Artikel 4.209

Lid 1

Een in artikel 4.208 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:

  1. naar een zorgcentrale bij zorg op afroep; en

  2. naar een zusterpost bij 24-uurszorg.

Lid 2

Een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.

Artikel 4.210

In de in bijlage II aangewezen gevallen heeft een in artikel 4.208 voorgeschreven brandmeldinstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.211

Lid 1

Bij een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

Lid 2

Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.

Lid 3

Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.

Lid 4

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208.

Lid 5

In aanvulling op het derde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 4.212

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers bij brand tijdig het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.212 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.212

gebruiksfunctie

leden van toepassing

ontruimtingsalarminstallatie

inspectiecertificaat

ontruimingsalarminstallatie

vluchtrouteaanduidingen

deuren in vluchtroutes,

draairichting

deuren in vluchtroutes,

weerstand bij het openen

zelfsluitende

constructieonderdelen

lift voor vluchten bij brand

artikel

4.213

4.214

4.215

4.216

4.217

4.218

4.218a

lid

1

2

3

*

1

2

3

4

5

1

2

3

4

1

2

3

4

5

6

1

2

3

4

5

*

1

Woonfunctie

a.

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

*

1

3

4

5

6

1

2

3

*

b.

andere woonfunctie voor zorg

1

*

1

3

4

5

1

2

3

*

c.

voor kamergewijze verhuur

1

1

3

4

5

1

2

3

*

d.

andere woonfunctie

1

3

4

5

1

4

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

3

Celfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

5

4

Gezondheidszorgfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

5

Industriefunctie

a.

lichte industriefunctie

2

3

2

3

4

5

6

1

b.

andere industriefunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

6

Kantoorfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking

1

3

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

b.

in een ander logiesgebouw

1

2

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

c.

andere logiesfunctie

2

3

2

3

4

5

6

1

8

Onderwijsfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

9

Sportfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

10

Winkelfunctie

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

11

Overige gebruiksfunctie

a.

voor het stallen van motorvoertuigen

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

b.

voor het personenvervoer

1

*

1

3

4

2

3

2

3

4

5

6

1

c.

andere overige gebruiksfunctie

2

3

2

3

4

5

6

1

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

2

3

5

4

4

5

6

1

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

2

3

2

4

5

6

1

Artikel 4.213

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.

Lid 2

Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.

Lid 3

In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.

Artikel 4.214

Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213, eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 4.210 van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.215

Lid 1

Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 3011 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in artikel 5.4.5 van NEN-EN 1838.

Lid 2

Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang, bedoeld in artikel 4.68, derde lid.

Lid 3

Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid:

  1. is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats; en

  2. voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de zichtbaarheidseisen die volgen uit het eerste en tweede lid.

Lid 4

Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 4.195, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.

Lid 5

Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.68, derde lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.

Artikel 4.216

Lid 1

Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute die toegang geeft tot een trappenhuis van een woongebouw draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Lid 2

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 37 personen op die uitgang zijn aangewezen.

Lid 3

Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.

Lid 4

Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.

Artikel 4.217

Lid 1

Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:

  1. door een lichte druk tegen de deur; of

  2. met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of NEN-EN 1125.

Lid 2

Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:

  1. een lichte druk tegen de deur; of

  2. een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.

Lid 3

Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.

Lid 4

Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.

Lid 5

Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.

Lid 6

Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.

Artikel 4.218

Lid 1

Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.

Lid 2

Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.

Lid 3

Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.

Lid 4

Een toegangsdeur van een woonfunctie is alleen zelfsluitend bij brand in de woonfunctie of het woongebouw waarin de woonfunctie is gelegen.

Lid 5

Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.

Artikel 4.218a

De voorziening voor elektriciteit van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw voert alleen door een kruipruimte, de liftschacht of een ruimte die alleen wordt gebruikt voor deze voorziening en waarbij de weerstand tegen brandoverslag en branddoorslag van een naastgelegen ruimte naar deze ruimte ten minste 60 minuten is bepaald volgens NEN 6068.

Artikel 4.219

Lid 1

Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.219 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.219

gebruiksfunctie

leden van toepassing

waarden

brandslanghaspels

droge blusleidingen

bluswatervoorziening wegtunnel

blustoestellen

automatische brandblusinstallatie

tijdelijk bouwwerk

brandslanghaspels

artikel

4.220

4.221

4.222

4.223

4.223a

4.224

4.220

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

6

*

1

2

3

1

2

3

4

*

2

1

Woonfunctie

[m2]

a.

voor zorg met een g.o. > 500 m2

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

b.

voor kamergewijze verhuur

1

3

4

5

6

1

3

*

c.

andere woonfunctie

1

3

4

5

6

*

2

Bijeenkomstfunctie

a.

voor kinderopvang

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

b.

andere bijeenkomstfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

3

Celfunctie

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

4

Gezondheidszorgfunctie

a.

met bedgebied

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

b.

ander gezondheidszorgfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

5

Industriefunctie

a.

lichte industriefunctie

1

3

4

5

6

3

*

b.

andere industriefunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

1000

6

Kantoorfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

b.

andere logiesfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

8

Onderwijsfunctie

1

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

9

Sportfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

10

Winkelfunctie

2

3

4

5

1

3

4

5

6

3

*

500

11

Overige gebruiksfunctie

1

3

4

5

6

3

1

2

3

4

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

2

4

*

2

3

*

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.220

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.

Lid 2

Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de waarde, vermeld in tabel 4.219.

Lid 3

De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit is niet van toepassing op een niet in een gebruiksgebied gelegen vloer die alleen door niet-besloten ruimten kan worden bereikt.

Lid 4

Een brandslanghaspel:

  1. heeft een slang met een lengte van niet meer dan 30 m;

  2. is aangesloten op een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 4.202, die bij het mondstuk een statische druk geeft van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m3/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels; en

  3. ligt niet in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert.

Lid 5

Een brandslanghaspel lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.221

Lid 1

Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.

Lid 2

Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 4.222 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Lid 3

De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 60 m.

Lid 4

Een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594.

Lid 5

Als op een verdieping een afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft een droge blusleiding op elke verdieping een brandslangaansluiting in die vluchtroute en in de eerste ruimte op de route tussen die vluchtroute en een op die verdieping gelegen gebruiksgebied.

Lid 6

Als op een verdieping binnen de in het derde lid bedoelde afstand geen afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft de verdieping, in afwijking van het vijfde lid, een brandslangaansluiting in het trappenhuis en in de eerste ruimte op de route tussen dat trappenhuis en het gebruiksgebied.

Artikel 4.222

Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.

Artikel 4.223

Lid 1

Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 4.220.

Lid 2

Elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een draagbaar blustoestel.

Lid 3

Een blustoestel is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.

Artikel 4.223a

Lid 1

Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is voorzien van een automatische brandblusinstallatie als boven deze gebruiksfunctie een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderen jonger dan 4 jaar, celfunctie, logiesfunctie of gezondheidszorgfunctie met bedgebied is gelegen.

Lid 2

Als de bovengelegen gebruiksfunctie een vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet als:

  1. de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen een gebruiksoppervlakte heeft die 1.000 m2 of kleiner is;

  2. de bovengelegen gebruiksfunctie ten minste een vluchtroute als bedoeld in artikel 4.65 heeft waarvan de ruimte waardoor deze vluchtroute voert niet bereikbaar is vanuit de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen; en

  3. de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen geen automatisch parkeersysteem heeft.

Lid 3

Als de bovengelegen gebruiksfunctie geen vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet, tenzij:

  1. de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen een gebruiksoppervlakte heeft die groter is dan 1.000 m2; en

  2. de bovengelegen gebruiksfunctie slechts één vluchtroute zoals bedoeld in artikel 4.65 heeft waarvan de ruimte waardoor deze vluchtroute voert bereikbaar is vanuit de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.

Lid 4

De automatische brandblusinstallatie is voor ingebruikname van het bouwwerk voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.

Artikel 4.224

Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.220 en 4.221 van toepassing.

Artikel 4.225

Lid 1

Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.225 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.225

gebruiksfunctie

leden van toepassing

brandweeringang

afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang

brandweerlift

mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten

afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten

oplaadpunten elektrische voertuigen

artikel

4.226

4.227

4,228

4,229

4,230

4.230a

lid

1

2

*

*

1

2

*

1

2

1

Woonfunctie

1

2

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

1

2

*

*

1

*

3

Celfunctie

1

2

*

*

1

*

4

Gezondheidszorgfunctie

1

2

*

*

1

*

5

Industriefunctie

1

2

*

*

1

*

6

Kantoorfunctie

1

2

*

*

1

*

7

Logiesfunctie

a.

in een logiesgebouw

1

2

*

*

1

*

b.

andere logiesfunctie

1

2

*

*

8

Onderwijsfunctie

1

2

*

*

1

*

9

Sportfunctie

1

2

*

*

1

*

10

Winkelfunctie

1

2

*

*

1

*

11

Overige gebruiksfunctie

1

2

*

1

*

1

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

a.

wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

1

2

*

2

*

b.

ander bouwwerk geen gebouw zijnde

1

2

*

1

*

Artikel 4.226

Lid 1

Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.

Lid 2

In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 4.227

Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.226 kan alleen inhouden:

  1. dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist; of

  2. het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.

Artikel 4.228

Een gebouw waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau heeft een brandweerlift.

Artikel 4.229

Lid 1

Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.

Lid 2

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.

Artikel 4.230

Met een maatwerkvoorschrift over artikel 4.229 kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.

Artikel 4.230a

Lid 1

Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen heeft een voorziening waarmee de oplaadpunten voor elektrische voertuigen tegelijkertijd kunnen worden uitgeschakeld.

Lid 2

Bij de toegang voor motorvoertuigen van een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is kenbaar hoe de in eerste lid bedoelde voorziening is uitgevoerd en waar de oplaadpunten voor elektrische voertuigen zich bevinden.

Artikel 4.231

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.232

Een hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.

Artikel 4.233

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.

Artikel 4.234

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen in een rijbaanvloer ten minste iedere 20 m gemeten in de lengterichting van de tunnelbuis, een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.

Artikel 4.235

Lid 1

Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft een zelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.

Lid 2

In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.

Lid 4

Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.

Artikel 4.236

Lid 1

Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:

  1. waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute;

  2. voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis; en

  3. om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.

Lid 2

Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.

Artikel 4.237

De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.

Artikel 4.238

Lid 1

Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.239

Lid 1

Een toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.

Lid 2

Een hoofdtoegang van een woongebouw:

  1. heeft aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een op die toegang aangewezen woonfunctie waarneembaar is;

  2. heeft een spreekinstallatie die vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie kan worden bediend; en

  3. kan vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie worden geopend.

Artikel 4.240

Lid 1

Een gebouw is zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.241

Lid 1

Als onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, heeft een gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen.

Lid 2

Als een gebouw gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid nodig heeft om onderhoud veilig te kunnen uitvoeren, wordt bij het beoordelen van die voorzieningen gebruikgemaakt van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen.

Artikel 4.242

Lid 1

Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.243

Lid 1

Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.

Lid 2

De kooldioxidemeter:

  1. functioneert continu op:

    1. de gangbare elektrische netspanning, waarbij een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting de ingestelde signaalniveaus niet verstoort; of

    2. een elektrische voeding met een signaalfunctie als de capaciteit van die voeding een minimumniveau heeft bereikt;

  2. kalibreert zichzelf automatisch;

  3. heeft ten minste een CO2-meetfunctie met:

    1. een meetbereik van ten minste 300 tot 5.000 ppm;

    2. een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 °C;

    3. een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 °C:

      1. bij een CO2-waarde van 300–1.000 ppm: < 10% van meetwaarde; en

      2. bij een CO2-waarde van 1.000–5.000 ppm: < 100 ppm; en

    4. een resolutie van 1 ppm;

  4. waarschuwt tijdig voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie over de mate waarin de ruimte wordt geventileerd;

  5. heeft drie signaalniveaus met een eigen kleurcode:

    1. een CO2-concentratie van minder dan 1.001 ppm;

    2. een CO2-concentratie van 1.001 tot en met 1.400 ppm; en

    3. een CO2-concentratie van meer dan 1.400 ppm; en

  6. heeft een duidelijk display waarop de CO2-concentratie afleesbaar is, waarbij de hoogte van cijfers en letters in het display ten minste 8 mm bedraagt.

Artikel 4.244

Lid 1

Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit heeft een voorziening voor de aansluiting op een openbaar elektronischecommunicatienetwerk met zeer hoge capaciteit.

Lid 2

Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.244 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

Tabel 4.244

gebruiksfunctie

Leden van toepassing

fysieke gigabitinfrastructuur

artikel

4.245

lid

1

2

3

4

5

1

Woonfunctie

a

voor studenten

b

andere woonfunctie

1

2

3

4

5

2

Bijeenkomstfunctie

1

3

4

5

3

Celfunctie

1

3

4

5

4

Gezondheidszorgfunctie

1

3

4

5

5

Industriefunctie

a

lichte industriefunctie

b

andere industriefunctie

1

3

4

5

6

Kantoorfunctie

1

3

4

5

7

Logiesfunctie

1

3

4

5

8

Onderwijsfunctie

1

3

4

5

9

Sportfunctie

1

3

4

5

10

Winkelfunctie

1

3

4

5

11

Overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 4.245

Lid 1

Een gebruiksfunctie heeft een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling, met inbegrip van aansluitingen tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met het openbare netwerk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.

Lid 2

Een woongebouw heeft een toegangspunt als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.

Lid 3

Een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling als bedoeld in het eerste lid en een toegangspunt als bedoeld in het tweede lid voldoen aan de technische eisen, gesteld bij ministeriële regeling.

Lid 4

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:

  1. een gebouw of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking;

  2. een gebouw of gedeelte daarvan dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten; en

  3. een nevengebruiksfunctie.

Lid 5

De glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur komt uit in een toegankelijke niet-gemeenschappelijke ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 0,77 x 0,35 m2 en een hoogte boven die vloer van ten minste 2,4 m.

Artikel 4.246

Vervallen

Artikel 4.247

Lid 1

Een gebouw heeft technische bouwsystemen die voldoen aan eisen voor optimaal energiegebruik.

Lid 2

Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 4.248

Lid 1

Een technisch bouwsysteem voldoet aan de in tabel 4.248 opgenomen waarde voor de energieprestatie.

Lid 2

Een technisch bouwsysteem, is adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar.

Lid 3

Een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming of ruimtekoeling of een combinatie daarvan, is voorzien van zelfregulerende apparatuur waarmee de temperatuur per verblijfsgebied of verblijfsruimte kan worden gereguleerd.

Lid 4

Als een technisch bouwsysteem bestaat uit een combinatie van de in de tabel opgenomen bouwsystemen, worden de in het eerste lid bedoelde eisen naar rato berekend op basis van de eisen die gelden voor de systemen die deel uitmaken van de combinatie.

Tabel 4.248

Technisch bouwsysteem

Waarde voor de energieprestatie woonfunctie

Waarde voor de energieprestatie overig

Ruimteverwarming

≤1,31

≤1,31

Ruimtekoeling

≤1,33

≤1,33

Ventilatie

≤3,8 kWh/(m3/u)

Warm tapwater

≤3,45

≤3,45

Ingebouwde verlichting

≤75kWhprim/m2

Artikel 4.249

De energieprestatie van de in deze paragraaf bedoelde technische bouwsystemen wordt beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en overhandigd aan de gebouweigenaar.

Artikel 4.250

Op een verblijfsruimte die niet bestemd is om te worden verwarmd of gekoeld, of waarbij de verwarming of koeling uitsluitend is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen zijn de eisen aan ruimteverwarming en ruimtekoeling, bedoeld in de artikelen 4.248, derde lid, en 4.249 niet van toepassing.