Afdeling 4.7. Bouwwerkinstallaties
Wordt genoemd in:
Artikel 4.193
Lid 1
Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.193 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.193gebruiksfunctie
leden van toepassing
verlichting
noodverlichting
aansluiting op voorziening
voor elektriciteit
verduisterde ruimte
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
*
*
1
Woonfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
3
Celfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
–
b
andere industriefunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
6
Kantoorfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
b
andere logiesfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
–
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
9
Sportfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
10
Winkelfunctie
1
–
–
4
–
1
–
3
–
5
*
*
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het personenvervoer
–
2
3
4
–
–
2
3
–
5
*
*
b
voor het stallen van motorvoertuigen
–
2
–
4
–
–
2
3
–
5
*
*
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
*
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
4
5
–
–
3
4
5
*
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
4
–
–
–
3
–
5
*
*
Artikel 4.194
Lid 1
Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 2
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 3
Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 4
Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.
Lid 5
Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux en een voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.
Artikel 4.195
Lid 1
Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.
Lid 2
Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 4.194, tweede lid, heeft noodverlichting.
Lid 3
Een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft noodverlichting.
Lid 4
Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.
Lid 5
Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op de vloer en het tredevlak gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.
Artikel 4.196
Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 4.194 en 4.195 is aangesloten op een in artikel 4.199 bedoelde voorziening voor elektriciteit.
Artikel 4.197
Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.
Artikel 4.198
Lid 1
Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.199
Lid 1
Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:
NEN 1010 bij lage spanning; en
NEN-EN-IEC 61936-1 en NEN-EN 50522 bij hoge spanning.
Lid 2
In aanvulling op het eerste lid, aanhef en onder a, voldoen oplaadpunten voor elektrische voertuigen in een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010.
Artikel 4.200
Lid 1
Een voorziening voor gas voldoet aan:
NEN 1078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en
NEN-EN 15001-1 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.
Lid 2
Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor gas heeft, voor die aansluiting, leidingdoorvoeren en een mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.
Artikel 4.201
Lid 1
Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.202
Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.
Artikel 4.203
Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.
Artikel 4.204
Lid 1
Een bouwwerk heeft een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater waarmee het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.204 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.204gebruiksfunctie
leden van toepassing
afvoer van huishoudelijk
afvalwater
afvoer van hemelwater
artikel
lid
1
2
1
2
1
Woonfunctie
1
2
1
2
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
1
2
3
Celfunctie
1
2
1
2
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
1
2
5
Industriefunctie
1
2
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
1
2
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
1
2
1
2
b
andere logiesfunctie
1
2
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
1
2
9
Sportfunctie
1
2
1
2
10
Winkelfunctie
1
2
1
2
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
–
–
Artikel 4.205
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor die opstelplaats een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.
Lid 2
Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater heeft een capaciteit, een lucht- en waterdichtheid en een uitmonding en capaciteit van de ontspanningsleiding die voldoen aan NEN 3215.
Artikel 4.206
Lid 1
Een dak van een bouwwerk heeft een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater met een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens die norm bepaalde belasting van die voorziening.
Lid 2
Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.
Artikel 4.207
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.207 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.207Gebruiksfunctie
Leden van toepassing
brandmeldinstallatie
melding en doormelding
inspectiecertificaat
brandmeldinstallatie
rookmelders
Artikel
lid
1
2
3
4
1
2
*
1
2
3
4
5
1
Woonfunctie
a
zorgclusterwoning in een woongebouw
1
2
–
–
1
2
*
1
–
–
–
–
b
zorgclusterwoning niet in een woongebouw
1
2
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
c
groepszorgwoning voor 24-uurszorg
1
2
–
–
1
2
*
1
2
–
4
–
d
groepszorgwoning niet voor 24-uurszorg
1
2
–
–
1
–
*
1
2
–
4
–
e
voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
1
2
–
4
–
f
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor het aanschouwen van sport
–
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
–
2
*
–
–
3
4
–
c
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
–
2
*
–
–
–
–
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
2
*
–
–
–
–
–
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
andere industriefunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw met 24-uursbewaking
1
2
3
–
–
–
*
–
–
3
4
5
b
in een logiesgebouw zonder 24-uursbewaking
1
2
3
–
–
2
*
–
–
3
4
–
c
andere logiesfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
3
4
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
b
voor het personenvervoer
1
2
3
–
–
–
*
–
–
–
–
–
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.208
Lid 1
Een gebruiksfunctie heeft een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535 met een omvang van de bewaking en een doormelding zoals aangegeven in bijlage II, als:
de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw, voor zover die gebruiksfuncties op eenzelfde vluchtroute zijn aangewezen groter is dan de in die bijlage aangegeven waarde;
de hoogste vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het meetniveau hoger ligt dan op de in die bijlage aangegeven hoogte; of
deze bijlage dit aanwijst zonder dat sprake is van een gebruiksoppervlakte of hoogte als bedoeld onder a of b.
Lid 2
Een brandcompartiment waarin een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in het eerste lid ligt, heeft een brandmeldinstallatie met eenzelfde omvang van de bewaking en doormelding als die gebruiksfunctie.
Lid 3
Voor zover vanuit de uitgang van een verblijfsruimte in niet meer dan een richting kan worden gevlucht, zijn de buiten die verblijfsruimte gelegen ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert, evenals verblijfsruimten en ruimten met een verhoogd brandrisico en een doorgang die aan die buiten die verblijfsruimte gelegen ruimte grenzen, voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in NEN 2535, als:
de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan één richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is;
de totale vloeroppervlakte van de ruimten waardoor die enkele vluchtroute voert en van de daarop aangewezen verblijfsruimten meer dan 200 m2 is; of
het aantal op de enkele vluchtroute aangewezen verblijfsruimten meer dan twee is.
Lid 4
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als boven de in bijlage II bedoelde hoogste vloer niet meer dan zes opstelplaatsen voor bedden voor kinderen zijn.
Artikel 4.209
Lid 1
Een in artikel 4.208 bedoelde brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks:
naar een zorgcentrale bij zorg op afroep; en
naar een zusterpost bij 24-uurszorg.
Lid 2
Een doormelding als bedoeld in artikel 4.208 vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale van de brandweer.
Artikel 4.210
In de in bijlage II aangewezen gevallen heeft een in artikel 4.208 voorgeschreven brandmeldinstallatie voor ingebruikname van het bouwwerk een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Artikel 4.211
Lid 1
Bij een woonfunctie heeft een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van de woonfunctie een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.
Lid 2
Een verblijfsruimte heeft een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte in een wooneenheid als elke wooneenheid in de woonfunctie in een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment ligt met een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag vanuit dat beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment van ten minste 30 minuten.
Lid 3
Een verblijfsruimte en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert tussen de uitgang van een verblijfsruimte en de uitgang van het gebouw hebben een of meer rookmelders die voldoen aan en zijn geplaatst volgens de primaire inrichtingseisen, bedoeld in NEN 2555.
Lid 4
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208.
Lid 5
In aanvulling op het derde lid is het in de primaire inrichtingseisen bedoelde alarmeringssignaal permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 4.212
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat de gebruikers bij brand tijdig het bouwwerk kunnen ontvluchten of op een andere manier in veiligheid kunnen worden gebracht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.212 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.212gebruiksfunctie
leden van toepassing
ontruimtingsalarminstallatie
inspectiecertificaat
ontruimingsalarminstallatie
vluchtrouteaanduidingen
deuren in vluchtroutes,
draairichting
deuren in vluchtroutes,
weerstand bij het openen
zelfsluitende
constructieonderdelen
lift voor vluchten bij brand
artikel
lid
1
2
3
*
1
2
3
4
5
1
2
3
4
1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
5
*
1
Woonfunctie
a.
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
–
*
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
3
4
5
6
1
2
3
–
–
*
b.
andere woonfunctie voor zorg
1
–
–
*
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
3
4
5
–
1
2
3
–
–
*
c.
voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
1
–
3
4
5
–
1
2
3
–
–
*
d.
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
3
4
5
–
1
–
–
4
–
*
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
3
Celfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
5
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
5
Industriefunctie
a.
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
b.
andere industriefunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
6
Kantoorfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
7
Logiesfunctie
–
–
–
–
–
a.
in een logiesgebouw met 24-uurs bewaking
1
–
3
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
b.
in een ander logiesgebouw
1
2
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
c.
andere logiesfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
9
Sportfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
10
Winkelfunctie
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
a.
voor het stallen van motorvoertuigen
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
b.
voor het personenvervoer
1
–
–
*
1
–
3
4
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
c.
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
–
2
3
4
5
6
1
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a.
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
–
2
3
–
5
–
–
–
4
–
–
–
4
5
6
1
–
–
–
–
–
b.
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
3
–
–
2
–
4
5
6
1
–
–
–
–
–
Artikel 4.213
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 4.208 heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
Lid 2
Het ontruimingssignaal van een in het eerste lid bedoelde ontruimingsalarminstallatie wordt bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder onmiddellijk en in het gehele gebouw in werking gesteld.
Lid 3
In aanvulling op het eerste lid is het ontruimingssignaal van een ontruimingsalarminstallatie permanent waarneembaar door de voor de 24-uursbewaking van de logiesfunctie verantwoordelijke functionaris of vindt rechtstreekse doormelding plaats naar die functionaris.
Artikel 4.214
Een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 4.213, eerste lid, die behoort bij een brandmeldinstallatie waarop artikel 4.210 van toepassing is, heeft een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Artikel 4.215
Lid 1
Een ruimte waardoor een verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 3011 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in artikel 5.4.5 van NEN-EN 1838.
Lid 2
Een wegtunnel heeft een vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088 en aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. De vluchtrouteaanduiding is niet hoger dan 1,5 m boven de vloer aangebracht en de afstand tussen vluchtrouteaanduidingen is niet meer dan 25 m, gemeten langs de tunnelwand. Bij de vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar aangegeven de loopafstand in twee richtingen tot het einde van de tunnelbuis of, als die loopafstand korter is, de loopafstand tot de meest nabije toegang, bedoeld in artikel 4.68, derde lid.
Lid 3
Een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste of tweede lid:
is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats; en
voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, gedurende een periode van ten minste 60 minuten, aan de zichtbaarheidseisen die volgen uit het eerste en tweede lid.
Lid 4
Op een vluchtrouteaanduiding als bedoeld in het eerste lid gelegen op een vluchtroute vanuit een ruimte met een verlichtingsinstallatie die geen noodverlichting is als bedoeld in artikel 4.195, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet van toepassing.
Lid 5
Een deur in een tunnel die toegang geeft tot een beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.68, derde lid, is uitgevoerd in de kleur groen, RAL 6024.
Artikel 4.216
Lid 1
Een deur op een gemeenschappelijke vluchtroute die toegang geeft tot een trappenhuis van een woongebouw draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.
Lid 2
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in als meer dan 37 personen op die uitgang zijn aangewezen.
Lid 3
Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn.
Lid 4
Een deur op een vluchtroute draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in.
Artikel 4.217
Lid 1
Een deur op een vluchtroute vanaf de uitgang van een wooneenheid naar de uitgang van de woonfunctie voor kamergewijze verhuur kan worden geopend:
door een lichte druk tegen de deur; of
met behulp van een ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179 of NEN-EN 1125.
Lid 2
Een deur waarop bij het vluchten meer dan 100 personen zijn aangewezen kan worden geopend door:
een lichte druk tegen de deur; of
een lichte druk tegen een op circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125.
Lid 3
Een deur op een vluchtroute die begint in een ruimte voor het insluiten van personen, kan tijdens het vluchten met een sleutel worden geopend.
Lid 4
Een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole op een vluchtroute mogen het vluchten niet belemmeren.
Lid 5
Een deur die toegang geeft tot een overdruktrappenhuis is voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn. Dit is niet van toepassing op een schuifdeur.
Lid 6
Aan de aan de buitenlucht grenzende zijde van een nooddeur is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of «nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor aanvullende tekens in NEN 3011.
Artikel 4.218
Lid 1
Een beweegbaar constructieonderdeel in een inwendige scheidingsconstructie waarvoor een eis aan de weerstand tegen branddoorslag, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag of weerstand tegen rookdoorgang geldt, is zelfsluitend.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor een deur in een niet-gemeenschappelijke doorgang.
Lid 3
Het tweede lid geldt niet voor een deur in een gezamenlijke doorgang.
Lid 4
Een toegangsdeur van een woonfunctie is alleen zelfsluitend bij brand in de woonfunctie of het woongebouw waarin de woonfunctie is gelegen.
Lid 5
Het eerste lid geldt niet voor een deur van een celeenheid.
Artikel 4.218a
De voorziening voor elektriciteit van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw voert alleen door een kruipruimte, de liftschacht of een ruimte die alleen wordt gebruikt voor deze voorziening en waarbij de weerstand tegen brandoverslag en branddoorslag van een naastgelegen ruimte naar deze ruimte ten minste 60 minuten is bepaald volgens NEN 6068.
Artikel 4.219
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.219 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.219gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
brandslanghaspels
droge blusleidingen
bluswatervoorziening wegtunnel
blustoestellen
automatische brandblusinstallatie
tijdelijk bouwwerk
brandslanghaspels
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
6
*
1
2
3
1
2
3
4
*
2
1
Woonfunctie
[m2]
a.
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
b.
voor kamergewijze verhuur
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
6
–
1
–
3
–
–
–
–
*
–
c.
andere woonfunctie
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
6
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
2
Bijeenkomstfunctie
a.
voor kinderopvang
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
b.
andere bijeenkomstfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
3
Celfunctie
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
4
Gezondheidszorgfunctie
a.
met bedgebied
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
b.
ander gezondheidszorgfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
5
Industriefunctie
a.
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
b.
andere industriefunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
1000
6
Kantoorfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
7
Logiesfunctie
a.
in een logiesgebouw
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
b.
andere logiesfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
–
9
Sportfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
10
Winkelfunctie
–
2
3
4
5
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
–
–
–
–
*
500
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
1
–
3
4
5
6
–
–
–
3
1
2
3
4
*
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a.
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
–
–
2
–
4
–
–
*
–
2
3
–
–
–
–
*
–
b.
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.220
Lid 1
Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel.
Lid 2
Een gebruiksfunctie heeft ten minste een brandslanghaspel als de gebruiksoppervlakte van de gebruiksfunctie of de totale gebruiksoppervlakte aan gebruiksfuncties van dezelfde soort in het gebouw groter is dan de waarde, vermeld in tabel 4.219.
Lid 3
De gecorrigeerde loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie is niet groter dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit is niet van toepassing op een niet in een gebruiksgebied gelegen vloer die alleen door niet-besloten ruimten kan worden bereikt.
Lid 4
Een brandslanghaspel:
heeft een slang met een lengte van niet meer dan 30 m;
is aangesloten op een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 4.202, die bij het mondstuk een statische druk geeft van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit heeft van 1,3 m3/h bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels; en
ligt niet in een ruimte met een trap waarover een beschermde vluchtroute voert.
Lid 5
Een brandslanghaspel lid is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.
Artikel 4.221
Lid 1
Een gebruiksfunctie met een vloer van een verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 m boven het meetniveau heeft een droge blusleiding.
Lid 2
Een wegtunnelbuis heeft een op een in artikel 4.222 bedoelde bluswatervoorziening aangesloten droge blusleiding met in elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 een brandslangaansluiting die bij brand een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.
Lid 3
De loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een droge blusleiding en een punt in een op die aansluiting aangewezen gebruiksgebied is niet groter dan 60 m.
Lid 4
Een droge blusleiding voldoet aan NEN 1594.
Lid 5
Als op een verdieping een afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft een droge blusleiding op elke verdieping een brandslangaansluiting in die vluchtroute en in de eerste ruimte op de route tussen die vluchtroute en een op die verdieping gelegen gebruiksgebied.
Lid 6
Als op een verdieping binnen de in het derde lid bedoelde afstand geen afzonderlijke beschermde vluchtroute als bedoeld in artikel 4.77, eerste lid, ligt, heeft de verdieping, in afwijking van het vijfde lid, een brandslangaansluiting in het trappenhuis en in de eerste ruimte op de route tussen dat trappenhuis en het gebruiksgebied.
Artikel 4.222
Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 120 m3/h kan leveren.
Artikel 4.223
Lid 1
Een woonfunctie voor kamergewijze verhuur heeft een draagbaar blustoestel in een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert. Dit is niet van toepassing op de aanwezigheid van brandslanghaspels als bedoeld in artikel 4.220.
Lid 2
Elke hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een draagbaar blustoestel.
Lid 3
Een blustoestel is duidelijk zichtbaar opgehangen of gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011.
Artikel 4.223a
Lid 1
Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is voorzien van een automatische brandblusinstallatie als boven deze gebruiksfunctie een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderen jonger dan 4 jaar, celfunctie, logiesfunctie of gezondheidszorgfunctie met bedgebied is gelegen.
Lid 2
Als de bovengelegen gebruiksfunctie een vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet als:
de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen een gebruiksoppervlakte heeft die 1.000 m2 of kleiner is;
de bovengelegen gebruiksfunctie ten minste een vluchtroute als bedoeld in artikel 4.65 heeft waarvan de ruimte waardoor deze vluchtroute voert niet bereikbaar is vanuit de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen; en
de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen geen automatisch parkeersysteem heeft.
Lid 3
Als de bovengelegen gebruiksfunctie geen vloer van een verblijfsgebied heeft die hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau geldt het eerste lid niet, tenzij:
de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen een gebruiksoppervlakte heeft die groter is dan 1.000 m2; en
de bovengelegen gebruiksfunctie slechts één vluchtroute zoals bedoeld in artikel 4.65 heeft waarvan de ruimte waardoor deze vluchtroute voert bereikbaar is vanuit de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.
Lid 4
De automatische brandblusinstallatie is voor ingebruikname van het bouwwerk voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Artikel 4.224
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.220 en 4.221 van toepassing.
Artikel 4.225
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig toegankelijk voor hulpverleningsdiensten dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.225 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.225gebruiksfunctie
leden van toepassing
brandweeringang
afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang
brandweerlift
mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten
afbakening maatwerkvoorschriften mobiele communicatie hulpverleningsdiensten
oplaadpunten elektrische voertuigen
artikel
lid
1
2
*
*
1
2
*
1
2
1
Woonfunctie
1
2
*
*
–
–
*
–
–
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
3
Celfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
5
Industriefunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
6
Kantoorfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
7
Logiesfunctie
a.
in een logiesgebouw
1
2
*
*
1
–
*
–
–
b.
andere logiesfunctie
1
2
*
*
–
–
–
–
–
8
Onderwijsfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
9
Sportfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
10
Winkelfunctie
1
2
*
*
1
–
*
–
–
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
*
–
1
–
*
1
2
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a.
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
*
–
–
2
*
–
–
b.
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
*
–
1
–
*
–
–
Artikel 4.226
Lid 1
Een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat heeft een brandweeringang.
Lid 2
In een bouwwerk met een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding wordt een brandweeringang bij een brandmelding automatisch ontsloten of ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 4.227
Een maatwerkvoorschrift over artikel 4.226 kan alleen inhouden:
dat een bouwwerk geen brandweeringang hoeft te hebben als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist; of
het aanwijzen van een of meer toegangen als brandweeringang als een bouwwerk meerdere toegangen heeft.
Artikel 4.228
Een gebouw waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau heeft een brandweerlift.
Artikel 4.229
Lid 1
Een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk waarbij het goed functioneren van hulpverleningsdiensten afhankelijk is van mobiele radiocommunicatie heeft, als dat voor die communicatie nodig is, een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk.
Lid 2
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een adequate installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten die wegtunnel.
Artikel 4.230
Met een maatwerkvoorschrift over artikel 4.229 kan alleen nadere invulling worden gegeven aan de maatregelen voor binnenhuisdekking.
Artikel 4.230a
Lid 1
Een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen heeft een voorziening waarmee de oplaadpunten voor elektrische voertuigen tegelijkertijd kunnen worden uitgeschakeld.
Lid 2
Bij de toegang voor motorvoertuigen van een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen is kenbaar hoe de in eerste lid bedoelde voorziening is uitgevoerd en waar de oplaadpunten voor elektrische voertuigen zich bevinden.
Artikel 4.231
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft zodanige voorzieningen dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.232
Een hulppost als bedoeld in artikel 4.86 heeft een noodtelefoon en een wandcontactdoos met een elektrische spanning van 230 volt.
Artikel 4.233
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m is aangesloten op een bedieningscentrale met een voorziening voor permanente videobewaking en automatische detectie van ongevallen en van brand.
Artikel 4.234
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van verspreiding van giftige vloeistoffen in een rijbaanvloer ten minste iedere 20 m gemeten in de lengterichting van de tunnelbuis, een voorziening voor de afvoer van brandbare en giftige vloeistoffen.
Artikel 4.235
Lid 1
Een op een wegtunnelbuis aansluitende rijbaan heeft een zelfde aantal rijstroken als de rijbaan in de wegtunnelbuis. Een eventuele wijziging van het aantal rijstroken buiten de tunnelbuis vindt op zodanige afstand van de tunnelbuis plaats dat geen onrustige verkeersbewegingen in de tunnelbuis door die wijziging kunnen optreden.
Lid 2
In een wegtunnelbuis is geen tweerichtingsverkeer toegestaan.
Lid 3
In afwijking van het tweede lid is tweerichtingsverkeer toegestaan als is aangetoond dat eenrichtingsverkeer in verband met fysieke, geografische of verkeerstechnische omstandigheden niet mogelijk is en het tweerichtingsverkeer met voldoende veiligheidswaarborgen is omgeven.
Lid 4
Bij toepassing van het in het derde lid bedoelde tweerichtingsverkeer is de wegtunnelbuis in ieder geval voorzien van een systeem voor permanent toezicht en een systeem voor de afsluiting van rijstroken en is de toegestane maximumsnelheid ten hoogste 70 km per uur.
Artikel 4.236
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 500 m heeft een voorziening:
waarmee door luidsprekers mededelingen kunnen worden gedaan aan personen op elke rijbaan en vluchtroute;
voor heruitzending van radiosignalen in elke wegtunnelbuis; en
om radio-uitzendingen te kunnen onderbreken om mededelingen te doen.
Lid 2
Een mededeling als bedoeld in het eerste lid, onder a en c, wordt ten minste in het Nederlands en het Engels gedaan.
Artikel 4.237
De voor een evacuatie noodzakelijke voorzieningen, systemen en installaties in een wegtunnel die voor het functioneren zijn aangewezen op een voorziening voor elektriciteit, zijn aangesloten op een voorziening die binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten de werking van die voorzieningen, systemen en installaties zeker stelt.
Artikel 4.238
Lid 1
Een woongebouw heeft voorzieningen waarmee veel voorkomende criminaliteit wordt voorkomen.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.239
Lid 1
Een toegang van een woongebouw heeft een zelfsluitende deur die van buitenaf niet zonder sleutel kan worden geopend.
Lid 2
Een hoofdtoegang van een woongebouw:
heeft aan de buitenkant een voorziening waarmee een signaal kan worden gegeven dat in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een op die toegang aangewezen woonfunctie waarneembaar is;
heeft een spreekinstallatie die vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie kan worden bediend; en
kan vanuit ten minste een niet-gemeenschappelijke ruimte van een op die toegang aangewezen woonfunctie worden geopend.
Artikel 4.240
Lid 1
Een gebouw is zodanig dat onderhoud aan het gebouw veilig kan worden uitgevoerd.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.241
Lid 1
Als onderhoud niet veilig kan worden uitgevoerd zonder gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen, heeft een gebouw daarvoor voldoende gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen.
Lid 2
Als een gebouw gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid nodig heeft om onderhoud veilig te kunnen uitvoeren, wordt bij het beoordelen van die voorzieningen gebruikgemaakt van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen.
Artikel 4.242
Lid 1
Een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een voorziening die inzicht geeft in de kwaliteit van de binnenlucht.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.243
Lid 1
Een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra heeft een kooldioxidemeter.
Lid 2
De kooldioxidemeter:
functioneert continu op:
de gangbare elektrische netspanning, waarbij een tijdelijke onderbreking van de elektrische aansluiting de ingestelde signaalniveaus niet verstoort; of
een elektrische voeding met een signaalfunctie als de capaciteit van die voeding een minimumniveau heeft bereikt;
kalibreert zichzelf automatisch;
heeft ten minste een CO2-meetfunctie met:
een meetbereik van ten minste 300 tot 5.000 ppm;
een bedrijfstemperatuur van 0 – 50 °C;
een nauwkeurigheid in temperatuurbereik van +15 tot + 35 °C:
bij een CO2-waarde van 300–1.000 ppm: < 10% van meetwaarde; en
bij een CO2-waarde van 1.000–5.000 ppm: < 100 ppm; en
een resolutie van 1 ppm;
waarschuwt tijdig voor ventilatieproblemen door middel van een duidelijke indicatie over de mate waarin de ruimte wordt geventileerd;
heeft drie signaalniveaus met een eigen kleurcode:
een CO2-concentratie van minder dan 1.001 ppm;
een CO2-concentratie van 1.001 tot en met 1.400 ppm; en
een CO2-concentratie van meer dan 1.400 ppm; en
heeft een duidelijk display waarop de CO2-concentratie afleesbaar is, waarbij de hoogte van cijfers en letters in het display ten minste 8 mm bedraagt.
Artikel 4.244
Lid 1
Een bouwwerk met een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit heeft een voorziening voor de aansluiting op een openbaar elektronischecommunicatienetwerk met zeer hoge capaciteit.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.244 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.244gebruiksfunctie
Leden van toepassing
fysieke gigabitinfrastructuur
artikel
4.245
lid
1
2
3
4
5
1
Woonfunctie
a
voor studenten
–
–
–
–
–
b
andere woonfunctie
1
2
3
4
5
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
3
4
5
3
Celfunctie
1
–
3
4
5
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
3
4
5
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
b
andere industriefunctie
1
–
3
4
5
6
Kantoorfunctie
1
–
3
4
5
7
Logiesfunctie
1
–
3
4
5
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
4
5
9
Sportfunctie
1
–
3
4
5
10
Winkelfunctie
1
–
3
4
5
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
Artikel 4.245
Lid 1
Een gebruiksfunctie heeft een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling, met inbegrip van aansluitingen tot het fysieke punt waar de eindgebruiker verbinding maakt met het openbare netwerk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.
Lid 2
Een woongebouw heeft een toegangspunt als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.
Lid 3
Een glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur en binnenhuisglasvezelbekabeling als bedoeld in het eerste lid en een toegangspunt als bedoeld in het tweede lid voldoen aan de technische eisen, gesteld bij ministeriële regeling.
Lid 4
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:
een gebouw of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking;
een gebouw of gedeelte daarvan dat wordt gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten; en
een nevengebruiksfunctie.
Lid 5
De glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur komt uit in een toegankelijke niet-gemeenschappelijke ruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 0,77 x 0,35 m2 en een hoogte boven die vloer van ten minste 2,4 m.
Artikel 4.246
Vervallen
Artikel 4.247
Lid 1
Een gebouw heeft technische bouwsystemen die voldoen aan eisen voor optimaal energiegebruik.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.248
Lid 1
Een technisch bouwsysteem voldoet aan de in tabel 4.248 opgenomen waarde voor de energieprestatie.
Lid 2
Een technisch bouwsysteem, is adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar.
Lid 3
Een technisch bouwsysteem voor ruimteverwarming of ruimtekoeling of een combinatie daarvan, is voorzien van zelfregulerende apparatuur waarmee de temperatuur per verblijfsgebied of verblijfsruimte kan worden gereguleerd.
Lid 4
Als een technisch bouwsysteem bestaat uit een combinatie van de in de tabel opgenomen bouwsystemen, worden de in het eerste lid bedoelde eisen naar rato berekend op basis van de eisen die gelden voor de systemen die deel uitmaken van de combinatie.
Tabel 4.248Technisch bouwsysteem
Waarde voor de energieprestatie woonfunctie
Waarde voor de energieprestatie overig
Ruimteverwarming
≤1,31
≤1,31
Ruimtekoeling
≤1,33
≤1,33
Ventilatie
–
≤3,8 kWh/(m3/u)
Warm tapwater
≤3,45
≤3,45
Ingebouwde verlichting
–
≤75kWhprim/m2
Artikel 4.249
De energieprestatie van de in deze paragraaf bedoelde technische bouwsystemen wordt beoordeeld en gedocumenteerd door de installateur en overhandigd aan de gebouweigenaar.
Artikel 4.250
Op een verblijfsruimte die niet bestemd is om te worden verwarmd of gekoeld, of waarbij de verwarming of koeling uitsluitend is bestemd voor een ander doel dan het verblijven van personen zijn de eisen aan ruimteverwarming en ruimtekoeling, bedoeld in de artikelen 4.248, derde lid, en 4.249 niet van toepassing.