Afdeling 4.2. Veiligheid
Wordt genoemd in:
Artikel 4.11
Lid 1
Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend en is zodanig dat bij een calamiteit voortschrijdende instorting van het bouwwerk wordt voorkomen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.11gebruiksfunctie
leden van toepassing
Fundamentele
belastingscombinaties
Buitengewone
belastingscombinaties
bepalingsmethode niet
bezwijken
tijdelijk bouwwerk
artikel
lid
*
1
2
1
2
3
1
2
1
Woonfunctie
a
in een woongebouw
*
1
2
1
2
–
1
2
b
andere woonfunctie
*
1
2
1
2
3
1
2
7
Logiesfunctie
a
in een logiesgebouw
*
1
2
1
2
–
1
2
b
andere logiesfunctie
*
1
2
1
2
3
1
2
Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties
*
1
2
1
2
–
1
2
Artikel 4.12
Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990.
Artikel 4.13
Lid 1
Een bouwconstructie bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990, als dit leidt tot het bezwijken van een andere bouwconstructie die niet in de directe nabijheid ligt van de bouwconstructie. Daarbij wordt uitgegaan van de bekende buitengewone belastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.
Lid 2
Een dak of een vloerafscheiding bezwijkt gedurende de in NEN-EN 1990 bedoelde ontwerplevensduur niet bij de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in NEN-EN 1990. Daarbij wordt uitgegaan van stootbelastingen, bedoeld in NEN-EN 1991.
Artikel 4.14
Lid 1
Het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, wordt bepaald volgens:
NEN-EN 1999 of NEN-EN 1993, als de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen;
NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, als de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen;
NEN-EN 1994, als de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm;
NEN-EN 1995, als de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm;
NEN 2608, als de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm; of
NEN 6707, als de constructie van de bevestiging van de dakbedekking is vervaardigd van materiaal als bedoeld in die norm.
Lid 2
Als een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan bedoeld in het eerste lid, wordt het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, bepaald volgens NEN-EN 1990.
Lid 3
Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in de artikelen 4.12 en 4.13, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.
Artikel 4.15
Lid 1
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 5 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 en 4.14 van overeenkomstige toepassing.
Lid 2
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk met een ontwerplevensduur van 15 jaar als bedoeld in NEN-EN 1990 zijn de artikelen 4.12 tot en met 4.14 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.15a
Lid 1
Een drijvend bouwwerk en een drijvend tijdelijk bouwwerk heeft voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte.
Lid 2
Voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 of CC2 als bedoeld in NEN-EN 1990, zonder vloer van een verblijfsgebied hoger dan 6 m boven de waterlijn en niet gelegen in:
een rivier, kanaal, meer of ander water dat bestemd is voor motorvrachtschepen; of
een water dat onderhevig is aan getijdenwisseling;
wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.15b
Lid 1
De afstand tussen het metacentrum van een drijvend bouwwerk en het zwaartepunt van het drijvend bouwwerk is ten minste 0,25 m bij gevolgklasse CC1 en 0,60 m bij gevolgklasse CC2. Hierbij ligt het metacentrum boven het zwaartepunt.
Lid 2
De loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde waarboven een drijvend bouwwerk niet meer waterdicht is, is bepaald volgens NEN 2778 ten minste:
0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1;
0 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam zonder holle ruimte;
150 mm bij een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 met een drijflichaam met een of meer holle ruimten.
Lid 3
Als de significante golfhoogte, bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, vermenigvuldigd met 1,125 groter is dan 300 mm, wordt de in het tweede lid bedoelde afstand verhoogd met het verschil tussen de waarde in de tabel vermenigvuldigd met 1,125, en 300 mm.
Lid 4
De scheefstand van het horizontale vlak van het drijflichaam, behorend bij de in het tweede lid bedoelde afstand, mag niet groter zijn dan 5 graden.
Tabel 4.15b.1 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebied I (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd)Waterdiepte (m)
Strijklengte (m)
30
50
75
100
150
200
500
700
1.000
1.500
2
250
310
370
420
490
490
630
680
730
780
2.5
250
310
370
420
490
560
680
740
800
870
3
250
310
370
420
490
560
700
780
850
940
3.5
250
310
370
420
490
560
820
810
890
990
4
250
310
370
420
490
560
820
830
920
1.030
4.5
250
310
370
420
490
560
820
940
950
1.060
5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.090
5.5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.110
6
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.300
6.5
250
310
370
420
490
560
820
940
1.090
1.300
Tabel 4.15b.2 Significante golfhoogte in mm als functie van de waterdiepte en strijklengte voor windgebieden II en III (voor tussenliggende waarden mag lineair worden geïnterpoleerd)Waterdiepte (m)
Strijklengte (m)
30
50
75
100
150
200
500
700
1.000
1.500
2
230
290
340
390
460
460
600
650
700
750
2.5
230
290
340
390
460
520
640
700
760
830
3
230
290
340
390
460
520
670
740
810
890
3.5
230
290
340
390
460
520
760
760
850
940
4
230
290
340
390
460
520
760
880
870
980
4.5
230
290
340
390
460
520
760
880
890
1.010
5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.030
5.5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.050
6
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.210
6.5
230
290
340
390
460
520
760
880
1.020
1.210
Artikel 4.15c
Lid 1
De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, eerste lid, wordt bepaald op basis van:
de meest ongunstige belastingcombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;
de blijvende belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
scheidingswanden;
permanent aanwezige installatie;
het trimgewicht; en
de opgelegde belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
geen rekening wordt gehouden met een ongunstige plaatsing van de gebruiksbelasting op een vloer; en
op een vloer de extreme waarde van de belasting in rekening is gebracht en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht.
Lid 2
De afstand, bedoeld in artikel 4.15b, tweede en derde lid, wordt bepaald op basis van:
de meest ongunstige belastingscombinatie uitgaande van de grenstoestand EQU volgens NEN-EN 1990;
de blijvende belasting volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991 de volgende belastingen ook als blijvende belastingen worden beschouwd:
scheidingswanden;
permanent aanwezige installaties;
het trimgewicht; en
de veranderlijke belastingen volgens NEN-EN 1991, waarbij in afwijking van NEN-EN 1991:
de opgelegde belasting, als deze overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, op een vloer met de extreme waarde en op de meest ongunstige plaats wordt beschouwd en op de overige vloeren de reductiefactor ψo in rekening is gebracht, waarbij de opgelegde belasting niet gecombineerd wordt met overige veranderlijke belastingen;
de opgelegde belasting, als deze niet overheersend is als bedoeld in NEN-EN 1990, niet op de meest ongunstige plaats op een vloer wordt beschouwd; en
belastingen door golven volgens NEN-EN 1997 uitgaande van golven met een significante golfhoogte die zijn bepaald volgens de tabellen 4.15b.1 en 4.15b.2 voor zover deze hoger zijn dan 0,5 m.
Lid 3
De in het eerste en tweede lid bedoelde bepalingsmethoden worden alleen toegepast als:
de scheefstand van het drijvend bouwwerk bij oplevering niet groter is dan 0,5 graden;
het een drijvend bouwwerk betreft met een drijflichaam met holle ruimte beschikt over een waterniveau-alarm; en
het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft met een drijflichaam met holle ruimte, waarbij het drijflichaam bestaat uit ten minste twee gescheiden compartimenten en het drijvend bouwwerk beschikt over een automatische pomp die binnendringend water direct afvoert in ieder compartiment.
Artikel 4.15d
Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:
de belastingen die op het drijflichaam worden uitgeoefend als gevolg van de belastingcombinaties, bedoeld in artikel 4.15c, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a;
de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de volgende belastingen, zonder rekening te houden met het gelijktijdig plaatsvinden van die belastingen, zijn meegenomen als veranderlijke belasting:
de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997;
voor zover het een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC2 betreft de verticale belasting door golven tegen de onderkant van het drijflichaam, uitgaande van golven met een significante golfhoogte die is bepaald volgens tabel 4.15b.1 of 4.15b.2, voor zover deze golven hoger zijn dan 0,5 m; en
de buitengewone belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.13, waarbij het drijflichaam niet zodanig mag bezwijken dat het drijvend bouwwerk zinkt. Dit geldt niet voor een drijvend bouwwerk in gevolgklasse CC1 met niet meer dan twee bouwlagen.
Artikel 4.15e
Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:
de belastingen die op de aanmeerconstructies worden uitgeoefend als gevolg van de belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.15c, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a; en
de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in artikel 4.12, waarbij de belasting door ijs volgens NEN-EN 1997 is meegenomen als veranderlijke belasting.
Artikel 4.16
Lid 1
Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.16gebruiksfunctie
leden van toepassing
tijdsduur
niet-bezwijken
bepalingsmethode
niet-bezwijken
artikel
lid
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
1
Woonfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
1
2
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang met bedgebied
1
–
–
–
5
6
–
–
1
2
b
andere bijeenkomstfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
3
Celfunctie
1
–
–
–
5
6
–
–
1
2
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
–
–
–
5
6
–
–
1
2
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
5
Industriefunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
6
Kantoorfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
7
Logiesfunctie
1
–
–
–
5
6
–
–
1
2
8
Onderwijsfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
9
Sportfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
10
Winkelfunctie
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor personenvervoer
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
b
voor het stallen van motorvoertuigen
1
–
–
4
–
6
–
–
1
2
c
andere overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
–
–
–
–
7
–
1
2
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
8
1
2
Artikel 4.17
Lid 1
Een vloer, trap of hellingbaan waarover of waaronder een vluchtroute voert, bezwijkt niet binnen 30 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die vluchtroute niet ligt. Dit is niet van toepassing op de vloer van een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.175.
Lid 2
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Voor zover dat brandcompartiment een woonfunctie is, geldt dit niet voor een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.
Tabel 4.17a brandwerendheid met betrekking tot bezwijkenwoonfunctie
tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau
60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
120
Lid 3
In afwijking van het tweede lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau en de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.
Lid 4
Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau of lager dan 5 m onder het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Lid 5
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 4.17b aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Tabel 4.17b brandwerendheid met betrekking tot bezwijkengebruiksfunctie maar geen woonfunctie
tijdsduur in minuten
Als geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau
60
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
90
Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau
120
Lid 6
In afwijking van het vierde en vijfde lid wordt de tijdsduur met 30 minuten bekort als de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2.
Lid 7
Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 60 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 120 minuten bij brand in de tunnel.
Lid 8
Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.
Artikel 4.18
Lid 1
Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 4.17 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN-EN 1990 kunnen optreden bij brand.
Lid 2
De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 4.17, wordt afhankelijk van het materiaal van de bouwconstructie bepaald volgens:
NEN-EN 1992;
NEN-EN 1993;
NEN-EN 1994;
NEN-EN 1995;
NEN-EN 1996;
NEN-EN 1999; of
NEN 6069.
Artikel 4.19
Lid 1
Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.19 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.19gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
aanwezigheid
hoogte
openingen
voorkomen overklauteren
openingen
artikel
lid
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
5
1
2
1
[m]
1
Woonfunctie
1
2
3
4
–
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
–
1
–
0,2
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
2
3
4
–
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
–
1
–
0,1
b
andere kinderopvang
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
–
1
–
0,2
c
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
3
Celfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,3
4
Gezondheidszorgfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
5
Industriefunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
–
3
4
–
–
–
0,5
6
Kantoorfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
7
Logiesfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
8
Onderwijsfunctie
a
voor basisonderwijs
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
–
1
–
0,2
b
andere onderwijsfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
9
Sportfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
10
Winkelfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
–
1
2
3
4
5
1
2
0,5
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
voor langzaam verkeer
1
2
3
4
5
1
2
3
–
5
6
1
–
3
4
–
–
–
0,5
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
2
3
4
5
1
2
3
4
5
–
1
–
3
4
–
–
–
0,5
Artikel 4.20
Lid 1
Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een niet-beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.
Lid 2
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.
Lid 3
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een niet-beweegbare afscheiding.
Lid 4
Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
een trap; en
een hellingbaan.
Lid 5
Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:
een rand van een podium;
een rand van een vloer die aan een bassin grenst;
een rand van een laadvloer;
een rand van een perron; en
een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.
Artikel 4.21
Lid 1
Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 1 m, gemeten vanaf de vloer.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een vloer die hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m, gemeten vanaf de vloer.
Lid 3
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de vloer.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1,1 m is.
Lid 5
Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20, tweede of derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,85 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.
Lid 6
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een vloer waarvan de vloerafscheiding direct is gelegen naast een pad of strook bedoeld voor langzaam verkeer, een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,3 m, gemeten vanaf de vloer.
Artikel 4.22
Lid 1
Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 heeft geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 4.19 aangegeven diameter.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 tot een hoogte van 0,7 m boven een vloer of een tredevlak geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan 0,1 m.
Lid 3
De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 is niet groter dan 0,05 m.
Lid 4
De bovenregel van een in artikel 4.20 bedoelde afscheiding heeft geen onderbreking van meer dan 0,1 m.
Lid 5
Het tweede lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.
Artikel 4.23
Lid 1
Een afscheiding als bedoeld in artikel 4.20 of een constructieonderdeel dat, bouwwerkinstallatie die of onderdeel van een bouwwerkinstallatie dat aan of naast een dergelijke afscheiding is geplaatst heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op een vloer of een tredevlak of een gedeelte daarvan, niet bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar.
Artikel 4.24
Lid 1
Een bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.24 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.24gebruiksfunctie
leden van toepassing
voorziening bij hoogteverschil
afmetingen trap
markering trap
trapbordes
leuning
regenwerend
afmetingen hellingbaan
hellinbaanbordes
geleiderand
tijdelijk bouwwerk
artikel
lid
1
2
1
2
*
*
1
2
*
*
*
*
*
1
Woonfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
*
*
*
*
*
2
Bijeenkomstfunctie
a.
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
b.
andere kinderopvang
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
c.
voor alcoholgebruik
1
–
1
2
*
*
1
2
–
*
*
*
*
d.
voor het aanschouwen van sport, voor film, voor muziek, of voor theater
1
–
1
2
*
*
1
2
–
*
*
*
*
c.
andere bijeenkomstfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
3
Celfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
1
2
*
*
1
2
–
*
*
*
*
5
Industriefunctie
1
–
1
–
–
*
1
–
–
*
*
*
*
6
Kantoorfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
7
Logiesfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
8
Onderwijsfunctie
a.
voor basisonderwijs
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
b.
andere onderwijsfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
9
Sportfunctie
1
–
1
2
–
*
1
–
–
*
*
*
*
10
Winkelfunctie
1
–
1
2
*
*
1
2
–
*
*
*
*
11
Overige gebruiksfunctie
1
–
1
–
–
*
1
–
–
*
*
*
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a.
tunnel of tunnelvorming bouwwerk voor verkeer
1
2
1
–
–
*
1
–
–
*
*
*
*
b.
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
–
1
–
–
*
1
–
–
*
*
*
*
Artikel 4.25
Lid 1
Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt voor een hoogteverschil tussen:
vloeren waarover een vluchtroute voert;
vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten;
vloeren voor bezoekers; en
vloeren van een verkeersroute die deze vloeren met elkaar verbindt.
Dit geldt ook voor een hoogteverschil op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde vloer.
Lid 2
Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.
Artikel 4.26
Lid 1
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voldoet aan de in tabel 4.26 aangegeven afmetingen.
Lid 2
Een trap overbrugt een hoogteverschil van niet meer dan 4 m.
Tabel 4.26 Afmetingen trapreguliere trap
trap uitsluitend voor ontvluchten
woonfunctie
andere gebruiksfunctie
alle gebruiksfuncties
Minimum breedte van de trap
0,8 m
0,8 m
0,8 m
Minimum vrije hoogte boven de trap
2,3 m
2,1 m
2,1 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede
0,22 m
0,185 m
0,185 m
Maximum hoogte van een optrede
0,188 m
0,21 m
0,21 m
Minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak
0,05 m
0,05 m
0,05 m
Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak
0,23 m
0,23 m
0,23 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap
0,3 m
0,3 m
0,3 m
Artikel 4.26a
Een trap als bedoeld in artikel 4.25, is op de bovenste en onderste trederand over de volle breedte voorzien van een markering van ten minste 50 mm met een hoog contrast. De overige treden zijn aan beide zijkanten voorzien van markeringen van ten minste 50 mm met een hoog contrast.
Artikel 4.27
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m.
Artikel 4.28
Lid 1
Een trap als bedoeld in artikel 4.25 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 m en ten hoogste 1 m.
Lid 2
Een trap als bedoeld in het eerste lid heeft aan beide zijkanten een leuning die aan het begin en aan het einde van de trap ten minste 30 cm horizontaal doorloopt.
Artikel 4.29
Een gemeenschappelijke verkeersruimte met een trap voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1,5 m is ter plaatse van die trap, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend. Dit is niet van toepassing op een trap die alleen bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten.
Artikel 4.30
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 heeft een breedte van ten minste 1,1 m, een hoogte van niet meer dan 1 m en een helling van ten hoogste:
1 : 6 als het hoogteverschil niet groter is dan 0,05 m;
1 : 10 als het hoogteverschil groter is dan 0,05 m, maar niet groter dan 0,10 m;
1 : 12 als het hoogteverschil groter is dan 0,10 m, maar niet groter dan 0,25 m;
1 : 16 als het hoogteverschil groter is dan 0,25 m, maar niet groter dan 0,5 m; en
1 : 20 als het hoogteverschil groter is dan 0,5 m.
Artikel 4.31
Een hellingbaan als bedoeld in de artikelen 4.25, 4.172, 4.182, 4.189 en 4.192 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 1,4 m x 1,4 m. Dit geldt niet als het hoogteverschil van de hellingbaan kleiner is dan 0,03 m.
Artikel 4.32
Een hellingbaan als bedoeld in artikel 4.25 heeft aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m.
Artikel 4.33
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.25 van toepassing.
Artikel 4.34
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.35
Lid 1
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m grenzend aan die weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg of strook.
Lid 2
Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 2,2 m boven die weg. Dit is niet van toepassing op een nooddeur.
Lid 3
Het eerste en tweede lid gelden niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.
Artikel 4.36
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk is artikel 4.35, tweede en derde lid, van toepassing.
Artikel 4.37
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.38
Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats voldoet aan brandklasse A1 of voor zover het de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan betreft aan brandklasse A1fl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1, als:
op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of
in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.
Artikel 4.39
Lid 1
Materiaal toegepast aan de binnenzijde van een schacht, een koker of een kanaal grenzend aan meer dan een brandcompartiment of subbrandcompartiment met een inwendige doorsnede groter dan 0,015 m2, voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
een schacht die alleen is bestemd voor een of meer boven elkaar gelegen toiletruimten of badruimten en die niet door andere ruimten voert;
ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in dat lid bedoelde binnenzijde; en
het materiaal van een constructie- of bouwwerkinstallatieonderdeel dat wordt omsloten door een in dat lid bedoelde schacht, koker of kanaal.
Artikel 4.40
Een voorziening voor de afvoer van rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.
Artikel 4.41
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.38 tot en met 4.40 van toepassing.
Artikel 4.42
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.42gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
zijde grenzend aan de
bovenzijde
elektrische leidingen
pijpisolatie
binnenlucht
buitenlucht
binnenoppervlak
buitenoppervlak
beloopbaar vlak
kabels en pijpisolatie
vrijgesteld
dakoppervlak
tijdelijke bouw
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overig
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overig
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overig
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overige
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overige
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overige
extra beschermde vluchtroute
beschermde vluchtroute
overige
artikel
4.43
4.44
4.45
4.45a
4.46
4.47
4.48
4.43
4.44
4.45
4.45a
4.45a
4.45a
4.45a
lid
1
2
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
3
1
2
*
1 en 2
1
1 en 2
1b
3
2b
4
[brandklasse]
[brandklasse]
[brandklasse]
[brandklasse]
[brandklasse]
[brandklasse]
[brandklasse]
1
Woonfunctie
a
in een woongebouw
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
B
D
C
C
D
Cfl
Cfl
Dfl
B2ca
B2ca
Dca
B2ca
Cca
Dca
Bl
Bl
Dl
Cl
Cl
Dl
b
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
–
–
1
–
*
B
B
D
C
C
D
Cfl
Cfl
Dfl
B2ca
B2ca
Dca
B2ca
B2ca
Dca
Bl
Bl
Dl
Cl
Cl
Dl
c
andere woonfunctie
1
–
3
1
2
–
4
5
1
2
1
2
–
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
–
–
1
–
*
B
B
D
C
C
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
B2ca
Dca
B2ca
B2ca
Dca
Bl
Bl
Dl
Cl
Cl
Dl
b
andere bijeenkomstfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
3
Celfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
–
–
1
–
*
B
B
C
B
B
D
Cfl
Cfl
Cfl
B2ca
B2ca
Cca
B2ca
B2ca
Dca
Bl
Bl
Cl
Bl
Bl
Dl
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
–
–
1
–
*
B
B
D
C
C
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
B2ca
Dca
B2ca
B2ca
Dca
Bl
Bl
Dl
Cl
Cl
Dl
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie voor bedrijfsmatig houden van dieren
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
–
–
1
–
*
B
B
B
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
B2ca
B2ca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Bl
Bl
Cl
Dl
Dl
b
andere industriefunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
6
Kantoorfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
7
Logiesfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
B
D
C
C
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
B2ca
Dca
B2ca
B2ca
Dca
Bl
Bl
Dl
Cl
Cl
Dl
8
Onderwijsfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
9
Sportfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
10
Winkelfunctie
1
–
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
–
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
1
2
3
4
5
1
2
1
2
3
4
1
2
–
1
2
*
B
D
D
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
Dca
Dca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Dl
Dl
Cl
Dl
Dl
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer
1
–
3
1
2
–
4
5
1
2
1
2
3
4
–
–
3
1
2
*
B
B
B
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
B2ca
B2ca
B2ca
B2ca
Dca
Dca
Bl
Bl
Bl
Cl
Dl
Dl
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
1
2
–
4
5
1
2
1
2
3
4
–
–
3
1
2
*
–
–
–
C
D
D
Cfl
Dfl
Dfl
–
–
–
B2ca
Dca
Dca
–
–
–
Cl
Dl
Dl
Artikel 4.43
Lid 1
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid geldt de eis aan de rookklasse alleen bij een beschermde vluchtroute.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid voldoet het beweegbare deel van een deur in een inwendige scheidingsconstructie op een route tussen:
een gebruiksgebied, een toiletruimte of een badruimte en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert; en
een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte;
aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 4.44
Lid 1
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht voldoet aan de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 3
Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht, van een bouwwerk waarvan een voor personen bestemde vloer ten minste 5 m boven het meetniveau ligt, voldoet vanaf het aansluitende terrein tot een hoogte van ten minste 2,5 m aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 4
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.
Lid 5
In afwijking van het eerste tot en met derde lid voldoet een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 4.45
Lid 1
In afwijking van artikel 4.43 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de binnenlucht rookklasse s1fl en de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
In afwijking van de artikel 4.44 geldt voor een bovenzijde van een vloer, een trap en een hellingbaan die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 4.45a
Lid 1
In afwijking van artikel 4.43 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de binnenlucht:
in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(ca) en in overige ruimten rookklasse s2(ca), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-6; en
de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6.
Lid 2
In afwijking van artikel 4.43 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de binnenlucht:
in extra beschermde vluchtroutes rookklasse s1(L) en in overige ruimten rookklasse s2(L), beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en
de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 3
In afwijking van artikel 4.44 geldt voor een elektrische leiding die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-6.
Lid 4
In afwijking van artikel 4.44 geldt voor pijpisolatie die grenst aan de buitenlucht de in tabel 4.42 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Artikel 4.46
Lid 1
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
Lid 2
Op ten hoogste 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waardoor geen beschermde vluchtroute voert, zijn de in de artikelen 4.43 en 4.45a, eerste en tweede lid, bedoelde eisen aan de rookklasse niet van toepassing.
Lid 3
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen waarvoor volgens de artikelen 4.43 tot en met 4.45a een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
Artikel 4.47
Lid 1
De bovenzijde van een dak van een bouwwerk is, bepaald volgens NEN 6063, niet brandgevaarlijk. Dit geldt niet als het bouwwerk geen voor personen bestemde vloer heeft die hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, en de brandgevaarlijke delen van het dak ten minste 15 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen. Als het perceel waarop het bouwwerk ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water, openbaar groen of een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen wordt die afstand aangehouden tot het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
Lid 2
Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2.
Artikel 4.48
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.44, derde lid, en 4.47 van toepassing.
Artikel 4.49
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:
naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en
geen gevaar oplevert voor het vluchten of hulpverlening bij brand.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.49 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.49gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
brandcompartiment: ligging
brandcompartiment: omvang
opvangcompartiment
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode
tijdelijk bouwwerk
omvang
artikel
lid
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
3
4
5
6
7
8
9
1
2
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1
2
3
4
*
1
1
Woonfunctie
[m2]
a
woonwagen
1
2
–
4
–
–
–
–
–
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
8
9
–
1
2
3
4
–
–
b
andere woonfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
5
6
7
–
–
–
–
1
2
3
–
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
2
Bijeenkomstfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
3
Celfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
1
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
4
Gezondheidszorgfunctie
–
–
–
a
met bedgebied
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
2
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
5
Industriefunctie
–
–
–
a
lichte industriefunctie
1
2
–
4
5
6
7
8
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
4
5
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
2.500
b
lichte industriefunctie voor het houden van dieren
1
–
–
4
5
6
7
–
1
–
3
–
–
–
–
–
9
–
–
1
–
–
4
5
6
7
–
–
10
1
2
3
–
*
2.500
c
andere industriefunctie
1
2
–
4
5
6
–
–
1
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
4
5
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
2.500
6
Kantoorfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
7
Logiesfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
500
8
Onderwijsfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
9
Sportfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
–
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
10
Winkelfunctie
1
2
–
4
–
–
–
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
11
Overige gebruiksfunctie
a
voor het stallen van motorvoertuigen
1
2
–
4
5
–
7
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
b
andere overige gebruiksfunctie
1
2
–
4
5
6
7
–
1
–
3
–
–
–
7
8
–
–
–
1
–
–
4
–
–
7
–
–
–
1
2
3
–
*
1.000
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
Wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
3
4
–
–
–
–
–
–
–
4
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.50
Lid 1
Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment.
Lid 2
Het eerste lid is niet van toepassing op:
een toiletruimte;
een badruimte;
een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan brandklasse B en aan rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en
een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
Lid 3
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.
Lid 5
Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.
Lid 6
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.
Lid 7
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2. Deze uitzondering geldt niet als het bouwwerk aan een of meer andere bouwwerken grenst en de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2.
Lid 8
Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting niet groter dan 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.
Artikel 4.51
Lid 1
Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 4.49 aangegeven oppervlakte, of een grotere gebruiksoppervlakte als dat niet tot een lager veiligheidsniveau leidt, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079.
Lid 2
In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.
Lid 3
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.
Lid 4
Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
Lid 5
In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.
Lid 6
In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.
Lid 7
Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.
Lid 8
Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.
Lid 9
Een technische ruimte is een afzonderlijk brandcompartiment.
Artikel 4.52
Lid 1
De gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden is ten hoogste 500 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.
Lid 2
Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.
Artikel 4.53
Lid 1
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, naar een niet-besloten veiligheidsvluchtroute en naar een liftschacht van een brandweerlift of van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw is ten minste 60 minuten.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert worden volstaan met 30 minuten.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:
de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2; en
in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met 30 minuten als:
de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde bouwwerkperceel liggen; en
in het gebouw geen vloer van een gebruiksgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau.
Lid 5
Het vierde lid is niet van toepassing op een brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2.
Lid 6
Het vierde lid is niet van toepassing op een technische ruimte.
Lid 7
Het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert.
Lid 8
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten.
Lid 9
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 30 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.
Lid 10
In afwijking van het eerste lid geldt geen weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW.
Artikel 4.54
Lid 1
De in artikel 4.53 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.
Lid 2
Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere perceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de bouwwerkperceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:
een openbare weg;
openbaar water;
openbaar groen; of
een perceel dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen;
vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.
Lid 3
In aanvulling op het tweede lid is het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw in de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet groter dan het aandeel van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment.
Lid 4
Bij het bepalen van de in artikel 4.53, achtste lid, bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.
Artikel 4.55
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 en 4.51 van toepassing en is artikel 4.53 van overeenkomstige toepassing waarbij de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag ten minste 30 minuten is.
Artikel 4.56
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan is beoogd met paragraaf 4.2.8 zodat veilig kan worden gevlucht.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.56 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.56gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
subbrandcompartiment: ligging
beschermd
subbrandcompartiment:
ligging
beschermd subbrandcompartiment:
omvang
weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag
subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang
beschermd
subbrandcompartiment: weerstand
tegen rookdoorgang
tijdelijk bouwwerk
beschermd
subbrandcompartiment: omvang
artikel
lid
1
2
3
1
2
3
4
1
2
3
4
5
6
7
8
1
2
1
2
3
4
1
2
3
4
*
1
1
Woonfunctie
a
voor zorg met een g.o. > 500 m2
1
2
3
1
–
–
–
1
2
–
–
–
–
–
–
1
2
1
2
3
4
1
2
–
4
*
100
b
woonwagen
1
2
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
c
andere woonfunctie
1
2
3
1
–
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
1
2
1
2
3
4
1
–
3
4
*
500
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang met bedgebied
1
2
3
–
2
–
–
1
–
3
–
–
–
–
8
1
2
1
2
3
4
1
–
3
4
*
200
b
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
3
Celfunctie
1
2
3
–
–
3
–
1
–
–
4
–
–
–
–
1
2
1
2
3
4
1
2
–
4
*
500
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
3
–
2
–
–
–
–
–
–
5
6
–
–
1
2
1
2
3
4
1
2
–
4
*
–
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
5
Industriefunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
6
Kantoorfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
7
Logiesfunctie
1
2
3
–
–
–
4
1
–
–
–
–
–
7
8
1
2
1
2
3
4
1
–
3
4
*
500
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
9
Sportfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
10
Winkelfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
*
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
2
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
2
1
2
3
4
1
–
–
4
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.57
Lid 1
Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of verkeersruimten waardoor een beschermde vluchtroute voert.
Lid 2
Een beschermde vluchtroute ligt niet in een subbrandcompartiment.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:
constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die de artikelen 4.43 en 4.45a, eerste en tweede lid, stellen aan constuctieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert; en
aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert.
Artikel 4.58
Lid 1
Een verblijfsgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 2
Een bedgebied ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 3
Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Lid 4
Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.
Artikel 4.59
Lid 1
Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 4.56 aangegeven oppervlakte.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid is een gezamenlijke verblijfsruimte een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.
Lid 3
Een beschermd subbrandcompartiment met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied omvat niet meer dan die gebruiksfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.
Lid 4
Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
Lid 5
Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 500 m2.
Lid 6
Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vijfde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten, heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 zonder bewaking en ten hoogste 500 m2 bij permanente bewaking.
Lid 7
Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.
Lid 8
Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.
Artikel 4.60
Lid 1
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 30 minuten.
Lid 2
De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is ten minste 20 minuten, waarbij voor de bepaling van de brandwerendheid vande scheidende functie van een scheidingsconstructie alleen rekening wordt gehouden met het beoordelingscriterium vlamdichtheid van de afdichting.
Artikel 4.61
Lid 1
De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een ander subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.
Lid 2
De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.
Lid 3
De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een beschermd subbrandcompartiment, gelegen in een ander subbrandcompartiment, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Lid 4
De weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert en naar een liftschacht als bedoeld in artikel 4.53, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Artikel 4.62
Lid 1
De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een ander beschermd subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Lid 2
De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Lid 3
De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een subbrandcompartiment is Ra bepaald volgens NEN 6075.
Lid 4
De weerstand tegen rookdoorgang van een beschermd subbrandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Artikel 4.63
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.60, tweede lid, 4.61 en 4.62 van toepassing.
Artikel 4.64
Lid 1
Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.64 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.64gebruiksfunctie
leden van toepassing
waarden
vluchtroute
vluchten naar de uitgang van een
subbrandcompartiment
uitgang van een beschermd
subbrandcompartiment
beschermde vluchtroute
extra beschermde vluchtroute
veiligheidsvluchtroute
tweede vluchtroute
tijdelijk bouwwerk
vluchten naar de uitgang van een
subbrandcompartiment
extra beschermde vluchtroute
artikel
lid
1
2
3
4
1
2
3
4
5
6
7
*
1
2
3
1
2
3
4
5
6
7
1
2
1
2
3
4
5
*
1 en 2
6
[m]
[m]
1
Woonfunctie
a
woonwagen
1
–
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
30
–
b
andere woonfunctie
1
2
–
–
1
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
2
3
4
–
–
7
–
–
1
2
3
4
5
*
30
–
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang met bedgebied
1
2
–
–
1
2
–
–
–
6
–
–
–
–
–
1
–
–
–
–
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
5
b
andere bijeenkomstfunctie
1
2
–
–
1
2
–
–
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
3
Celfunctie
–
2
–
–
1
2
3
–
–
6
7
*
–
–
–
1
–
–
–
–
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
22,5
22,5
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
–
–
1
2
3
–
–
6
–
*
–
–
–
1
–
–
–
–
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
20
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
–
–
1
2
3
–
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
5
Industriefunctie
1
2
–
–
1
2
3
4
–
–
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
6
Kantoorfunctie
1
2
–
–
1
2
3
–
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
7
Logiesfunctie
1
2
–
–
1
2
–
–
–
6
7
–
–
–
–
1
–
–
–
–
6
7
1
2
1
2
3
4
–
*
30
20
8
Onderwijsfunctie
1
2
–
–
1
2
–
–
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
15
9
Sportfunctie
1
2
–
–
1
2
3
4
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
10
Winkelfunctie
1
2
–
–
1
2
3
4
–
6
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
–
–
1
2
3
4
–
–
7
–
1
2
–
–
–
–
–
5
6
7
1
–
1
2
3
4
–
*
30
30
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
3
–
–
–
–
–
5
–
–
–
–
–
3
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
1
–
–
4
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.65
Lid 1
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.
Lid 2
Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.
Lid 3
Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.
Lid 4
Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.
Artikel 4.66
Lid 1
De gecorrigeerde loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid wordt bij een niet nader in te delen gebruiksgebied en bij een verblijfsruimte in plaats van de gecorrigeerde loopafstand uitgegaan van de loopafstand die niet groter is dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.
Lid 3
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 45 m.
Lid 4
In afwijking van het eerste en tweede lid geldt bij een bezetting van minder dan 1 persoon per 30 m2 gebruiksoppervlakte van het subbrandcompartiment een afstand van ten hoogste 60 m.
Lid 5
De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.
Lid 6
Op elk punt van een voor personen bestemde vloer in een subbrandcompartiment begint ten minste een vluchtroute met een op die vluchtroute te overbruggen hoogteverschil naar een uitgang van het subbrandcompartiment van ten hoogste 4 m.
Lid 7
Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte voor meer dan 150 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt. De onderlinge afstand tussen de uitgangen is ten minste 5 m.
Artikel 4.67
Ten minste een uitgang van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 4.58, tweede en derde lid:
is de uitgang van het subbrandcompartiment waarin het beschermde subbrandcompartiment ligt; of
is een uitgang waarbij een vluchtroute begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een uitgang van het subbrandcompartiment voert.
Artikel 4.68
Lid 1
Een vluchtroute waarop ten hoogste 37 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 2
Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, heeft een loopafstand niet groter dan 30 m vanaf de uitgang van een subbrandcompartiment tot de volgende uitgang op de vluchtroute. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een trappenhuis voert.
Lid 3
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute door een andere wegtunnelbuis voert dan de wegtunnelbuis waar de vluchtroute begint.
Artikel 4.69
Lid 1
Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 2
De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie dan de woonfunctie waarin de vluchtroute begint. Dit geldt niet bij de toegang van een woonfunctie die recht tegenover de toegang ligt van de woonfunctie waarin de vluchtroute begint.
Lid 3
De in het eerste lid bedoelde vluchtroute voert niet door een trappenhuis.
Lid 4
Het tweede en derde lid gelden niet als de route door een trappenhuis voert, de uitgangen van de op die route aangewezen woonfuncties rechtstreeks aan het trappenhuis grenzen, op die route alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan zijn aangewezen, en de uitgang van het trappenhuis rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein en:
er niet meer dan zes woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis en geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau; of
de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan die voor personen bereikbaar zijn door het trappenhuis:
ten hoogste 800 m2 is;
geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau; en
geen van die woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2.
Lid 5
Een vluchtroute waarop meer dan 37 en ten hoogste 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 6
In een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is de loopafstand vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint tot het punt waar een tweede vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute begint, of tot het aansluitende terrein niet groter dan de in tabel 4.64 aangegeven afstand.
Lid 7
Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.
Artikel 4.70
Lid 1
Een vluchtroute waarop meer dan 150 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsvluchtroute, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.
Lid 2
Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een veiligheidsvluchtroute.
Artikel 4.71
Lid 1
Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint zijn de artikelen 4.68, 4.69, eerste tot en met zesde lid, en 4.70 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.
Lid 2
Buiten het brandcompartiment waarin de in het eerste lid bedoelde tweede vluchtroute begint, voeren de twee vluchtroutes niet door eenzelfde brandcompartiment.
Lid 3
In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:
die ruimte aan die uitgang van het subbrandcompartiment grenst;
de vluchtroutes in die ruimte beschermde vluchtroutes en voor zover deze buiten een brandcompartiment liggen extra beschermde vluchtroutes zijn;
de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is als de ruimte besloten is; en
de vluchtroutes in verschillende richtingen voeren.
Lid 4
In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is.
Lid 5
De in het vierde lid bedoelde veiligheidsvluchtroute voert alleen door een trappenhuis.
Artikel 4.72
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.65 tot en met 4.71 van toepassing.
Artikel 4.73
Lid 1
Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting en capaciteit dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.73 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.73gebruiksfunctie
leden van toepassing
inrichting vluchtroute: rookdoorgang
wrd
inrichting vluchtroute:
wbdbo
inrichting vluchtroute:
permanente vuurlast
rooksluis
voorportaal lift
vrije doorgang
van een vluchtroute
vluchtroute door niet besloten ruimte
doorstroomcapaciteit
zonder opvangcapaciteit
doorstroomcapaciteit bij opvangcapaciteit
tijdelijk bouwwerk
artikel
lid
1
2
3
4
5
*
1
2
1
2
1
2
1
2
3
4
*
1
2
1
2
3
4
5
*
1
Woonfunctie
a
woonwagen
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
1
–
–
–
*
–
–
–
–
–
–
–
*
b
andere woonfunctie
1
2
3
4
5
*
1
2
1
2
1
2
1
–
3
–
*
–
–
–
–
–
–
–
*
2
Bijeenkomstfunctie
a
voor kinderopvang met bedgebied
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
b
andere bijeenkomstfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
5
*
3
Celfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
4
Gezondheidszorgfunctie
a
met bedgebied
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
4
*
1
–
1
2
3
4
–
*
b
andere gezondheidszorgfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
5
Industriefunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
6
Kantoorfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
7
Logiesfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
8
Onderwijsfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
9
Sportfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
10
Winkelfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
11
Overige gebruiksfunctie
1
2
3
4
5
*
–
2
1
–
–
–
1
–
–
–
*
1
–
1
2
3
4
–
*
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
1
–
–
–
–
*
–
–
–
–
–
–
1
2
–
–
*
–
2
–
–
–
–
–
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
*
–
2
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.74
Lid 1
De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.
Lid 2
De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Lid 3
De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert, is Ra bepaald volgens NEN 6075.
Lid 4
De weerstand tegen rookdoorgang van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert naar een in de vluchtrichting aansluitend besloten trappenhuis waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Lid 5
De weerstand tegen rookdoorgang tussen de twee ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is R200 bepaald volgens NEN 6075.
Artikel 4.75
Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 4.71, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.
Artikel 4.76
Lid 1
Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een trappenhuis waardoor een beschermde of een extra beschermde vluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit dat trappenhuis rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en het trappenhuis ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068. Bij de in rekening te brengen vuurlast van de dakconstructie op de bovenste bouwlaag van het trappenhuis waardoor geen veiligheidsvluchtroute voert, wordt een reductie van 50% toegepast. Dit is niet van toepassing op een trappenhuis als bedoeld in artikel 4.69, vierde lid.
Lid 2
Per bouwlaag is de permanente vuurlast van een besloten ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert, met inbegrip van de vanuit die ruimte rechtstreeks bereikbare besloten ruimten, ten hoogste 3.500 MJ. Bij de bepaling van de vuurlast blijft een besloten ruimte buiten beschouwing als de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen die ruimte en de ruimte waardoor de veiligheidsvluchtroute voert ten minste 30 minuten is, bepaald volgens NEN 6068.
Artikel 4.77
Lid 1
Een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 20 m wordt overbrugd, wordt in de vluchtrichting alleen bereikt door een afzonderlijke beschermde vluchtroute met een loopafstand van ten minste 2 m.
Lid 2
Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.
Artikel 4.77a
Lid 1
Een lifttoegang van een lift als bedoeld in artikel 4.189 in een woongebouw grenst aan een extra beschermde vluchtroute.
Lid 2
Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde afzonderlijke vluchtroute.
Artikel 4.78
Lid 1
Een vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. Dit is niet van toepassing voor zover de vluchtroute over een trap voert.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid heeft een beschermde vluchtroute, voor zover deze niet door een uitgang of over een trap voert, een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m.
Lid 3
Als op een trap in totaal meer dan 600 m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied is aangewezen, is de breedte van de trap ten minste 1,2 m.
Lid 4
Een vluchtroute die voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze route voert niet over een trap of via een liftkooi.
Artikel 4.79
Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert, heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte bij brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.
Artikel 4.80
Lid 1
De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute, uitgedrukt in personen, is ten minste het aantal personen dat op dat gedeelte is aangewezen. Bij de bepaling van de doorstroomcapaciteit wordt uitgegaan van:
45 personen per meter vrije breedte van een trap bij het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 m en 90 personen per meter vrije breedte bij een hoogteverschil van ten hoogste 1 m, voor zover de aantrede van de trap ten minste 0,17 m bedraagt;
90 personen per meter vrije breedte van een ruimte;
90 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een dubbele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden;
110 personen per meter vrije breedte van een doorgang als zich in de doorgang een enkele deur of vergelijkbaar beweegbaar constructieonderdeel bevindt met een maximale openingshoek van minder dan 135 graden; en
135 personen per meter vrije breedte van een andere doorgang.
Lid 2
De doorstroomcapaciteit van een gedeelte van een vluchtroute is zodanig, dat de op dat gedeelte aangewezen personen veilig kunnen vluchten.
Artikel 4.81
Lid 1
Op een gedeelte van een vluchtroute, gelegen buiten het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint, kan van artikel 4.80 worden afgeweken als de personen die zijn aangewezen op dat gedeelte en eventueel daarop volgende gedeelten van de vluchtroute het aansluitende terrein kunnen bereiken binnen:
30 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is;
20 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een extra beschermde vluchtroute is die in de vluchtrichting alleen wordt bereikt door een afzonderlijke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert met een lengte van ten minste 2 m; of
15 minuten als dat gedeelte van de vluchtroute een andere vluchtroute is.
Lid 2
De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat het bedreigde subbrandcompartiment waarin een vluchtroute begint binnen 1 minuut na aanvang van het vluchten kan worden verlaten.
Lid 3
De opvang- en doorstroomcapaciteit van de in het eerste lid bedoelde gedeelten van de vluchtroute is zodanig dat elke ruimte, maar geen trappenhuis, op dezelfde bouwlaag als het bedreigde subbrandcompartiment:
binnen 3,5 minuten na aanvang van het vluchten kan worden verlaten; of
binnen 6 minuten als:
de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag of brandoverslag naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment ten minste 30 minuten is; en
de volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang naar deze ruimte vanuit het bedreigde subbrandcompartiment, of vanuit elke ruimte waardoor een beschermde of extra beschermde vluchtroute voert die in de vluchtrichting uitkomt in deze ruimte, R200 is.
Lid 4
Bij toepassing van het eerste tot en met derde lid gelden de volgende uitgangspunten:
berekeningen worden uitgevoerd in tijdstappen van 30 seconden;
bij het begin van het vluchten wordt aangenomen dat alle personen in het subbrandcompartiment zich nabij de uitgangen van dat compartiment bevinden en tegelijkertijd beginnen te vluchten;
vluchtroutes worden tijdens het vluchten alleen in een richting benut;
door doorgangen en over trappen voeren de vluchtroutes niet in tegenovergestelde richting;
bij samenkomende vluchtroutes wordt de beschikbare doorstroom- en opvangcapaciteit op de volgende wijze verdeeld:
bij samenkomst in een trappenhuis wordt 50% van de beschikbare capaciteit toegedeeld aan het bovengelegen deel van het trappenhuis. De resterende 50% wordt verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen op die bouwlaag tot het trappenhuis;
bij samenkomst in een ruimte, maar geen trappenhuis, wordt de capaciteit evenredig verdeeld over de doorstroomcapaciteit van de toegangen tot die ruimte; en
als de beschikbare opvang- en doorstroomcapaciteit van de ruimte vanuit een of meer toegangen van die ruimte of het bovengelegen deel van het trappenhuis niet volledig wordt benut, wordt de restcapaciteit op de onder 1° en 2° beschreven wijze verdeeld over de resterende toegangen en het bovengelegen deel van het trappenhuis;
het hoogteverschil tussen bouwlagen in het trappenhuis is ten minste 2,1 m en ten hoogste 4 m;
de daalsnelheid is 30 seconden per bouwlaag voor zover de vluchtroute over een trap of door een trappenhuis voert;
de opvangcapaciteit van een trap is 0,5 persoon per trede, voor zover de breedte van de trap niet groter is dan 1,1 m;
de opvangcapaciteit van een trap is 0,9 persoon per trede per m breedte van die trede, voor zover de breedte van de trap groter is dan 1,1 m en de breedte van het tredevlak groter is dan 0,17 m;
de opvangcapaciteit van een vloer of hellingbaan is ten hoogste vier personen per m2 vrije vloeroppervlakte;
het gestelde in artikel 4.80, waarbij voor «personen» wordt gelezen: personen per minuut;
het gestelde in artikel 4.216, derde lid, waarbij voor «37 personen» wordt gelezen: 37 personen per minuut;
in afwijking van onderdeel l geldt het gestelde in artikel 4.216, derde lid, onverkort als in de ruimte voor de deur tijdens een tijdstap meer dan 37 personen aanwezig zijn;
brand ontstaat niet op twee of meer plaatsen tegelijk;
in ieder subbrandcompartiment kan brand ontstaan; en
de opvang- en doorstroomcapaciteit van vluchtroutes die door het bedreigde subbrandcompartiment voeren blijven buiten beschouwing.
Lid 5
Bij toepassing van het vierde lid, onder j, geldt voor een bijeenkomstfunctie een opvangcapaciteit van ten hoogste twee personen per m2 vrije vloeroppervlakte als bij een tijdstap als bedoeld in het vierde lid, onder a, in een ruimte als bedoeld in het derde lid meer dan 200 personen aanwezig zijn en die ruimte niet door alle personen binnen 3,5 minuten kan worden verlaten.
Artikel 4.82
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.80 en 4.81 van toepassing.
Artikel 4.83
Lid 1
Een bouwwerk is zodanig dat hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
Tabel 4.83gebruiksfunctie
leden van toepassing
brandweerlift
loopafstand
hulppost
tijdelijk bouwwerk
artikel
lid
1
2
1
2
*
*
1
Woonfunctie
1
2
1
2
–
*
2
Bijeenkomstfunctie
1
–
1
2
–
*
3
Celfunctie
1
–
1
2
–
*
4
Gezondheidszorgfunctie
1
–
1
2
–
*
5
Industriefunctie
1
–
1
2
–
*
6
Kantoorfunctie
1
–
1
2
–
*
7
Logiesfunctie
1
–
1
2
–
*
8
Onderwijsfunctie
1
–
1
2
–
*
9
Sportfunctie
1
–
1
2
–
*
10
Winkelfunctie
1
–
1
2
–
*
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
a
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m
–
–
–
–
*
–
b
ander bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.84
Lid 1
Vanaf een lifttoegang van een brandweerlift is vanaf een verdieping de lifttoegang op de verdieping daarboven bereikbaar via een extra beschermde vluchtroute.
Lid 2
Een uitgang van een woonfunctie grenst niet aan een in het eerste lid bedoelde extra beschermde vluchtroute voor zover die voert door een ruimte die rechtstreeks grenst aan de lifttoegang.
Artikel 4.85
Lid 1
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een toegang van een trappenhuis is niet groter dan 75 m.
Lid 2
De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en ten minste een lifttoegang van een brandweerlift is niet groter dan 120 m.
Artikel 4.86
Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.
Artikel 4.87
Op het bouwen van een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.84 en 4.85 van toepassing.
Artikel 4.88
Lid 1
Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven of lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zodanig ingericht dat het bouwwerk brandveilig is.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.89
Lid 1
Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 70 m boven het meetniveau ligt:
is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12; of
voldoet aan de SBRCURnet Handreiking – Brandveiligheid in hoge gebouwen.
Lid 2
Een bouwwerk waarin een vloer van een gebruiksgebied lager dan 8 m onder het meetniveau ligt, is zo ingericht dat het bouwwerk een zelfde mate van brandveiligheid heeft als beoogd met de paragrafen 4.2.2, 4.2.6, 4.2.7, 4.2.8, 4.2.9, 4.2.10, 4.2.11 en 4.2.12.
Artikel 4.90
Lid 1
Een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt.
Lid 2
Als voor een gebruiksfunctie in tabel 4.90 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.
tabel 4.90gebruiksfunctie
leden van toepassing
brandwerendheid
brandklasse gevel en vloeren
brandklasse dak
Vluchtroute
Sterkte bij brand
scherfwerking
artikel
lid
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
1
Woonfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
2
Bijeenkomstfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
3
Celfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
4
Gezondheidszorgfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
5
Industriefunctie
a
lichte industriefunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
b
andere industriefunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
6
Kantoorfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
7
Logiesfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
8
Onderwijsfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
9
Sportfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
10
Winkelfunctie
*
1
2
3
4
1
2
1
2
3
*
*
11
Overige gebruiksfunctie
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
12
Bouwwerk geen gebouw zijnde
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Artikel 4.91
Een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment heeft voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt een brandwerendheid van buiten naar binnen van ten minste 60 minuten, bepaald volgens NEN 6069. Bij het bepalen van de brandwerendheid wordt het in het brandvoorschriftengebied gelegen aansluitende terrein aangemerkt als een brandcompartiment en wordt uitgegaan van de in NEN-EN 13501-2 bedoelde buitenbrandkromme.
Artikel 4.92
Lid 1
Een aan de buitenlucht grenzende zijde van een uitwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment voldoet, voor zover die constructie in een brandvoorschriftengebied ligt, aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
In afwijking van het eerste lid voldoet een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 3
Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen in elk vlak van de uitwendige scheidingsconstructie met een afmeting van 3 m bij 3 m, waarvoor volgens het eerste lid een eis geldt, is die eis niet van toepassing.
Lid 4
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.
Artikel 4.93
Lid 1
Een dak van een brandcompartiment is, voor zover dat dak in een brandvoorschriftengebied ligt, bedekt met constructieonderdelen waarvan de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
Lid 2
Op ten hoogste 5% van de oppervlakte van het dak is de eis van het eerste lid niet van toepassing.
Artikel 4.94
Lid 1
In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een gedeeltelijk in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk is geen in het brandvoorschriftengebied gelegen doorgang waardoor een vluchtroute voert aanwezig.
Lid 2
In een aan de buitenlucht grenzende zijde van een volledig in een brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voert een vluchtroute door een van het hart van het voorschriftengebied afgekeerde doorgang.
Lid 3
In afwijking van het eerste en tweede lid heeft een in meer dan één brandvoorschriftengebied gelegen bouwwerk voor elk brandvoorschriftengebied een vluchtroute door een uitgang van het bouwwerk die niet grenst aan een brandvoorschriftengebied of die is afgekeerd van het voorschriftengebied.
Artikel 4.95
Voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan dat is gelegen in een brandvoorschriftengebied, zijn de regels van paragraaf 4.2.2 van overeenkomstige toepassing waarbij een in een brandvoorschriftengebied gelegen buitenruimte een brandcompartiment is en wordt uitgegaan van een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.
Artikel 4.96
In een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing is zodanig dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen.
Artikel 4.97
Lid 1
Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de veiligheid voor het wegverkeer is gewaarborgd.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.98
Lid 1
Een buiten de bebouwde kom gelegen wegtunnel voor twee rijrichtingen heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.
Lid 2
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling van ten hoogste 1 : 20.
Lid 3
Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.
Artikel 4.99
Lid 1
Een woonfunctie, anders dan een woonfunctie van een woonwagen, biedt weerstand tegen inbraak.
Lid 2
Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.
Artikel 4.100
Deuren, ramen, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen in een scheidingsconstructie van een niet-gemeenschappelijke ruimte die volgens NEN 5087 bereikbaar zijn voor inbraak, hebben een volgens NEN 5096 bepaalde inbraakwerendheid die voldoet aan de in die norm bedoelde weerstandsklasse 2.