Artikel 19 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Lid 1
In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen.
Lid 2
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:
met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden gedaan;
krachtens welke door de inspecteur aan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel wordt verleend voor de voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting of de afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting, indien met betrekking tot dat tijdvak dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór, tegelijk met of minder dan 34 dagen na dat tijdvak een verzoek om teruggaaf van belasting is ingediend.
Lid 3
In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
Lid 4
Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en in het derde lid genoemde termijn van één maand met de duur van dit uitstel verlengd.
Lid 5
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en in het derde lid gestelde termijn van één maand.
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 19 AWR is sinds 1994 in 102 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hoge Raad en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2026:1494 — 18-09-2026 Hoge Raad
Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en… - ECLI:NL:HR:2026:1415 — 18-09-2026 Hoge Raad
Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en… - ECLI:NL:HR:2026:1244 — 17-07-2026 Hoge Raad
Belasting van personenauto's en motorrijwielen; formeel recht; artt. 19 en 20 AWR; art. 8:75 Awb; artt. 1, 2, 4, lid 3, en 19 VEU; art. 110 VWEU; art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; EVRM; Besluit proceskosten bestuursrecht; naheffing bpm ter zake… - ECLI:NL:HR:2026:914 — 12-06-2026 Hoge Raad
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 22j en 26b AWR; art. 6:10 Awb; art. 52 , van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; voortijdig gemaakt bezwaar tegen voldoening op aangifte; ontvankelijkheid. - ECLI:NL:HR:2023:1371 — 06-10-2023 Hoge Raad
Artikel 36 IW 1990; bestuurdersaansprakelijkheid; bewijspositie bestuurder; evenredigheidsbeginsel; prejudiciële vragen
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.