Artikel 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Lid 1

Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.

Lid 2

De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.

Lid 3

De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.

Lid 4

Indien de belastingschuld is ontstaan door de verkrijging van de economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, vervalt de bevoegdheid tot naheffing, in afwijking in zoverre van het derde lid, door verloop van twaalf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Recente uitspraken

Art. 20 AWR is sinds 1986 in 385 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hof Den Haag en Hoge Raad.

  • ECLI:NL:HR:2026:1630 — 09-10-2026 Hoge Raad
    Overdrachtsbelasting; art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer; art. 20, lid 2, AWR; opleggen naheffingsaanslag aan rechtspersoon na splitsing en fusie; bevestiging ECLI:NL:HR:2025:358
  • ECLI:NL:HR:2026:1533 — 09-10-2026 Hoge Raad
    Overdrachtsbelasting; art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer; art. 20, lid 2, AWR; opleggen naheffingsaanslag aan rechtspersoon na splitsing en fusie; bevestiging ECLI:NL:HR:2025:358
  • ECLI:NL:HR:2026:1582 — 02-10-2026 Hoge Raad
    Belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Fomeel recht. Unierecht. Diverse klachten over schending van Unierecht. Geen reden voor stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie.
  • ECLI:NL:HR:2026:1494 — 18-09-2026 Hoge Raad
    Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en…
  • ECLI:NL:HR:2026:1415 — 18-09-2026 Hoge Raad
    Belasting van personenauto's en motorrijwielen. Formeel recht. Artt. 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; art. 6 EVRM. Vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redeljke termijn; in aanmerking te nemen termijn en…

Bekijk alle 385 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.