Artikel 18a Algemene wet inzake rijksbelastingen
Lid 1
Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde, welke ingevolge een wettelijk voorschrift ten grondslag heeft gelegen aan de heffing van belasting, is herzien met als gevolg dat:
een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen;
een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is verleend, dan vernietigt de inspecteur de ten onrechte vastgestelde aanslag of navorderingsaanslag dan wel vermindert hij de aanslag of navorderingsaanslag, onderscheidenlijk verleent hij alsnog de in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf.
Lid 2
Het vaststellen van de navorderingsaanslag, onderscheidenlijk het nemen van de beschikking tot vernietiging, vermindering, ontheffing of teruggaaf op de voet van het eerste lid geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde onherroepelijk is geworden. Eerstbedoelde beschikking is voor bezwaar vatbaar.
Lid 3
Ingeval de herziening gevolgen heeft voor de toepassing van artikel 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot een jaar, wordt in afwijking in zoverre van het tweede lid de termijn waarbinnen navordering mogelijk is bepaald op de voet van artikel 16 en vangt de in dat lid bedoelde termijn van acht weken niet eerder aan dan op het tijdstip waarop de belastingplichtige een verzoek heeft ingediend tot aanpassing van de aanslag of beschikking met betrekking tot dat jaar. Een verzoek tot aanpassing wordt gedaan binnen een jaar na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde, onherroepelijk is geworden.
Lid 4
Indien aan de heffing van belasting een aan een onroerende zaak toegekende waarde ten grondslag ligt en met betrekking tot die onroerende zaak voor een voor die heffing van belang zijnd kalenderjaar een waarde wordt vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel verwijst naar:
Recente uitspraken
Art. 18a AWR is sinds 2004 in 22 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Hof Amsterdam, Hoge Raad en Hof Arnhem-Leeuwarden.
- ECLI:NL:HR:2024:614 — 19-04-2024 Hoge Raad
art. 18a AWR; art. 1:3, lid 3, Awb; art. 4:17 Awb; beschikking op aanvraag; toepassing dwangsomregeling. - ECLI:NL:HR:2014:102 — 24-01-2014 Hoge Raad
Art. 18a AWR; art. 25 Wet WOZ (tekst tot 2006). Navordering na mutatiebeschikking die niet dient ter vervanging van eerdere onjuiste mutatiebeschikking is alleen mogelijk binnen de termijn van art. 16 AWR. - ECLI:NL:HR:2012:BW1956 — 28-09-2012 Hoge Raad
Art. 231, lid 2, letter b, jo. 232, lid 4, Gemeentewet en art. 1, lid 2, jo. art. 30 Wet WOZ. Bevoegdheid ambtenaar openbaar lichaam. Art. 18a AWR en art. 22 Wet WOZ. Herziene WOZ-beschikkingen na onjuiste objectafbakening. - ECLI:NL:HR:2012:BW4147 — 13-07-2012 Hoge Raad
Artt. 22 en 25 Wet WOZ (tekst 2003); art. 18a AWR. Herstel foute objectafbakening. - ECLI:NL:GHSHE:2024:1206 — 10-04-2024 Hof 's-Hertogenbosch
Watersysteemheffing. Het hof is van oordeel dat artikel 131 Waterschapswet niet is geschonden, omdat de WOZ-beschikking voor belanghebbende vaststond. Het hof oordeelt daarnaast aan de hand van het ‘stappenplan’ van de Hoge Raad of er sprake is van een overschrijding van de…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.