Artikel 160 Wegenverkeerswet 1994

Lid 1

Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:

  1. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs, en, indien met het motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen delen van het kentekenbewijs van de aanhangwagen, dan wel het in artikel 37, eerste lid, onderdeel b, bedoelde bewijs voor de aanhangwagen;

  2. het rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem buiten Nederland een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs;

  3. het ingevolge de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a, vereiste getuigschrift;

  4. indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing;

  5. een gehandicaptenparkeerkaart of een kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten, indien hij ter zake van het besturen van het motorrijtuig op grond van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift dient te beschikken over een dergelijke kaart;

  6. de begeleiderspas.

Lid 2

Indien het kentekenbewijs is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het krachtens deze wet bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde termijn.

Lid 3

Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, verplicht dat voertuig te doen stilhouden en, indien hem ter zake van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift ontheffing is verleend, de beschikking houdende verlening van ontheffing behoorlijk ter inzage af te geven.

Lid 4

De in artikel 159 bedoelde personen zijn bevoegd zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften en zo nodig een voertuig ten aanzien waarvan zij een onderzoek wensen in te stellen, naar een nabij gelegen plaats te voeren of te doen voeren. De bestuurder van het voertuig ten aanzien waarvan dit onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, en de bestuurder van het voertuig waardoor een aanhangwagen wordt voortbewogen ten aanzien waarvan zodanig onderzoek wenselijk wordt geoordeeld, zijn verplicht desgevorderd hun tot het onderzoek noodzakelijke medewerking te verlenen en desverlangd de in artikel 159 bedoelde personen in hun voertuig te vervoeren.

Lid 5

Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:

  1. een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid,

  2. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, of

  3. een onderzoek van speeksel, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, vijfde lid, alsmede

de aanwijzingen die die persoon in dat kader geeft, op te volgen.

Lid 6

De bestuurder van een voertuig of de begeleider, die door een der in artikel 159 bedoelde personen in overtreding wordt bevonden van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, is verplicht de hem door die persoon ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevelen op te volgen.

Lid 7

Op eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de begeleider verplicht zijn rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven.

Recente uitspraken

Art. 160 Wvw is sinds 2006 in 103 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Rb. Amsterdam, Hoge Raad en Rb. Rotterdam.

  • ECLI:NL:HR:2025:1511 — 14-10-2025 Hoge Raad
    Aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) onder bodemplaat van kofferbak van auto. Reikwijdte van bevoegdheid tot ‘onderzoek’ aan vervoermiddelen a.b.i. art. 23 WED, beroep op onderscheid tussen ‘zoekend rondkijken’ en doorzoeken. Waren opsporingsambtenaren o.g.v. art. 23…
  • ECLI:NL:HR:2022:997 — 12-07-2022 Hoge Raad
    Opzettelijk vervoeren hennep, art. 3.B Opiumwet. Post Keskin. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, ttz. in hoger beroep gehandhaafd en op latere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van 2 politieambtenaren als getuigen op de grond dat betwisting van door verbalisanten…
  • ECLI:NL:HR:2020:1155 — 30-06-2020 Hoge Raad
    Diefstal d.m.v. braak uit woning (art. 311.1.5 Sr) en beschadiging bank en deur van politiecel (art. 350.1 Sr). Grondslag controle voertuig. Verweer strekkende tot n-o OM in strafvervolging van verdachte dan wel bewijsuitsluiting. Hof heeft vastgesteld dat door…
  • ECLI:NL:HR:2018:1872 — 09-10-2018 Hoge Raad
    Rijden in bestelbus met Bulgaars kenteken terwijl verdachte (Kroatische nationaliteit) wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Verkeerscontrole i.h.k.v. project “Moelander” onrechtmatig? Art. 160.1 en 160.4 WVW 1994. HR…
  • ECLI:NL:HR:2016:2454 — 01-11-2016 Hoge Raad
    OM-cassatie. Dynamische verkeerscontrole. Controlebevoegdheden WVW 1994 aangewend t.b.v. opsporingsactiviteiten: détournement de pouvoir? Art. 160, lid 1 en 4, WVW 1994. Hof heeft verdachte vrijgesproken van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van hennep op de grond dat…

Bekijk alle 103 uitspraken »

Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.