Artikel 130 Wegenverkeerswet 1994
Lid 1
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Lid 2
Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.
Lid 3
De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.
Lid 4
In geval van toepassing van het tweede lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die de vordering heeft gedaan, zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats, indien aan de vordering is voldaan.
Lid 5
Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.
Dit artikel verwijst naar:
- 4:118 tot en met 4:124 (Awb)
- 5:10 (Awb)
- 5:25, eerste en zesde lid (Awb)
- 5:29, tweede en derde lid (Awb)
- 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
- artikelen 4:116 (Awb)
- 171 (Wvw)
- 172 (Wvw)
- 173, eerste lid (Wvw)
- artikel 159, onderdeel a (Wvw)
- artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid (Wvw)
Wordt genoemd in:
Recente uitspraken
Art. 130 Wvw is sinds 1999 in 47 uitspraken op wetboek.org gekoppeld, met name door Raad van State, Rb. Rotterdam en Hof 's-Hertogenbosch.
- ECLI:NL:HR:2026:1539 — 29-09-2026 Hoge Raad
Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Bewijsklacht bekendmaking en inwerkingtreding van besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat… - ECLI:NL:HR:2024:1621 — 12-11-2024 Hoge Raad
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Formele rechtskracht van besluit van bestuursorgaan in strafrecht. Kon hof oordelen dat strafrechter (bij beoordeling… - ECLI:NL:HR:2019:1146 — 09-07-2019 Hoge Raad
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. 1. Was rijbewijs verdachte op pleegdatum ongeldig? 2. Is na ongeldigverklaring rijbewijs geen ander rijbewijs afgegeven aan verdachte? 3. Kan uit omstandigheid dat besluit tot… - ECLI:NL:RVS:2021:1672 — 28-07-2021 Raad van State
Bij besluit van 20 februari 2019 heeft directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer opgelegd. De inspecteur van politie, eenheid Zeeland-West-Brabant heeft op 11 februari 2019 het CBR op grond van artikel… - ECLI:NL:RVS:2021:1670 — 28-07-2021 Raad van State
Bij besluit van 18 oktober 2019 heeft de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer opgelegd. Op 30 september 2019 is aan het CBR een schriftelijke mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid,…
Bron: Rechtspraak.nl — uitspraken bevatten verwijzingen naar dit artikel.