Bijlage II Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)

LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE WAAROP TOEPASSELIJK ZIJN DE BEPALINGEN VAN HET VIERDE DEEL VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE WERKING VAN DE EUROPESE UNIE

— 

Groenland

— 

Nieuw-Caledonië en onderhorigheden

— 

Frans-Polynesië

— 

Franse Zuidelijke en Zuidpoolgebieden

— 

Wallisarchipel en Futunaeiland ()

— 

Saint-Pierre en Miquelon

— 

Saint-Barthélemy

— 

Aruba

— 

Nederlandse Antillen:

— 

Bonaire

— 

Curaçao

— 

Saba

— 

Sint-Eustatius

— 

Sint-Maarten

— 

Anguilla

— 

Caymaneilanden

— 

Falklandeilanden

— 

South Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden

— 

Montserrat

— 

Pitcairn

— 

Sint-Helena met onderhorigheden

— 

Brits Antarctica

— 

Brits gebied in de Indische Oceaan

— 

Turks- en Caicoseilanden

— 

Britse Maagdeneilanden

— 

Bermudaeilanden.

VERKLARINGEN

GEHECHT AAN DE SLOTAKTE VAN DE INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE DIE HET VERDRAG VAN LISSABON HEEFT AANGENOMEN

ondertekend op 13 december 2007

A.    VERKLARINGEN BETREFFENDE BEPALINGEN VAN DE VERDRAGEN

1.

Verklaring betreffende het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat juridisch bindend is, bevestigt de grondrechten die gewaarborgd zijn door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de grondrechten die voortvloeien uit de grondwettelijke tradities die de lidstaten gemeen hebben.

Het Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet uit tot buiten de bevoegdheden van de Unie en schept voor de Unie geen nieuwe bevoegdheden of taken, noch brengt het wijziging in de bevoegdheden en taken als omschreven in de Verdragen.

2.

Verklaring ad artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie is het erover eens dat bij de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de specifieke kenmerken van de rechtsorde van de Unie in stand moeten worden gehouden. In dit verband neemt de Conferentie nota van het bestaan van een regelmatige dialoog tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europese Hof voor de rechten van de mens; deze dialoog zou kunnen worden versterkt wanneer de Unie toetreedt tot dit Verdrag.

3.

Verklaring ad artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Unie houdt rekening met de bijzondere situatie van de landen met een klein grondgebied die specifieke nabuurschapsbetrekkingen met haar onderhouden.

4.

Verklaring betreffende de samenstelling van het Europees Parlement

De extra zetel in het Europees Parlement wordt toegewezen aan Italië.

5.

Verklaring betreffende het politieke akkoord van de Europese Raad over het ontwerp-besluit inzake de samenstelling van het Europees Parlement

De Europese Raad zal zijn politieke akkoord hechten aan het herziene ontwerp-besluit inzake de samenstelling van het Europees Parlement, voor de zittingsperiode 2009-2014, dat gebaseerd is op het voorstel van het Europees Parlement.

6.

Verklaring ad artikel 15, leden 5 en 6, artikel 17, leden 6 en 7, en artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

Bij de keuze van de personen voor de ambten van voorzitter van de Europese Raad, voorzitter van de Commissie en hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid moet naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak tot eerbiediging van de geografische en demografische verscheidenheid van de Unie en van de lidstaten.

7.

Verklaring ad artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat het besluit betreffende de uitvoering van artikel 9 C, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie door de Raad zal worden vastgesteld op de dag van de ondertekening van het Verdrag van Lissabon, en in werking zal treden op de dag waarop dat Verdrag in werking treedt. Hieronder volgt het ontwerp-besluit:

Ontwerp-Besluit van de Raad

betreffende de uitvoering van artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017, enerzijds, en vanaf 1 april 2017, anderzijds



DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Overwegende hetgeen volgt:
(1)

Er dienen bepalingen te worden vastgesteld die een vlotte overgang mogelijk maken van het systeem van besluitvorming in de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen - als omschreven in artikel 3, lid 3, van het protocol betreffende de overgangsbepalingen, dat tot en met 31 oktober 2014 van toepassing zal blijven - naar de stemprocedure als bepaald bij artikel 16, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die vanaf 1 november 2014 van toepassing zal zijn, met inbegrip van de in artikel 3, lid 2, van dat protocol vastgestelde specifieke bepalingen, die gedurende een overgangsperiode tot en met 31 maart 2017, van toepassing zullen zijn.

(2)

Er zij aan herinnerd dat het gebruikelijk is dat de Raad zich zoveel mogelijk inspant om de democratische legitimiteit van met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgestelde handelingen te versterken,

BESLUIT:



Artikel 1

Indien, tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017, leden van de Raad die:

a) 

ten minste driekwart van de bevolking, of

b) 

ten minste driekwart van het aantal lidstaten

vertegenwoordigen, zoals vereist voor het vormen van een blokkerende minderheid ingevolge de toepassing van artikel 16, lid 4, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie of artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aangeven zich ertegen te verzetten dat de Raad een handeling met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vaststelt, bespreekt de Raad de kwestie.

Artikel 2

De Raad doet tijdens deze besprekingen alles wat in zijn vermogen ligt om, binnen een redelijke tijd en zonder afbreuk te doen aan de dwingende termijnen die door het recht van de Unie worden voorgeschreven, een bevredigende oplossing te vinden om tegemoet te komen aan de bezwaren van de in artikel 1 bedoelde leden van de Raad.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad neemt hiertoe, met de hulp van de Commissie en met inachtneming van het reglement van orde van de Raad, ieder initiatief dat nodig is om een grotere mate van overeenstemming in de Raad te vergemakkelijken. De leden van de Raad zijn hem daarbij behulpzaam.

Artikel 4

Indien, vanaf 1 april 2017, leden van de Raad die:

a) 

ten minste 55% van de bevolking, of

b) 

ten minste 55% van het aantal lidstaten

vertegenwoordigen, zoals vereist voor het vormen van een blokkerende minderheid ingevolge de toepassing van artikel 16, lid 4, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie of artikel 238, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aangeven zich ertegen te verzetten dat de Raad een handeling met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vaststelt, bespreekt de Raad de kwestie.

Artikel 5

De Raad doet tijdens deze besprekingen alles wat in zijn vermogen ligt om, binnen een redelijke tijd en zonder afbreuk te doen aan de dwingende termijnen die door het recht van de Unie worden voorgeschreven, een bevredigende oplossing te vinden om tegemoet te komen aan de bezwaren van de in artikel 4 bedoelde leden van de Raad.

Artikel 6

De voorzitter van de Raad neemt hiertoe, met de hulp van de Commissie en met inachtneming van het reglement van orde van de Raad, ieder initiatief dat nodig is om een grotere mate van overeenstemming in de Raad te vergemakkelijken. De leden van de Raad zijn hem daarbij behulpzaam.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.

8.

Verklaring betreffende de praktische maatregelen die moeten worden genomen op het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wat betreft het voorzitterschap van de Europese Raad en van de Raad Buitenlandse Zaken

Ingeval het Verdrag van Lissabon na 1 januari 2009 in werking treedt, verzoekt de Conferentie de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad gedurende dat halfjaar bekleedt, enerzijds, en de persoon die tot voorzitter van de Raad wordt gekozen en de persoon die tot hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid wordt benoemd, anderzijds, in overleg met het voorzitterschap van het daaropvolgende halfjaar, de nodige concrete maatregelen te nemen die een efficiënte overgang van de materiële en organisatorische aspecten van de uitoefening van het voorzitterschap van de Europese Raad en de Raad Buitenlandse Zaken mogelijk maken.

9.

Verklaring ad artikel 16, lid 9, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende het besluit van de Europese Raad inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad

De Conferentie verklaart dat de Raad, zodra het Verdrag van Lissabon is ondertekend, moet beginnen met de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van de procedures voor de uitvoering van het besluit inzake de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad en daaraan binnen zes maanden zijn politieke goedkeuring moet hechten. Hieronder volgt een ontwerp-besluit van de Europese Raad dat zal worden aangenomen op de dag waarop voornoemd Verdrag in werking treedt.

Ontwerp-besluit van de Europese Raad betreffende

de uitoefening van het voorzitterschap van de Raad



Artikel 1

1.

Het voorzitterschap van de Raad, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, wordt gedurende 18 maanden door vooraf bepaalde groepen van drie lidstaten vervuld. Deze groepen worden volgens een toerbeurtsysteem op basis van gelijkheid van de lidstaten samengesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van de lidstaten en het geografisch evenwicht binnen de Unie.

2.

Ieder lid van de groep zit bij toerbeurt gedurende een periode van zes maanden alle Raadsformaties voor, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken. De andere leden van de groep staan het voorzitterschap in al zijn verantwoordelijkheden bij op basis van een gemeenschappelijk programma. De leden van de groep kunnen onderling tot andere regelingen besluiten.

Artikel 2

Het Comité van permanente vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat die de Raad Algemene Zaken voorzit.

Het politiek en veiligheidscomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

De voorbereidende instanties van de diverse Raadsformaties, met uitzondering van de formatie Buitenlandse Zaken, worden voorgezeten door het lid van de groep dat het voorzitterschap van de betrokken Raadsformatie vervult, behoudens een ander besluit overeenkomstig artikel 4.

Artikel 3

De Raad Algemene Zaken draagt in samenwerking met de Commissie in het kader van een meerjarenprogrammering zorg voor de samenhang en de continuïteit van de werkzaamheden van de verschillende Raadsformaties. De lidstaten die het voorzitterschap vervullen, treffen, met de hulp van het secretariaat-generaal van de Raad, alle nodige maatregelen voor de organisatie en het goede verloop van de werkzaamheden van de Raad.

Artikel 4

De Raad stelt een besluit houdende maatregelen tot uitvoering van dit besluit vast.

10.

Verklaring ad artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie is van mening dat, wanneer de Commissie niet langer uit onderdanen van alle lidstaten bestaat, zij bijzondere aandacht moet schenken aan de noodzaak om te zorgen voor volledige transparantie in haar betrekkingen met alle lidstaten. Bijgevolg moet de Commissie nauwe contacten onderhouden met alle lidstaten, ongeacht of een van hun onderdanen lid van de Commissie is, en in dit verband moet zij bijzondere aandacht schenken aan de noodzaak om met alle lidstaten informatie te delen en overleg te plegen.

De Conferentie is ook van mening dat de Commissie alle nodige maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat de politieke, sociale en economische realiteit in alle lidstaten, daaronder de lidstaten begrepen die geen onderdaan als lid van de Commissie hebben, volledig in aanmerking wordt genomen. Deze maatregelen zouden onder meer de waarborg moeten omvatten dat het standpunt van die lidstaten door de vaststelling van passende organisatorische regelingen in aanmerking wordt genomen.

11.

Verklaring ad artikel 17, leden 6 en 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie is van oordeel dat het Europees Parlement en de Europese Raad krachtens de bepalingen van de Verdragen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het goede verloop van het proces dat tot de verkiezing van de voorzitter van de Commissie leidt. Daarom zullen vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de Europese Raad voorafgaand aan het besluit van de Europese Raad in het daartoe meest geschikt geachte kader de nodige raadplegingen verrichten. Deze raadplegingen zullen handelen over het profiel van de kandidaten voor het ambt van voorzitter van de Commissie, waarbij overeenkomstig artikel 17, lid 7, eerste alinea, rekening zal worden gehouden met de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement. De wijze waarop deze raadplegingen plaatsvinden kan te gelegener tijd in onderlinge overeenstemming tussen het Europees Parlement en de Europese Raad gepreciseerd worden.

12.

Verklaring ad artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

1. De Conferentie verklaart dat tijdens de voorbereidende besprekingen voorafgaand aan de benoeming van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet geschieden overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 5 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen, en wiens ambtstermijn loopt van bovenbedoelde datum tot het einde van de ambtstermijn van de Commissie die op dat moment in functie is, de nodige contacten met het Europees Parlement zullen worden gelegd.

2. De Conferentie memoreert tevens dat de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, wiens ambtstermijn in november 2009 een aanvang zal nemen op hetzelfde tijdstip en voor dezelfde duur als de volgende Commissie, zal worden benoemd overeenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

13.

Verklaring betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

De Conferentie benadrukt dat de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid regelen, daaronder begrepen de instelling van het ambt van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de oprichting van een dienst voor extern optreden, geen afbreuk doen aan de huidige bevoegdheden van de lidstaten wat betreft de bepaling en uitvoering van hun buitenlands beleid, noch aan hun nationale vertegenwoordiging in derde landen en internationale organisaties.

De Conferentie herinnert er tevens aan dat de bepalingen die het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid beheersen, geen afbreuk doen aan de specifieke aard van het veiligheids- en defensiebeleid van de lidstaten.

Zij benadrukt dat de Europese Unie en haar lidstaten gebonden blijven door de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, in het bijzonder de bepaling dat de Veiligheidsraad en zijn leden de primaire verantwoordelijkheid dragen voor het handhaven van de internationale vrede en veiligheid.

14.

Verklaring betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Naast de specifieke regels en procedures vermeld in artikel 24, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie onderstreept de Conferentie dat de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, mede met betrekking tot de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de dienst voor extern optreden, de huidige rechtsgrondslag, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van elke afzonderlijke lidstaat onverlet laten wat betreft het bepalen en voeren van zijn buitenlands beleid, zijn nationale diplomatieke dienst, zijn betrekkingen met derde landen en zijn deelname aan internationale organisaties, waaronder het lidmaatschap van een lidstaat van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Voorts merkt de Conferentie op dat de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid geen nieuwe bevoegdheden aan de Commissie verlenen om besluiten te initiëren noch de rol van het Europees Parlement vergroten.

De Conferentie herinnert er tevens aan dat de bepalingen die het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid beheersen, geen afbreuk doen aan de specifieke aard van het veiligheids- en defensiebeleid van de lidstaten.

15.

Verklaring ad artikel 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat, zodra het Verdrag van Lissabon is ondertekend, de secretaris-generaal van de Raad, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de Commissie en de lidstaten, de voorbereidingen in verband met de Europese dienst voor extern optreden dienen aan te vangen.

16.

Verklaring ad artikel 55, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie

De Conferentie is van mening dat de mogelijkheid om de Verdragen in de in artikel 55, lid 2, bedoelde talen te vertalen bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstelling van eerbiediging van de rijke verscheidenheid van cultuur en taal van de Unie, waarvan sprake is in artikel 3, lid 3, vierde alinea. In dit verband bevestigt de Conferentie dat de Unie gehecht is aan de culturele verscheidenheid van Europa en bijzondere aandacht zal blijven schenken aan deze en andere talen.

De Conferentie beveelt aan dat lidstaten die van de in artikel 55, lid 2, geboden mogelijkheid gebruik wensen te maken, binnen zes maanden na de datum van ondertekening van het Verdrag van Lissabon aan de Raad meedelen in welke taal of talen de Verdragen zullen worden vertaald.

17.

Verklaring betreffende de voorrang

De Conferentie memoreert dat, in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Verdragen en het recht dat de Unie op grond van de Verdragen vaststelt, voorrang hebben boven het recht van de lidstaten, onder de voorwaarden bepaald in die rechtspraak.

Voorts heeft de Conferentie besloten het advies van de Juridische dienst van de Raad betreffende de voorrang, als vervat in document 11197/07 (JUR 260), te hechten aan deze Slotakte:

"Advies van de Juridische dienst van de Raad

van 22 juni 2007

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie vloeit voort dat de voorrang van het EG-recht een fundamenteel beginsel van het communautair recht is. Volgens het Hof gaat dit beginsel samen met het specifieke karakter van de Europese Gemeenschap. Ten tijde van het eerste arrest dat tot deze vaste rechtspraak behoort (Zaak 6/64, Costa/ENEL  (), van 15 juli 1964), bevatte het Verdrag geen verwijzing naar zulk een voorrang. Dit is nog altijd het geval. Het feit dat het beginsel van voorrang niet in het nieuwe Verdrag wordt opgenomen, verandert hoegenaamd niets aan het bestaan van dit beginsel of aan de rechtspraak van het Hof van Justitie.

18.

Verklaring betreffende de afbakening van de bevoegdheden

De Conferentie onderstreept dat, conform het systeem van verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten als bedoeld in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie worden toegedeeld, aan de lidstaten toebehoren.

In de gevallen waarin in de Verdragen op een bepaald gebied een bevoegdheid aan de Unie wordt toegedeeld die zij met de lidstaten deelt, oefenen de lidstaten hun bevoegdheid uit voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of besloten heeft deze niet langer uit te oefenen. Deze laatste situatie doet zich voor wanneer de bevoegde EU-instellingen besluiten een wetgevingshandeling in te trekken, met name om beter te waarborgen dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid te allen tijde worden geëerbiedigd. De Raad kan, op initiatief van een of meer van zijn leden (vertegenwoordigers van de lidstaten) en overeenkomstig artikel 241 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de Commissie verzoeken voorstellen in te dienen met het oog op de intrekking van een wetgevingshandeling. De Conferentie is verheugd over de verklaring van de Commissie dat zij bijzondere aandacht aan dergelijke verzoeken zal schenken.

Ook kunnen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van een intergouvernementele conferentie bijeen, overeenkomstig de gewone herzieningsprocedure bedoeld in artikel 48, leden 2 tot en met 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie besluiten tot wijziging van de verdragen waarop de Unie is gegrondvest, onder meer met het doel de in die Verdragen aan de Unie toegedeelde bevoegdheden uit te breiden of te beperken.

19.

Verklaring ad artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is het erover eens dat de Unie, in het kader van haar algemene streven de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen op te heffen, in haar beleidsinitiatieven zal trachten alle vormen van huiselijk geweld te bestrijden. De lidstaten moeten alle maatregelen nemen om deze strafbare feiten te voorkomen en te bestraffen en om de slachtoffers te steunen en te beschermen.

20.

Verklaring ad artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat in alle gevallen waarin op grond van artikel 16 voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens moeten worden vastgesteld die rechtstreekse gevolgen voor de nationale veiligheid zouden kunnen hebben, daarmee naar behoren rekening moet worden gehouden. Zij memoreert dat de geldende wetgeving (zie met name Richtlijn 95/46/EG) ter zake specifieke afwijkingen bevat.

21.

Verklaring betreffende de bescherming van persoonsgegevens op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en op het gebied van politiële samenwerking

De Conferentie erkent dat op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en op het gebied van politiële samenwerking specifieke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens en het vrije verkeer van die gegevens op basis van artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nodig zouden kunnen blijken vanwege de specifieke aard van deze gebieden.

22.

Verklaring ad artikelen 48 en 79 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is van oordeel dat ingeval een op artikel 79, lid 2, gebaseerde wetgevingshandeling afbreuk zou doen aan belangrijke aspecten van het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat, met name het toepassingsgebied, de kosten en de financiële structuur ervan, of gevolgen zou hebben voor het financiële evenwicht van dat stelsel, zoals bepaald in artikel 48, tweede alinea, er naar behoren rekening zal worden gehouden met de belangen van die lidstaat.

23.

Verklaring ad artikel 48, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie herinnert eraan dat in dat geval de Europese Raad overeenkomstig artikel 15, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bij consensus handelt.

24.

Verklaring betreffende de rechtspersoonlijkheid van de Europese Unie

De Conferentie bevestigt dat het feit dat de Europese Unie rechtpersoonlijkheid bezit, de Unie geenszins machtigt wetgevend of anderszins op te treden buiten de bevoegdheden die de lidstaten haar in de Verdragen hebben toegedeeld.

25.

Verklaring ad artikelen 75 en 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie memoreert dat de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden met name inhoudt dat de nodige aandacht wordt geschonken aan de bescherming en de eerbiediging van het recht van de betrokken natuurlijke personen of entiteiten op het genot van de bij de wet bepaalde waarborgen. Daartoe, en om een grondige rechterlijke toetsing te waarborgen, moeten besluiten waarbij een natuurlijke persoon of entiteit aan beperkende maatregelen wordt onderworpen, op duidelijke en onderscheiden criteria gebaseerd zijn. Deze criteria dienen te worden toegesneden op de specifieke kenmerken van de beperkende maatregel.

26.

Verklaring over de niet-deelneming van een lidstaat aan een maatregel die gebaseerd is op titel IV van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat de Raad, wanneer een lidstaat verkiest niet deel te nemen aan een maatregel die gebaseerd is op titel IV van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, een diepgaande bespreking zal houden over de mogelijke implicaties en gevolgen van de niet-deelneming van deze lidstaat aan deze maatregel.

Voorts kan elke lidstaat de Commissie verzoeken de situatie te onderzoeken op basis van artikel 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Bovenstaande alinea's laten de mogelijkheid dat een lidstaat deze kwestie aan de Europese Raad voorlegt, onverlet.

27.

Verklaring ad artikel 85, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is van oordeel dat de in artikel 85, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde verordeningen rekening dienen te houden met de nationale voorschriften en gebruiken inzake het inleiden van strafrechtelijk onderzoek.

28.

Verklaring ad artikel 98 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie merkt op dat de bepalingen van artikel 98 moeten worden toegepast in overeenstemming met de gangbare praktijk. De zinsnede "de maatregelen (…) [die] noodzakelijk zijn om de economische nadelen welke door de deling van Duitsland zijn berokkend aan de economie van de door de deling getroffen streken in de Bondsrepubliek te compenseren" moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

29.

Verklaring ad artikel 107, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie merkt op dat artikel 107, lid 2, onder c), moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de toepasselijkheid van die bepaling op de steun die wordt toegekend aan bepaalde gebieden van de Bondsrepubliek Duitsland die gevolgen ondervinden van de vroegere deling van Duitsland.

30.

Verklaring ad artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Met betrekking tot artikel 126 bevestigt de Conferentie dat het versterken van het groeipotentieel en het zorgen voor een gezonde begrotingssituatie de twee pijlers zijn van het economisch en het begrotingsbeleid van de Unie en de lidstaten. Het stabiliteits- en groeipact is een belangrijk werktuig om deze doelstellingen te verwezenlijken.

De Conferentie bevestigt dat zij achter de bepalingen betreffende het stabiliteits- en groeipact blijft staan, die zij beschouwt als het kader voor de coördinatie van het begrotingsbeleid van de lidstaten.

De Conferentie bevestigt dat een op regels gebaseerd systeem de beste garantie vormt voor het doen nakomen van de verbintenissen en voor een gelijke behandeling van alle lidstaten.

In verband hiermee bevestigt de Conferentie eveneens dat zij achter de doelstellingen van de strategie van Lissabon blijft staan: het creëren van werkgelegenheid, structurele hervormingen en sociale samenhang.

De Unie streeft naar evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit. Het economisch en het begrotingsbeleid moeten dus de juiste prioriteiten bepalen voor economische hervormingen, innovatie, concurrentievermogen en stimulering van particuliere investeringen en consumptie in tijden van zwakke economische groei. Dit zou tot uiting moeten komen in de opzet van begrotingsbeslissingen op nationaal niveau en op het niveau van de Unie, met name door herstructurering van de overheidsinkomsten en -uitgaven, met inachtneming van de begrotingsdiscipline conform de Verdragen en het stabiliteits- en groeipact.

De budgettaire en economische uitdagingen waarmee de lidstaten worden geconfronteerd wijzen op het belang van een gezond begrotingsbeleid gedurende de gehele economische cyclus.

De Conferentie is het erover eens dat de lidstaten perioden van economisch herstel actief dienen te gebruiken om hun overheidsfinanciën te consolideren en hun begrotingssituatie te verbeteren. Doelstelling is om in goede tijden geleidelijk een begrotingsoverschot te realiseren, waardoor de noodzakelijke ruimte ontstaat om economische tegenvallers op te vangen en aldus bij te dragen tot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn.

De lidstaten zien met belangstelling mogelijke voorstellen van de Commissie en verdere bijdragen van de lidstaten tegemoet, die de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact krachtiger en transparanter moeten maken. De lidstaten zullen alle nodige maatregelen nemen om het groeipotentieel van hun economieën te verbeteren. Een verbeterde coördinatie van het economisch beleid zou deze doelstelling kracht kunnen bijzetten. Met deze verklaring wordt niet vooruitgelopen op het toekomstige debat over het stabiliteits- en groeipact.

31.

Verklaring ad artikel 156 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie bevestigt dat de in artikel 156 beschreven beleidsterreinen in essentie onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. De ondersteunende en coördinerende maatregelen die overeenkomstig dit artikel op het niveau van de Unie moeten worden genomen, zijn van aanvullende aard. Zij hebben niet ten doel de nationale stelsels te harmoniseren, maar de samenwerking tussen de lidstaten te versterken. Zij laten de in elke lidstaat bestaande waarborgen en gebruiken in verband met de verantwoordelijkheid van de sociale partners onverlet.

Deze verklaring doet geen afbreuk aan de bepalingen van de Verdragen die de Unie bevoegdheid toedelen, daaronder begrepen op sociaal gebied.

32.

Verklaring ad artikel 168, lid 4, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat de maatregelen die overeenkomstig artikel 168, lid 4, onder c), zullen worden vastgesteld, tegemoet moeten komen aan de gemeenschappelijke uitdagingen op veiligheidsgebied en ten doel moeten hebben hoge kwaliteits- en veiligheidsnormen vast te stellen, wanneer nationale normen die van invloed zijn op de interne markt de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid anders zouden verhinderen.

33.

Verklaring ad artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is van oordeel dat de woorden "insulaire gebieden" in artikel 174 ook betrekking kunnen hebben op insulaire staten in hun geheel, mits aan de vereiste criteria wordt voldaan.

34.

Verklaring ad artikel 179 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is het erover eens dat in het optreden van de Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling naar behoren rekening zal worden gehouden met de fundamentele oriëntaties en keuzen van het onderzoeksbeleid van de lidstaten.

35.

Verklaring ad artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie is van oordeel dat artikel 194 geen afbreuk doet aan het recht van de lidstaten om onder de in artikel 347 bepaalde voorwaarden de nodige voorzieningen te treffen om hun energievoorziening te waarborgen.

36.

Verklaring ad artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de onderhandelingen over en sluiting van internationale overeenkomsten inzake de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht door de lidstaten

De Conferentie bevestigt dat de lidstaten op de door deel III, titel V, hoofdstukken 3, 4 en 5, bestreken gebieden onderhandelingen kunnen aangaan over overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties en zulke overeenkomsten kunnen sluiten, voor zover deze verenigbaar zijn met het recht van de Unie.

37.

Verklaring ad artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Onverminderd de maatregelen die de Unie vaststelt om te voldoen aan haar solidariteitsverplichting jegens een lidstaat die getroffen wordt door een terroristische aanval, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte ramp, beoogt geen van de bepalingen van artikel 222 afbreuk te doen aan het recht van een andere lidstaat de geschiktste middelen te kiezen om aan zijn solidariteitsverplichting jegens eerstgenoemde lidstaat te voldoen.

38.

Verklaring ad artikel 252 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het aantal advocaten-generaal bij het Hof van Justitie

De Conferentie verklaart dat indien het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 252, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verzoekt om het aantal advocaten-generaal met drie te verhogen (van acht naar elf), de Raad met eenparigheid van stemmen met die verhoging zal instemmen.

De Conferentie komt overeen dat Polen in dat geval, zoals nu reeds Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk, een permanente advocaat-generaal zal hebben en niet langer zal deelnemen aan het toerbeurtsysteem; het bestaande toerbeurtsysteem zal dan betrekking hebben op vijf advocaten-generaal in plaats van drie.

39.

Verklaring ad artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie neemt er nota van dat de Commissie voornemens is de door de lidstaten aangewezen deskundigen te blijven raadplegen bij de voorbereiding van haar ontwerpen van gedelegeerde handelingen op het gebied van financiële diensten, overeenkomstig haar vaste praktijk.

40.

Verklaring ad artikel 329 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat de lidstaten bij de indiening van hun verzoek om een nauwere samenwerking te mogen aangaan, kunnen aangeven of zij reeds in dat stadium voornemens zijn artikel 333 toe te passen, dat voorziet in uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid, of gebruik te maken van de gewone wetgevingsprocedure.

41.

Verklaring ad artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie verklaart dat de verwijzing naar de doelstellingen van de Unie in artikel 352, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een verwijzing is naar de doelstellingen bedoeld in artikel 3, leden 2 en 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en naar de doelstellingen van artikel 3, lid 5, van genoemd Verdrag met betrekking tot het externe optreden op basis van het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is derhalve uitgesloten dat met een optreden op basis van artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie alleen de doelstellingen bedoeld in artikel 3, lid 1, worden nagestreefd. De Conferentie wijst er in dit verband op dat, overeenkomstig artikel 31, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, geen wetgevingshandelingen kunnen worden aangenomen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

42.

Verklaring ad artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Conferentie benadrukt dat, volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als bestanddeel van een op het beginsel van bevoegdheidstoedeling berustend institutioneel bestel, geen grondslag kan zijn voor een uitbreiding van het competentiegebied van de Unie tot buiten het algemene kader dat gevormd wordt door het geheel van de bepalingen van de Verdragen, en in het bijzonder die waarin de taken en het optreden van de Unie worden omschreven. In geen geval kan dit artikel als grondslag dienen voor de vaststelling van bepalingen die, wat hun gevolgen betreft, in wezen neerkomen op een wijziging van de Verdragen buiten de daartoe in de Verdragen voorziene procedure om.

43.

Verklaring ad artikel 355, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat de Europese Raad krachtens artikel 355, lid 6, een besluit zal vaststellen om Mayotte ten aanzien van de Unie de status van ultraperifeer gebied in de zin van artikel 355, lid 1, en artikel 349 te verlenen wanneer de Franse autoriteiten de Europese Raad en de Commissie mededelen dat de huidige evolutie in de interne status van het eiland daarvoor de ruimte biedt.

B.    VERKLARINGEN BETREFFENDE AAN DE VERDRAGEN GEHECHTE PROTOCOLLEN

44.

Verklaring ad artikel 5 van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis

De Conferentie neemt er nota van dat wanneer een lidstaat er uit hoofde van artikel 5, lid 2, van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis kennis van heeft gegeven dat hij niet wenst deel te nemen aan een voorstel of initiatief, die kennisgeving op elk tijdstip voor de aanneming van het voorstel waarmee wordt voortgebouwd op het Schengenacquis kan worden ingetrokken.

45.

Verklaring ad artikel 5, lid 2, van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis

De Conferentie verklaart dat de Raad, wanneer het Verenigd Koninkrijk of Ierland de Raad mededeelt voornemens te zijn niet deel te nemen aan een maatregel waarmee wordt voortgebouwd op een deel van het Schengenacquis waaraan het wel deelneemt, een grondige bespreking zal houden over de mogelijke implicaties van de niet-deelneming van die lidstaat aan die maatregel. De bespreking in de Raad moet worden gevoerd in het licht van de door de Commissie verstrekte aanwijzingen over het verband tussen het voorstel en het Schengenacquis.

46.

Verklaring ad artikel 5, lid 3, van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis

De Conferentie herinnert eraan dat de Commissie, indien de Raad na een eerste inhoudelijke bespreking van de kwestie geen besluit neemt, een gewijzigd voorstel met het oog op een inhoudelijke herbespreking door de Raad binnen een termijn van vier maanden kan indienen.

47.

Verklaring ad artikel 5, leden 3, 4 en 5, van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis

De Conferentie neemt er nota van dat de voorwaarden die moeten worden gesteld in het besluit als bedoeld in artikel 5, leden 3, 4 en 5, van het Protocol betreffende het in het kader van de Europese Unie geïntegreerde Schengenacquis, kunnen voorschrijven dat de betrokken lidstaat de eventuele directe financiële gevolgen zal dragen die noodzakelijkerwijs en onvermijdelijk voortvloeien uit de beëindiging van zijn deelname aan enkele of alle bepalingen van het acquis, als vermeld in elk door de Raad overeenkomstig artikel 4 van genoemd Protocol genomen besluit.

48.

Verklaring inzake het Protocol betreffende de positie Denemarken

De Conferentie neemt er nota van dat Denemarken, met betrekking tot rechtshandelingen die de Raad alleen of samen met het Europees Parlement moet vaststellen en die zowel bepalingen bevatten die op Denemarken van toepassing zijn als bepalingen die dat niet zijn omdat zij een rechtsgrondslag hebben waarop deel I van het Protocol betreffende de positie van Denemarken van toepassing is, verklaart dat het zijn stemrecht niet zal gebruiken om de vaststelling tegen te gaan van bepalingen die niet op Denemarken van toepassing zijn.

Voorts neemt de Conferentie er nota van dat Denemarken, op basis van de verklaring van de Conferentie over artikel 222, verklaart dat de Deense deelneming aan een optreden of aan rechtshandelingen op grond van artikel 222 zal geschieden overeenkomstig deel I en deel II van het Protocol betreffende de positie van Denemarken.

49.

Verklaring inzake Italië

De Conferentie neemt er akte van dat het Protocol betreffende Italië, dat in 1957 aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is gehecht, zoals gewijzigd bij de goedkeuring van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het volgende bepaalde:

"DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

VERLANGENDE bepaalde bijzondere vraagstukken te regelen welke voor Italië van belang zijn,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, welke aan het Verdrag zijn gehecht:

DE LIDSTATEN VAN DE GEMEENSCHAP

NEMEN KENNIS van het feit dat de Italiaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de tenuitvoerlegging van een tienjarenplan voor economische expansie, dat tot doel heeft een evenwicht tot stand te brengen in de structuur van de Italiaanse economie, met name door de minderontwikkelde streken in het zuiden en op de eilanden toe te rusten en door nieuwe werkgelegenheid te scheppen, ten einde de werkloosheid uit te schakelen.

BRENGEN IN HERINNERING dat dit programma van de Italiaanse regering door organisaties van internationale samenwerking waarvan zij lid zijn, in zijn beginselen en zijn doelstellingen in beschouwing is genomen en goedgekeurd.

ERKENNEN dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van het Italiaanse programma worden bereikt.

KOMEN OVEREEN, ten einde de vervulling van de taak der Italiaanse regering te vergemakkelijken, aan de instellingen van de Unie aan te bevelen alle in het Verdrag bedoelde middelen en procedures aan te wenden, met name een doeltreffend gebruik te maken van de middelen van de Europese Investeringsbank en het Europees Sociaal Fonds.

ZIJN VAN MENING dat door de instellingen van de Uniebij de toepassing van het Verdrag rekening moet worden gehouden met de krachtsinspanning welke de Italiaanse economie zich gedurende de eerstkomende jaren moet getroosten, en met de wenselijkheid gevaarlijke spanningen te voorkomen, met name in de betalingsbalans en het peil van werkgelegenheid, welke de toepassing van dat Verdrag in Italië in gevaar zouden kunnen brengen.

ERKENNEN in het bijzonder dat er bij de toepassing van de artikelen 109 H en 109 I voor gewaakt moet worden dat de maatregelen welke van de Italiaanse regering worden verlangd, het volbrengen van haar programma voor economische expansie en voor verbetering van de levensstandaard van de bevolking niet aantasten."

50.

Verklaring ad artikel 10 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen

De Conferentie verzoekt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, zich in te spannen om, in de passende gevallen en voor zover mogelijk binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen, rechtshandelingen vast te stellen tot wijziging of vervanging van de in artikel 10, lid 1, van genoemd Protocol bedoelde besluiten.

C.    VERKLARINGEN VAN LIDSTATEN

51.

Verklaring van het Koninkrijk België inzake de nationale parlementen

Het Koninkrijk België verduidelijkt dat, overeenkomstig zijn grondwettelijk recht, zowel de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat van het federaal Parlement als de parlementaire vergaderingen van de Gemeenschappen en Gewesten, in functie van de bevoegdheden die de Unie uitoefent, optreden als componenten van het nationaal parlementair stelsel of als kamers van het nationaal Parlement.

52.

Verklaring van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Oostenrijk, Roemenië, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek betreffende de symbolen van de Europese Unie

België, Bulgarije, Duitsland, Griekenland, Spanje, Italië, Cyprus, Litouwen, Luxemburg, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Roemenië, Portugal, Slovenië en Slowakije verklaren dat de vlag met een cirkel van twaalf gouden sterren op een blauw veld, de hymne uit de "Ode aan de Vreugde" uit de negende symfonie van Ludwig van Beethoven, het devies "In verscheidenheid verenigd", de euro als munt van de Europese Unie en de "Dag van Europa" op 9 mei voor hen de symbolen blijven van het gemeenschappelijk lidmaatschap van de burgers van de Europese Unie en van hun band met de Unie.

53.

Verklaring van de Tsjechische Republiek over het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

1. De Tsjechische Republiek herinnert eraan dat de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gericht zijn tot de instellingen en de organen van de Europese Unie, met passende inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en de verdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en haar lidstaten, zoals opnieuw bevestigd in verklaring nr. 18 betreffende de afbakening van bevoegdheden. De Tsjechische Republiek benadrukt dat deze bepalingen alleen voor de lidstaten gelden wanneer zij de wetgeving van de Unie toepassen, en niet wanneer zij onafhankelijk van de wetgeving van de Unie nationale wetgeving aannemen en toepassen.

2. De Tsjechische Republiek onderstreept tevens dat het Handvest het toepassingsgebied van de wetgeving van de Unie niet uitbreidt en de Unie geen nieuwe bevoegdheid verleent. Het houdt geen beperking van het toepassingsgebied van de nationale wetgeving in en geen inperking van de huidige bevoegdheden van de nationale autoriteiten op dit gebied.

3. De Tsjechische Republiek legt er de nadruk op dat, voor zover het Handvest grondrechten en beginselen erkent zoals deze voortvloeien uit de grondwettelijke tradities die de lidstaten gemeenschappelijk hebben, die rechten en beginselen in harmonie met die tradities moeten worden geïnterpreteerd.

4. De Tsjechische Republiek benadrukt voorts dat niets in het Handvest mag worden geïnterpreteerd als beperkend of met nadelige gevolgen voor de mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals deze, op hun respectieve toepassingsgebied, worden erkend door de wetgeving van de Unie en door internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en door de grondwetten van de lidstaten.

54.

Verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Republiek Hongarije, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden

Duitsland, Ierland, Hongarije, Oostenrijk en Zweden merken op dat de belangrijkste bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie sinds de inwerkingtreding van dat Verdrag inhoudelijk niet zijn gewijzigd en moeten worden geactualiseerd. Daarom steunen zij het idee van een zo spoedig mogelijk bijeen te roepen Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, die bijeengeroepen zou moeten worden zodra dit mogelijk is.

55.

Verklaring van het Koninkrijk Spanje en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

De Verdragen zijn van toepassing op Gibraltar als een Europees gebiedsdeel waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd. Dit houdt geen wijziging van de respectieve standpunten van de betrokken lidstaten in.

56.

Verklaring van Ierland ad artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht

Ierland bevestigt zijn gehechtheid aan de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd en waarin de lidstaten de burgers een hoog niveau van veiligheid bieden.

Ierland verklaart derhalve het vaste voornemen te hebben zo maximaal mogelijk gebruik te maken van zijn recht, krachtens artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, om deel te nemen aan de aanneming van maatregelen uit hoofde van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Ierland zal met name zo maximaal mogelijk deelnemen aan de maatregelen op het gebied van de politiële samenwerking.

Voorts herinnert Ierland eraan dat het overeenkomstig artikel 8 van het protocol de Raad er schriftelijk van in kennis kan stellen dat het niet langer onder de bepalingen van dit protocol wenst te vallen. Ierland is voornemens om binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon te evalueren hoe deze regelingen functioneren.

57.

Verklaring van de Italiaanse Republiek over de samenstelling van het Europees Parlement

Italië constateert dat overeenkomstig artikel 10 en artikel 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Europees Parlement bestaat uit vertegenwoordigers van de burgers van de Unie, die degressief evenredig zijn vertegenwoordigd.

Italië constateert eveneens dat krachtens artikel 8 (hernummerd tot 9) van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 17 (hernummerd tot 20) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, burger van de Unie eenieder is die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

In dat verband is Italië van mening dat, onverminderd het besluit inzake de zittingsperiode 2009-2014, eender welk besluit van de Europese Raad op initiatief van het Europees Parlement en met goedkeuring van laatstgenoemde instelling betreffende de samenstelling van het Europees Parlement, dient te stroken met de beginselen van artikel 14, lid 2, eerste alinea.

58.

Verklaring van de Republiek Letland, de Republiek Hongarije en de Republiek Malta over de spelling van de naam van de enige munteenheid in de Verdragen

Onverminderd de uniforme spelling van de naam van de in de Verdragen bedoelde enige munteenheid van de Europese Unie zoals die op de bankbiljetten en munten staat, verklaren Letland, Hongarije en Malta dat de spelling van de naam van de enige munteenheid en van de afgeleide vormen daarvan in de Letse, Hongaarse en Maltese tekst van de Verdragen geen gevolgen heeft voor de bestaande regels van de Letse, Hongaarse en Maltese taal.

59.

Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Het Koninkrijk der Nederlanden zal instemmen met een besluit, bedoeld in artikel 312, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zodra een herziening van de in artikel 311, derde alinea, van dat Verdrag bedoelde besluit Nederland een bevredigende oplossing heeft geboden voor zijn buitensporige negatieve nettobetalingspositie ten opzichte van de begroting van de Unie.

60.

Verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden ad artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Het Koninkrijk der Nederlanden verklaart dat een initiatief tot een besluit, als bedoeld in artikel 355, lid 6, strekkende tot wijziging van de status van de Nederlandse Antillen en/of Aruba ten aanzien van de Unie alleen zal worden ingediend op grond van een besluit dat genomen is in overeenstemming met het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.

61.

Verklaring van de Republiek Polen betreffende het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Het Handvest heeft in geen enkel opzicht gevolgen voor het recht van de lidstaten om wetgeving vast te stellen op het gebied van de openbare zeden, het familierecht en de bescherming van de menselijke waardigheid alsmede de eerbiediging van de lichamelijke en morele integriteit van de mens.

62.

Verklaring van de Republiek Polen over het Protocol inzake de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op Polen en het Verenigd Koninkrijk

Polen verklaart dat zij, gezien de traditie van de sociale beweging "Solidariteit" en haar belangrijke bijdrage aan de strijd voor sociale en werknemersrechten, de sociale en werknemersrechten, als vastgelegd in het recht van de Unie, en met name die welke zijn herbevestigd in Titel IV van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ten volle eerbiedigt.

63.

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de definitie van de term "onderdanen"

Wat betreft de Verdragen en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en handelingen die voortvloeien uit die Verdragen of van kracht blijven op grond van die Verdragen, herinnert het Verenigd Koninkrijk aan de verklaring die het op 31 december 1982 heeft afgelegd over de definitie van de term "onderdanen", met dien verstande dat het begrip "burgers van Britse afhankelijke gebieden" gelezen moet worden als "burgers van Britse overzeese gebieden".

64.

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement

Het Verenigd Koninkrijk merkt op dat artikel 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en andere bepalingen van de Verdragen niet bedoeld zijn om wijzigingen aan te brengen in de grondslagen voor het kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement.

65.

Verklaring van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ad artikel 75 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Het Verenigd Koninkrijk staat volledig achter krachtige maatregelen met betrekking tot het opleggen van financiële sancties die zijn bedoeld om terrorisme en aanverwante activiteiten te voorkomen en te bestrijden. Het Verenigd Koninkrijk verklaart derhalve dat het voornemens is zijn uit artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voortvloeiende recht om deel te nemen aan de aanneming van alle voorstellen uit hoofde van artikel 75 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, uit te oefenen.

CONCORDANTIETABELLEN ()



Verdrag betreffende de europese unie

Oude nummering in het Verdrag betreffende de Europese Unie

Nieuwe nummering in het Verdrag betreffende de Europese Unie

TITEL I - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

TITEL I - GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Artikel 1

 

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3 (geschrapt) 

 

 

Artikel 4

 

Artikel 5 

Artikel 4 (geschrapt) 

 

Artikel 5 (geschrapt) 

 

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

 

Artikel 8

TITEL II - BEPALINGEN HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP MET HET OOG OP DE OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

TITEL II - BEPALINGEN INZAKE DE DEMOCRATISCHE BEGINSELEN

Artikel 8 (geschrapt) 

Artikel 9

 

Artikel 10 

 

Artikel 11

 

Artikel 12

TITEL III - BEPALINGEN HOUDENDE WIJZIGINGEN VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR KOLEN EN STAAL

TITEL III - BEPALINGEN BETREFFENDE DE INSTELLINGEN

Artikel 9 (geschrapt) 

Artikel 13

 

Artikel 14 

 

Artikel 15 

 

Artikel 16 

 

Artikel 17 

 

Artikel 18

 

Artikel 19 

TITEL IV - BEPALINGEN TOT WIJZIGING VAN HET VERDRAG TOT OPRICHTING VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE

TITEL IV - BEPALINGEN INZAKE DE NAUWERE SAMENWERKING

Artikel 10 (geschrapt) 

Artikelen 27 A tot en met 27 E (vervangen)

Artikelen 40 tot en met 40 B (vervangen)

Artikelen 43 tot en met 45 (vervangen)

Artikel 20 

TITEL V - BEPALINGEN BETREFFENDE EEN GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

TITEL V - ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE HET EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE EN SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

 

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen betreffende het extern optreden van de Unie

 

Artikel 21

 

Artikel 22

 

Hoofdstuk 2 - Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

 

Eerste afdeling - Gemeenschappelijke bepalingen

 

Artikel 23

Artikel 11

Artikel 24

Artikel 12

Artikel 25

Artikel 13

Artikel 26

 

Artikel 27

Artikel 14

Artikel 28

Artikel 15

Artikel 29

Artikel 22 (verplaatst)

Artikel 30

Artikel 23 (verplaatst)

Artikel 31

Artikel 16

Artikel 32

Artikel 17 (verplaatst)

Artikel 42

Artikel 18

Artikel 33

Artikel 19

Artikel 34

Artikel 20

Artikel 35

Artikel 21

Artikel 36

Artikel 22 (verplaatst)

Artikel 30

Artikel 23 (verplaatst)

Artikel 31

Artikel 24

Artikel 37

Artikel 25

Artikel 38

 

Artikel 39

Artikel 47 (verplaatst)

Artikel 40

Artikel 26 (geschrapt)

 

Artikel 27 (geschrapt)

 

Artikel 27 A (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 27 B (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 27 C (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 27 D (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 27 E (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 28

Artikel 41

 

Tweede deel - Bepalingen inzake het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Artikel 17 (verplaatst)

Artikel 42

 

Artikel 43

 

Artikel 44

 

Artikel 45

 

Artikel 46

TITEL VI - BEPALINGEN INZAKE POLITIËLE EN JUSTITIËLE SAMENWERKING IN STRAFZAKEN (geschrapt) 

 

Artikel 29 (vervangen) 

 

Artikel 30 (vervangen) 

 

Artikel 31 (vervangen) 

 

Artikel 32 (vervangen) 

 

Artikel 33 (vervangen) 

 

Artikel 34 (geschrapt)

 

Artikel 35 (geschrapt)

 

Artikel 36 (vervangen) 

 

Artikel 37 (geschrapt)

 

Artikel 38 (geschrapt)

 

Artikel 39 (geschrapt)

 

Artikel 40 (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 40 A (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 40 B (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 41 (geschrapt)

 

Artikel 42 (geschrapt)

 

TITEL VII - BEPALINGEN INZAKE NAUWERE SAMENWERKING (vervangen) 

TITEL IV - BEPALINGEN INZAKE NAUWERE SAMENWERKING

Artikel 43 (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 43 A (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 43 B (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 44 (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 44 A (vervangen) 

Artikel 20

Artikel 45 (vervangen) 

Artikel 20

TITEL VIII - SLOTBEPALINGEN

TITEL VI - SLOTBEPALINGEN

Artikel 46 (geschrapt)

 

 

Artikel 47

 Artikel 47 (vervangen) 

Artikel 40

Artikel 48

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 49

 

Artikel 50

 

Artikel 51

 

Artikel 52

Artikel 50 (geschrapt)

 

Artikel 51

Artikel 53

Artikel 52

Artikel 54

Artikel 53

Artikel 55

(1)   

Ten gronde vervangen door artikel 7 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 13, lid 1, en 21, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

(2)   

Vervangt artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG).

(3)   

Ten gronde vervangen door artikel 15.

(4)   

Ten gronde vervangen door artikel 13, lid 2.

(5)   

Artikel 8 VEU dat van kracht was voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (hierna het huidige VEU) wijzigde het VEG. Deze wijzigingen zijn opgenomen in laatstgenoemd verdrag en artikel 8 is geschrapt. Het nummer is gebruikt om een nieuwe bepaling te kunnen invoegen.

(6)   

Lid 4 vervangt ten gronde artikel 191, eerste alinea VEG.

(7)   

Artikel 9 van het huidige VEU wijzigde het EGKS-Verdrag. Dit verdrag is op 23 juli 2002 verstreken. Artikel 9 is geschrapt en het nummer is gebruikt om een andere bepaling in te voegen.

(8)   

— De leden 1 en 2 vervangen ten gronde artikel 189 VEG;

— de leden 1 tot en met 3 vervangen ten gronde artikel 190, leden 1 tot en met 3 VEG;

— lid 1 vervangt ten gronde artikel 192, eerste alinea VEG;

— lid 4 vervangt ten gronde artikel 197, eerste alinea VEG.

(9)   

Vervangt ten gronde artikel 4.

(10)   

— Lid 1 vervangt ten gronde artikel 202, eerste en tweede streepje VEG;

— de leden 2 en 9 vervangen ten gronde artikel 203 VEG;

— de leden 4 en 5 vervangen ten gronde artikel 205, leden 2 en 4 VEG.

(11)   

— Lid 1 vervangt ten gronde artikel 211 VEG;

— de leden 3 en 7 vervangen ten gronde artikel 214 VEG;

— lid 6 vervangt ten gronde artikel 217, leden 1, 3 en 4 VEG.

(12)   

— Vervangt ten gronde artikel 220 VEG;

— lid 2, eerste alinea, vervangt ten gronde artikel 221, eerste alinea VEG.

(13)   

Artikel 10 van het huidige VEU wijzigde het Euratom-Verdrag. Deze wijzigingen zijn opgenomen in laatstgenoemd verdrag en artikel 10 is geschrapt. Het nummer is gebruikt om een andere bepaling in te voegen.

(14)   

Vervangt eveneens de artikelen 11 en 11 A VEG.

(15)   

De artikelen 27 A tot en met 27 E van het huidige VEU, betreffende de nauwere samenwerking, worden eveneens vervangen door de artikelen 326 tot en met 334 VWEU.

(16)     

De bepalingen van titel VI van het huidige VEU, betreffende de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken worden vervangen door de bepalingen van de hoofdstukken 1, 4 en 5 van titel IV (hernummerd tot V) van het derde deel VWEU.

  (17)   

Vervangen door artikel 67 VWEU.

(18)   

Vervangen door de artikelen 87 en 88 VWEU.

(19)   

Vervangen door de artikelen 82, 83 en 85 VWEU.

(20)   

Vervangen door artikel 89 VWEU.

(21)   

Vervangen door artikel 72 VWEU.

(22)   

Vervangen door artikel 71 VWEU.

(23)   

De artikelen 40 tot en met 40 B van het huidige VEU, betreffende de nauwere samenwerking, worden eveneens vervangen door de artikelen 326 tot en met 334 VWEU.

(24)   

De artikelen 43 tot en met 45 en titel VII van het huidige VEU, betreffende de nauwere samenwerking, worden eveneens vervangen door de artikelen 326 tot en met 334 VWEU.



Verdrag betreffende de werking van de europese unie

Oude nummering in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap

Nieuwe nummering in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

EERSTE DEEL - DE BEGINSELEN

EERSTE DEEL - DE BEGINSELEN

Artikel 1 (geschrapt)

 

 

Artikel 1

Artikel 2 (geschrapt) 

 

 

Titel I - Categorieën en gebieden van bevoegdheden van de Unie

 

Artikel 2

 

Artikel 3

 

Artikel 4

 

Artikel 5

 

Artikel 6

 

Titel II - Algemeen toepasselijke bepalingen

 

Artikel 7

Artikel 3, lid 1 (geschrapt) 

 

Artikel 3, lid 2

Artikel 8

Artikel 4 (verplaatst)

Artikel 119

Artikel 5 (vervangen) 

 

 

Artikel 9

 

Artikel 10

Artikel 6

Artikel 11

Artikel 153, lid 2 (verplaatst)

Artikel 12

 

Artikel 13 

Artikel 7 (geschrapt) 

 

Artikel 8 (geschrapt) 

 

Artikel 9 (geschrapt)

 

Artikel 10 (geschrapt) 

 

Artikel 11 (vervangen) 

Artikelen 326 tot en met 334

Artikel 11 A (vervangen) 

Artikelen 326 tot en met 334

Artikel 12 (verplaatst)

Artikel 18

Artikel 13 (verplaatst)

Artikel 19

Artikel 14 (verplaatst)

Artikel 26

Artikel 15 (verplaatst)

Artikel 27

Artikel 16

Artikel 14

Artikel 255 (verplaatst)

Artikel 15

Artikel 286 (vervangen)

Artikel 16

 

Artikel 17

TWEEDE DEEL - HET BURGERSCHAP VAN DE UNIE

TWEEDE DEEL - NON-DISCRIMINATIE EN BURGERSCHAP VAN DE UNIE

Artikel 12 (verplaatst)

Artikel 18

Artikel 13 (verplaatst)

Artikel 19

Artikel 17

Artikel 20

Artikel 18

Artikel 21

Artikel 19

Artikel 22

Artikel 20

Artikel 23

Artikel 21

Artikel 24

Artikel 22

Artikel 25

DERDE DEEL - HET BELEID VAN DE UNIE

DERDE DEEL - HET BELEID EN INTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

 

Titel I - De interne markt

Artikel 14 (verplaatst)

Artikel 26

Artikel 15 (verplaatst)

Artikel 27

Titel I - Het vrije verkeer van goederen

Titel II - Het vrije verkeer van goederen

Artikel 23

Artikel 28

Artikel 24

Artikel 29

Hoofdstuk 1 - De douane-unie

Hoofdstuk 1 - De douane-unie

Artikel 25

Artikel 30

Artikel 26

Artikel 31

Artikel 27

Artikel 32

Derde deel, titel X, Douanesamenwerking (verplaatst)

Hoofdstuk 2 - Douanesamenwerking

Artikel 135 (verplaatst)

Artikel 33

Hoofdstuk 2 - Verbod op kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten

Hoofdstuk 3 - Verbod op kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten

Artikel 28

Artikel 34

Artikel 29

Artikel 35

Artikel 30

Artikel 36

Artikel 31

Artikel 37

Titel II - De landbouw

Titel III - Landbouw en visserij

Artikel 32

Artikel 38

Artikel 33

Artikel 39

Artikel 34

Artikel 40

Artikel 35

Artikel 41

Artikel 36

Artikel 42

Artikel 37

Artikel 43

Artikel 38

Artikel 44

Titel III - Het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal

Titel IV - Het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal

Hoofdstuk 1 - De werknemers

Hoofdstuk 1 - De werknemers

Artikel 39

Artikel 45

Artikel 40

Artikel 46

Artikel 41

Artikel 47

Artikel 42

Artikel 48

Hoofdstuk 2 - Het recht van vestiging

Hoofdstuk 2 - Het recht van vestiging

Artikel 43

Artikel 49

Artikel 44

Artikel 50

Artikel 45

Artikel 51

Artikel 46

Artikel 52

Artikel 47

Artikel 53

Artikel 48

Artikel 54

Artikel 294 (verplaatst)

Artikel 55

Hoofdstuk 3 - De diensten

Hoofdstuk 3 - De diensten

Artikel 49

Artikel 56

Artikel 50

Artikel 57

Artikel 51

Artikel 58

Artikel 52

Artikel 59

Artikel 53

Artikel 60

Artikel 54

Artikel 61

Artikel 55

Artikel 62

Hoofdstuk 4 - Kapitaal en betalingsverkeer

Hoofdstuk 4 - Kapitaal en betalingsverkeer

Artikel 56

Artikel 63

Artikel 57

Artikel 64

Artikel 58

Artikel 65

Artikel 59

Artikel 66

Artikel 60 (verplaatst)

Artikel 215

Titel IV - Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen

Titel V - De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht

 

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Artikel 61

Artikel 67 

 

Artikel 68

 

Artikel 69

 

Artikel 70

 

Artikel 71 

Artikel 64, lid 1 (verplaatst)

Artikel 72 

 

Artikel 73

Artikel 66 (verplaatst)

Artikel 74

Artikel 60 (verplaatst)

Artikel 75

 

Artikel 76

 

Hoofdstuk 2 - Beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie

Artikel 62

Artikel 77

Artikel 63, punten 1 en 2 en Artikel 64, lid 2 

Artikel 78

Artikel 63, punten 3 en 4

Artikel 79

 

Artikel 80

Artikel 64, lid 1 (vervangen)

Artikel 72

 

Hoofdstuk 3 - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

Artikel 65

Artikel 81

Artikel 66 (vervangen)

Artikel 74

Artikel 67 (geschrapt)

 

Artikel 68 (geschrapt)

 

Artikel 69 (geschrapt)

 

 

Hoofdstuk 4 - Justitiële samenwerking in strafzaken

 

Artikel 82 

 

Artikel 83 

 

Artikel 84

 

Artikel 85 

 

Artikel 86

 

Hoofdstuk 5 - Politiële samenwerking

 

Artikel 87 

 

Artikel 88 

 

Artikel 89 

Titel V - Vervoer

Titel VI - Vervoer

Artikel 70

Artikel 90

Artikel 71

Artikel 91

Artikel 72

Artikel 92

Artikel 73

Artikel 93

Artikel 74

Artikel 94

Artikel 75

Artikel 95

Artikel 76

Artikel 96

Artikel 77

Artikel 97

Artikel 78

Artikel 98

Artikel 79

Artikel 99

Artikel 80

Artikel 100

Titel VI - Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen

Titel VII - Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen

Hoofdstuk 1 - Regels betreffende de mededinging

Hoofdstuk 1 - Regels betreffende de mededinging

Eerste afdeling - Regels voor de ondernemingen

Eerste afdeling - Regels voor de ondernemingen

Artikel 81

Artikel 101

Artikel 82

Artikel 102

Artikel 83

Artikel 103

Artikel 84

Artikel 104

Artikel 85

Artikel 105

Artikel 86

Artikel 106

Tweede afdeling - Steunmaatregelen van de staten

Tweede afdeling - Steunmaatregelen van de staten

Artikel 87

Artikel 107

Artikel 88

Artikel 108

Artikel 89

Artikel 109

Hoofdstuk 2 - Bepalingen betreffende belastingen

Hoofdstuk 2 - Bepalingen betreffende belastingen

Artikel 90

Artikel 110

Artikel 91

Artikel 111

Artikel 92

Artikel 112

Artikel 93

Artikel 113

Hoofdstuk 3 - De aanpassing van de wetgevingen

Hoofdstuk 3 - De aanpassing van de wetgevingen

Artikel 95 (verplaatst)

Artikel 114

Artikel 94 (verplaatst)

Artikel 115

Artikel 96

Artikel 116

Artikel 97

Artikel 117

 

Artikel 118

Titel VII - Economisch en monetair beleid

Titel VIII - Economisch en monetair beleid

Artikel 4 (verplaatst)

Artikel 119

Hoofdstuk 1 - Economisch beleid

Hoofdstuk 1 - Economisch beleid

Artikel 98

Artikel 120

Artikel 99

Artikel 121

Artikel 100

Artikel 122

Artikel 101

Artikel 123

Artikel 102

Artikel 124

Artikel 103

Artikel 125

Artikel 104

Artikel 126

Hoofdstuk 2 - Monetair beleid

Hoofdstuk 2 - Monetair beleid

Artikel 105

Artikel 127

Artikel 106

Artikel 128

Artikel 107

Artikel 129

Artikel 108

Artikel 130

Artikel 109

Artikel 131

Artikel 110

Artikel 132

Artikel 111, leden 1 tot en met 3 en 5 (verplaatst)

Artikel 219

Artikel 111, lid 4 (verplaatst)

Artikel 138

 

Artikel 133

Hoofdstuk 3 - Institutionele bepalingen

Hoofdstuk 3 - Institutionele bepalingen

Artikel 112 (verplaatst)

Artikel 283

Artikel 113 (verplaatst)

 Artikel 284 

Artikel 114

Artikel 134

Artikel 115

Artikel 135

 

Hoofdstuk 4 - Specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben

 

Artikel 136

 

Artikel 137

Artikel 111, lid 4 (verplaatst)

Artikel 138

Hoofdstuk 4 - Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 5 - Overgangsbepalingen

Artikel 116 (geschrapt)

 

 

Artikel 139

Artikel 117, leden 1, 2, zesde streepje, en 3 tot en met 9 (verplaatst)

 

Artikel 141, lid 2

Artikel 117, lid 2, vijf eerste streepjes (verplaatst)

Artikel 121, lid 1 (verplaatst)

Artikel 122, lid 2, tweede zin (verplaatst)

Artikel 123, lid 5 (verplaatst)

Artikel 140 

Artikel 118 (geschrapt)

 

Artikel 123, lid 3 (verplaatst)

Artikel 117, lid 2, vijf eerste streepjes (verplaatst)

Artikel 141 

Artikel 124, lid 1 (verplaatst)

Artikel 142

Artikel 119

Artikel 143

Artikel 120

Artikel 144

Artikel 121, lid 1 (verplaatst)

Artikel 140, lid 1

Artikel 121, leden 2 tot en met 4 (geschrapt)

 

Artikel 122, leden 1, 2, eerste zin, 3, 4, 5 en 6 (geschrapt)

 

Artikel 122, lid 2, tweede zin (verplaatst)

Artikel 140, lid 2, eerste alinea

Artikel 123, leden 1, 2 en 4 (geschrapt)

 

Artikel 123, lid 3 (verplaatst)

Artikel 141, lid 1

Artikel 123, lid 5 (verplaatst)

Artikel 140, lid 3

Artikel 124, lid 1 (verplaatst)

Artikel 142

Artikel 124, lid 2 (geschrapt)

 

Titel VIII - Werkgelegenheid

Titel IX - Werkgelegenheid

Artikel 125

Artikel 145

Artikel 126

Artikel 146

Artikel 127

Artikel 147

Artikel 128

Artikel 148

Artikel 129

Artikel 149

Artikel 130

Artikel 150

Titel IX - Gemeenschappelijke handelspolitiek (verplaatst)

Vijfde deel, Titel II, Gemeenschappelijke handelspolitiek

Artikel 131 (verplaatst)

Artikel 206

Artikel 132 (geschrapt)

 

Artikel 133 (verplaatst)

Artikel 207

Artikel 134 (geschrapt)

 

Titel X - Douanesamenwerking (verplaatst)

Derde deel, Titel II, Hoofdstuk 2, Douanesamenwerking

Artikel 135 (verplaatst)

Artikel 33

Titel XI - Sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding en jeugd

Titel X - Sociale politiek

Hoofdstuk 1 - Sociale bepalingen (geschrapt)

 

Artikel 136

Artikel 151

 

Artikel 152

Artikel 137

Artikel 153

Artikel 138

Artikel 154

Artikel 139

Artikel 155

Artikel 140

Artikel 156

Artikel 141

Artikel 157

Artikel 142

Artikel 158

Artikel 143

Artikel 159

Artikel 144

Artikel 160

Artikel 145

Artikel 161

Hoofdstuk 2 - Het Europees Sociaal Fonds

Titel XI - Het Europees Sociaal Fonds

Artikel 146

Artikel 162

Artikel 147

Artikel 163

Artikel 148

Artikel 164

Hoofdstuk 3 - Onderwijs, beroepsopleiding en jeugd

Titel XII - Onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport

Artikel 149

Artikel 165

Artikel 150

Artikel 166

Titel XII - Cultuur

Titel XIII - Cultuur

Artikel 151

Artikel 167

Titel XIII - Volksgezondheid

Titel XIV - Volksgezondheid

Artikel 152

Artikel 168

Titel XIV - Consumentenbescherming

Titel XV - Consumentenbescherming

Artikel 153, leden 1, 3, 4 en 5

Artikel 169

Artikel 153, lid 2 (verplaatst)

Artikel 12

Titel XV - Trans-Europese netwerken

Titel XVI - Trans-Europese netwerken

Artikel 154

Artikel 170

Artikel 155

Artikel 171

Artikel 156

Artikel 172

Titel XVI - Industrie

Titel XVII - Industrie

Artikel 157

Artikel 173

Titel XVII - Economische en sociale samenhang

Titel XVIII - Economische, sociale en territoriale samenhang

Artikel 158

Artikel 174

Artikel 159

Artikel 175

Artikel 160

Artikel 176

Artikel 161

Artikel 177

Artikel 162

Artikel 178

Titel XVIII - Onderzoek en technologische ontwikkeling

Titel XIX - Onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte

Artikel 163

Artikel 179

Artikel 164

Artikel 180

Artikel 165

Artikel 181

Artikel 166

Artikel 182

Artikel 167

Artikel 183

Artikel 168

Artikel 184

Artikel 169

Artikel 185

Artikel 170

Artikel 186

Artikel 171

Artikel 187

Artikel 172

Artikel 188

 

Artikel 189

Artikel 173

Artikel 190

Titel XIX - Milieu

Titel XX - Milieu

Artikel 174

Artikel 191

Artikel 175

Artikel 192

Artikel 176

Artikel 193

 

Titel XXI - Energie

 

Artikel 194

 

Titel XXII - Toerisme

 

Artikel 195

 

Titel XXIII - Civiele bescherming

 

Artikel 196

 

Titel XXIV - Administratieve samenwerking

 

Artikel 197

Titel XX - Ontwikkelingssamenwerking (verplaatst)

Vijfde deel, Titel III, Hoofdstuk 1, Ontwikkelingssamenwerking

Artikel 177 (verplaatst)

Artikel 208

Artikel 178 (geschrapt) 

 

Artikel 179 (verplaatst)

Artikel 209

Artikel 180 (verplaatst)

Artikel 210

Artikel 181 (verplaatst)

Artikel 211

Titel XXI - Economische, financiële en technische samenwerking met derde landen (verplaatst)

Vijfde deel, Titel III, Hoofdstuk 2, Economische, financiële en technische samenwerkingmet derde landen

Artikel 181 A (verplaatst)

Artikel 212

VIERDE DEEL - DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

VIERDE DEEL - DE ASSOCIATIE VAN DE LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE

Artikel 182

Artikel 198

Artikel 183

Artikel 199

Artikel 184

Artikel 200

Artikel 185

Artikel 201

Artikel 186

Artikel 202

Artikel 187

Artikel 203

Artikel 188

Artikel 204

 

VIJFDE DEEL - EXTERN OPTREDEN VAN DE UNIE

 

Titel I - Algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie

 

Artikel 205

Derde deel, Titel IX, De gemeenschappelijke handelspolitiek (verplaatst)

Titel II - De gemeenschappelijke handelspolitiek

Artikel 131 (verplaatst)

Artikel 206

Artikel 133 (verplaatst)

Artikel 207

 

Titel III - Samenwerking met derde landen en humanitaire hulp

Derde deel, Titel XX, Ontwikkelingssamenwerking (verplaatst)

Hoofdstuk 1 - Ontwikkelingssamenwerking

Artikel 177 (verplaatst)

Artikel 208 

Artikel 179 (verplaatst)

Artikel 209

Artikel 180 (verplaatst)

Artikel 210

Artikel 181 (verplaatst)

Artikel 211

Derde deel, Titel XXI, Economische, financiële en technische samenwerking met derde landen (verplaatst)

Hoofdstuk 2 - Economische, financiële en technische samenwerking met derde landen

Artikel 181 A (verplaatst)

Artikel 212

 

Artikel 213

 

Hoofdstuk 3 - Humanitaire hulp

 

Artikel 214

 

Titel IV - Beperkende maatregelen

Artikel 301 (vervangen)

Artikel 215

 

Titel V - Internationale overeenkomsten

 

Artikel 216

Artikel 310 (verplaatst)

Artikel 217

Artikel 300 (vervangen)

Artikel 218

Artikel 111, leden 1 tot en met 3 en 5 (verplaatst)

Artikel 219

 

Titel VI - Betrekkingen van de Unie met internationale organisaties en derde landen en delegaties van de Unie

Artikelen 302 tot en met 304 (vervangen)

Artikel 220

 

Artikel 221

 

Titel VII - Solidariteitsclausule

 

Artikel 222

VIJFDE DEEL - DE INSTELLINGEN VAN DE UNIE

ZESDE DEEL - INSTITUTIONELE EN FINANCIËLE BEPALINGEN

Titel I - Bepalingen inzake de instellingen

Titel I - Institutionele bepalingen

Hoofdstuk 1 - De instellingen

Hoofdstuk 1 - De Instellingen

Eerste afdeling - Het Europees Parlement

Eerste afdeling - Het Europees Parlement

Artikel 189 (geschrapt) 

 

Artikel 190, leden 1 tot en met 3 (geschrapt) 

 

Artikel 190, leden 4 en 5

Artikel 223

Artikel 191, eerste alinea (geschrapt) 

 

Artikel 191, tweede alinea

Artikel 224

Artikel 192, eerste alinea (geschrapt) 

 

Artikel 192, tweede alinea

Artikel 225

Artikel 193

Artikel 226

Artikel 194

Artikel 227

Artikel 195

Artikel 228

Artikel 196

Artikel 229

Artikel 197, eerste alinea (geschrapt) 

 

Artikel 197, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 230

Artikel 198

Artikel 231

Artikel 199

Artikel 232

Artikel 200

Artikel 233

Artikel 201

Artikel 234

 

Tweede afdeling - De Europese Raad

 

Artikel 235

 

Artikel 236

Tweede afdeling - De Raad

Derde afdeling - De Raad

Artikel 202 (geschrapt) 

 

Artikel 203 (geschrapt) 

 

Artikel 204

Artikel 237

Artikel 205, leden 2 en 4 (geschrapt) 

 

Artikel 205, leden 1 en 3

Artikel 238

Artikel 206

Artikel 239

Artikel 207

Artikel 240

Artikel 208

Artikel 241

Artikel 209

Artikel 242

Artikel 210

Artikel 243

Derde afdeling - De Commissie

Vierde afdeling - De Commissie

Artikel 211 (geschrapt) 

 

 

Artikel 244

Artikel 212 (verplaatst)

Artikel 249, lid 2

Artikel 213

Artikel 245

Artikel 214 (geschrapt) 

 

Artikel 215

Artikel 246

Artikel 216

Artikel 247

Artikel 217, leden 1, 3 en 4 (geschrapt) 

 

Artikel 217, lid 2

Artikel 248

Artikel 218, lid 1 (geschrapt) 

 

Artikel 218, lid 2

Artikel 249

Artikel 219

Artikel 250

Vierde afdeling - Het Hof van Justitie

Vijfde afdeling - Het Hof van Justitie van de Europese Unie

Artikel 220 (geschrapt) 

 

Artikel 221, eerste alinea (geschrapt) 

 

Artikel 221, tweede en derde alinea

Artikel 251

Artikel 222

Artikel 252

Artikel 223

Artikel 253

Artikel 224 

Artikel 254

 

Artikel 255

Artikel 225

Artikel 256

Artikel 225 A

Artikel 257

Artikel 226

Artikel 258

Artikel 227

Artikel 259

Artikel 228

Artikel 260

Artikel 229

Artikel 261

Artikel 229 A

Artikel 262

Artikel 230

Artikel 263

Artikel 231

Artikel 264

Artikel 232

Artikel 265

Artikel 233

Artikel 266

Artikel 234

Artikel 267

Artikel 235

Artikel 268

 

Artikel 269

Artikel 236

Artikel 270

Artikel 237

Artikel 271

Artikel 238

Artikel 272

Artikel 239

Artikel 273

Artikel 240

Artikel 274

 

Artikel 275

 

Artikel 276

Artikel 241

Artikel 277

Artikel 242

Artikel 278

Artikel 243

Artikel 279

Artikel 244

Artikel 280

Artikel 245

Artikel 281

 

Zesde afdeling - De Europese Centrale Bank

 

Artikel 282

Artikel 112 (verplaatst)

Artikel 283

Artikel 113 (verplaatst)

Artikel 284

Vijfde afdeling - De Rekenkamer

Zevende afdeling - De Rekenkamer

Artikel 246

Artikel 285

Artikel 247

Artikel 286

Artikel 248

Artikel 287

Hoofdstuk 2 - Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben

Hoofdstuk 2 - Rechtshandelingen van de Unie, vaststellingsprocedures en overige bepalingen

 

Eerste afdeling - Rechtshandelingen van de Unie

Artikel 249

Artikel 288

 

Artikel 289

 

Artikel 290 

 

Artikel 291 

 

Artikel 292

 

Tweede afdeling - Vaststellingsprocedures en overige bepalingen

Artikel 250

Artikel 293

Artikel 251

Artikel 294

Artikel 252 (geschrapt)

 

 

Artikel 295

Artikel 253

Artikel 296

Artikel 254

Artikel 297

 

Artikel 298

Artikel 255 (verplaatst)

Artikel 15

Artikel 256

Artikel 299

 

Hoofdstuk 3 - Adviesorganen

 

Artikel 300

Hoofdstuk 3 - Het Economisch en Sociaal Comité

Eerste afdeling - Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel 257 (geschrapt) 

 

Artikel 258, eerste, tweede en vierde alinea

Artikel 301

Artikel 258, derde alinea (geschrapt) 

 

Artikel 259

Artikel 302

Artikel 260

Artikel 303

Artikel 261 (geschrapt)

 

Artikel 262

Artikel 304

Hoofdstuk 4 - Het Comité van de Regio's

Tweede afdeling - Het Comité van de Regio's

Artikel 263, eerste en vijfde alinea (geschrapt) 

 

Artikel 263, tweede tot en met vierde alinea

Artikel 305

Artikel 264

Artikel 306

Artikel 265

Artikel 307

Hoofdstuk 5 - De Europese Investeringsbank

Hoofdstuk 4 - De Europese Investeringsbank

Artikel 266

Artikel 308

Artikel 267

Artikel 309

Titel II - Financiële bepalingen

Titel II - Financiële bepalingen

Artikel 268

Artikel 310

 

Hoofdstuk 1 - De eigen middelen van de Unie

Artikel 269

Artikel 311

Artikel 270 (geschrapt) 

 

 

Hoofdstuk 2 - Meerjarig financieel kader

 

Artikel 312

 

Hoofdstuk 3 - De jaarlijkse begroting van de Unie

Artikel 272, lid 1 (verplaatst)

Artikel 313

Artikel 271 (verplaatst)

Artikel 316

Artikel 272, lid 1 (verplaatst)

Artikel 313

Artikel 272, leden 2 tot en met 10

Artikel 314

Artikel 273

Artikel 315

Artikel 271 (verplaatst)

Artikel 316

 

Hoofdstuk 4 - Uitvoering van de begroting en kwijtingverlening

Artikel 274

Artikel 317

Artikel 275

Artikel 318

Artikel 276

Artikel 319

 

Hoofdstuk 5 - Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 277

Artikel 320

Artikel 278

Artikel 321

Artikel 279

Artikel 322

 

Artikel 323

 

Artikel 324

 

Hoofdstuk 6 - Fraudebestrijding

Artikel 280

Artikel 325

 

Titel III - Nauwere samenwerking

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 326 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 327 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 328 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 329 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 330 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 331 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 332 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 333 

Artikelen 11 en 11 A (vervangen)

Artikel 334 

ZESDE DEEL - ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

ZEVENDE DEEL - ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 281 (geschrapt) 

 

Artikel 282

Artikel 335

Artikel 283

Artikel 336

Artikel 284

Artikel 337

Artikel 285

Artikel 338

Artikel 286 (vervangen)

Artikel 16

Artikel 287

Artikel 339

Artikel 288

Artikel 340

Artikel 289

Artikel 341

Artikel 290

Artikel 342

Artikel 291

Artikel 343

Artikel 292

Artikel 344

Artikel 293 (geschrapt)

 

Artikel 294 (verplaatst)

Artikel 55

Artikel 295

Artikel 345

Artikel 296

Artikel 346

Artikel 297

Artikel 347

Artikel 298

Artikel 348

Artikel 299, lid 1 (geschrapt) 

 

Artikel 299, lid 2, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 349

Artikel 299, lid 2, eerste alinea, en leden 3 tot en met 6 (verplaatst)

Artikel 355

Artikel 300 (vervangen)

Artikel 218

Artikel 301 (vervangen)

Artikel 215

Artikel 302 (vervangen)

Artikel 220

Artikel 303 (vervangen)

Artikel 220

Artikel 304 (vervangen)

Artikel 220

Artikel 305 (geschrapt)

 

Artikel 306

Artikel 350

Artikel 307

Artikel 351

Artikel 308

Artikel 352

 

Artikel 353

Artikel 309

Artikel 354

Artikel 310 (verplaatst)

Artikel 217

Artikel 311 (geschrapt) 

 

Artikel 299, lid 2, eerste alinea, en leden 3 tot en met 6 (verplaatst)

Artikel 355

Artikel 312

Artikel 356

Slotbepalingen

 

Artikel 313

Artikel 357

 

Artikel 358

Artikel 314 (geschrapt) 

 

(1)   

Ten gronde vervangen door artikel 3 VEU.

(2)   

Ten gronde vervangen door de artikelen 3 tot en met 6 VWEU.

(3)   

Vervangen door artikel 5 VEU.

(4)   

Invoeging van het dispositief van het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.

(5)   

Ten gronde vervangen door artikel 13 VEU.

(6)   

Ten gronde vervangen door artikel 13 VEU en artikel 282, lid 1 VWEU.

(7)   

Ten gronde vervangen door artikel 4, lid 3 VEU.

(8)   

Eveneens vervangen door artikel 20 VEU.

(9)   

Vervangt eveneens artikel 29 van het huidige VEU.

(10)   

Vervangt artikel 36 van het huidige VEU.

(11)   

Vervangt eveneens artikel 33 van het huidige VEU.

(12)     

Artikel 63, punten 1 en 2 VEG wordt vervangen door artikel 78, leden 1 en 2 VWEU en artikel 64, lid 2, wordt vervangen door artikel 78, lid 3 VWEU.

  (13)   

Vervangt artikel 31 van het huidige VEU.

(14)   

Vervangt artikel 30 van het huidige VEU.

(15)   

Vervangt artikel 32 van het huidige VEU.

(16)   

— Artikel 140, lid 1, herneemt artikel 121, lid 1;

— artikel 140, lid 2, herneemt artikel 122, lid 2, tweede zin;

— artikel 140, lid 3, herneemt artikel 123, lid 5.

(17)   

— Artikel 141, lid 1, herneemt artikel 123, lid 3;

— artikel 141, lid 2, herneemt de eerste vijf streepjes van artikel 117, lid 2.

(18)     

Ten gronde vervangen door artikel 208, lid 1, tweede alinea, tweede zin VWEU.

  (19)   

Lid 1, tweede alinea, tweede zin, vervangt ten gronde artikel 178 VEG.

(20)   

Ten gronde vervangen door artikel 14, leden 1 en 2 VEU.

(21)   

Ten gronde vervangen door artikel 14, leden 1 tot en met 3 VEU.

(22)   

Ten gronde vervangen door artikel 11, lid 4 VEU.

(23)   

Ten gronde vervangen door artikel 14, lid 1 VEU.

(24)   

Ten gronde vervangen door artikel 14, lid 4 VEU.

(25)   

Ten gronde vervangen door artikel 16, lid 1 VEU en de artikelen 290 en 291 VWEU.

(26)   

Ten gronde vervangen door artikel 16, leden 2 en 9 VEU.

(27)   

Ten gronde vervangen door artikel 16, leden 4 en 5 VEU.

(28)   

Ten gronde vervangen door artikel 17, lid 1 VEU.

(29)   

Ten gronde vervangen door artikel 17, leden 3 en 7 VEU.

(30)   

Ten gronde vervangen door artikel 17, lid 6 VEU.

(31)   

Ten gronde vervangen door artikel 295 VWEU.

(32)   

Ten gronde vervangen door artikel 19 VEU.

(33)   

Ten gronde vervangen door artikel 19, lid 2, eerste alinea VEU.

(34)   

De eerste zin van de eerste alinea is ten gronde vervangen door artikel 19, lid 2, tweede alinea VEU.

(35)   

Vervangt ten gronde artikel 202, derde streepje VEG.

(36)   

Ten gronde vervangen door artikel 300, lid 2 VWEU.

(37)   

Ten gronde vervangen door artikel 300, lid 4 VWEU.

(38)   

Ten gronde vervangen door artikel 300, leden 3 en 4 VWEU.

(39)   

Ten gronde vervangen door artikel 300, lid 4 VWEU.

(40)   

Vervangt eveneens de artikelen 27 A tot en met 27 E, 40 tot en met 40 B en 43 tot en met 45 van het huidige VEU.

(41)   

Ten gronde vervangen door artikel 47 VEU.

(42)   

Ten gronde vervangen door artikel 52 VEU.

(43)   

Ten gronde vervangen door artikel 51 VEU.

(44)   

Ten gronde vervangen door artikel 55 VEU.


Geconsolideerde tekst van 15-03-2025 (bron: EUR-Lex). Juridisch bindend is alleen de tekst in het Publicatieblad van de EU.