ECLI:NL:RVS:2026:6237

Datum uitspraak
23-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
BRS.25.002501
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van appellant als gemeenschapsonderdaan beëindigd en hem ongewenst verklaard.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

BRS.25.002501

ECLI:NL:RVS:2026:6237

Datum uitspraak: 23 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 november 2025 in zaak nr. NL23.39258 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van appellant als gemeenschapsonderdaan beëindigd en hem ongewenst verklaard.

Bij besluit van 22 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2025 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan niet‑ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        In zijn derde grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat zij het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent. De proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn komen voor vergoeding in aanmerking als het verzoek leidt tot de vaststelling van een schadevergoeding. Vergelijk de uitspraak van 6 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2589, onder 1. De grief slaagt.

2.        Wat appellant in de overige grieven aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 13, 17 en 18 van de uitspraak van de rechtbank over.

2.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank heeft nagelaten om de minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot vergoeding van de bij appellant met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten. De minister en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van die proceskosten. De Afdeling bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden. Bij de berekening van de kosten past de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) toe.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 november 2025 in zaak nr. NL23.39258, voor zover de rechtbank heeft nagelaten om de minister van Asiel en Migratie en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten;

III.        bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 700,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.        veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Essenburg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Iedema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2026

915-1163

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »