ECLI:NL:RVS:2026:6245

Datum uitspraak
26-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
BRS.26.005171
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migrigratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

BRS.26.005171

ECLI:NL:RVS:2026:6245

Datum uitspraak: 26 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[betrokkene],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 september 2026 in zaak nr. NL26.49882 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 23 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.        De door appellant opgeworpen vraag of een gebrek in het kader van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening kan worden gepasseerd, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie (arrest van het Hof van 30 november 2023, Ministero dell’Interno, ECLI:EU:C:2023:934, punten 116 tot en met 124). Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Stoové

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026

551-1163

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »