BRS.26.004912
ECLI:NL:RVS:2026:6246
Datum uitspraak: 26 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 september 2026 in zaak nr. NL26.43000 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. de Vries, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Dat de onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (Amb-verordening) niet in lijn is met het voorlopig oordeel van de Afdeling in de verwijzingsuitspraak van 7 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5867, onder 4 tot en met 4.2, maakt dit niet anders. De uitspraak van de rechtbank kan namelijk standhouden in het licht van de ruime uitleg die de Afdeling geeft aan de rechtsbescherming van vreemdelingen in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Vermeulen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2026
307-1170