ECLI:NL:RVS:2026:6185

Datum uitspraak
22-10-2026
Instantie
Raad van State
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
BRS.26.003944
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

BRS.26.003944

ECLI:NL:RVS:2026:6185

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 juli 2026 in zaak nr. NL26.39061 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 23 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W.M. Blaauw, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2.        De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Deze grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, over de toepassing van de asielgrensprocedure en de omvang van de lichter-middel-beoordeling in grensdetentiezaken). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De Afdeling heeft in die uitspraak ook uitgelegd waarom zij geen reden ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.

3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M.J.B. A Campo LLM, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. A Campo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026

907

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »