BRS.26.001510
ECLI:NL:RVS:2026:6195
Datum uitspraak: 23 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [de betrokkene],
2. de minister van Buitenlandse Zaken
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL25.54240 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de minister een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Hoger beroep van betrokkene
1. Het hoger beroep van betrokkene leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond.
Incidenteel hoger beroep van de minister
3. Het incidenteel hoger beroep van de minister leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister komt op tegen het oordeel van de rechtbank over het peilmoment van de leeftijd van een referent bij de aanvraag om afgifte van een faciliterend visum. De Afdeling is van oordeel dat de door de minister bestreden overweging geen dragende overweging is geweest voor het eindoordeel van de rechtbank. Alleen al daarom kan het daartegen gerichte betoog van de minister niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.
Conclusie
5. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.L. MacLean, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. MacLean
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2026
1118